Filosofie Scheurkalender 2010 (10)

9789085712169‘Lelystad was de bekroning van de vaderlandse strijd tegen het water.’  (Joris van Casteren, Lelystad, 2008)

In het alom geprezen boek Lelystad toont Van Casteren hoe de hoopvolle dromen voor de eerste nieuwe polderstad van Nederland stukslaan op ondoorgrondelijke bureaucratie en wanbeleid. De progressieve en goed bedoelde plannen van pioniers monden uit in een grijs en droevig crimineel bolwerk, met vierkante huizenblokken, betonpleinen en troosteloze hofjes. Wat een bekroning moest zijn van de vaderlandse strijd tegen het water, een ideale voorbeeldstad, werd een dieptepunt in de geschiedenis van de planologie.
Van Casteren wijst geen schuldigen aan en laat zich evenmin verleiden tot een alomvattende theorie. Wel doemt er uit zijn boek een these op: in een stad die vanaf de grond wordt opgebouwd en dus geen geschiedenis heeft, wordt de menselijke maat uit het oog verloren.

Filosofie Scheurkalender 2010 (9)

9789085712169‘Mogelijk heeft schrijven te maken met duisternis en met een verlangen, of wellicht een dwang, om erin binnen te dringen, en, als het meezit, het te verlichten en er iets van mee terug te nemen, het daglicht in.’
(Margaret Atwood, Negotiating with the dead, 2003)

In de essaybundel Negotiating with the dead spreekt Atwood over haar eigen professie: het schrijverschap. In haar lange carrière is haar vaak gevraagd waarom ze schrijft en in deze bundel onderneemt ze een poging een antwoord te formuleren.
Ze begint met een lijst van motieven die zij en haar collega-schrijvers noemen wanneer ze met de waaromvraag worden geconfronteerd. Het brengt haar niet ver, omdat iedereen een andere reden lijkt te hebben. Auteurs schrijven onder andere om de wereld te spiegelen, uit liefde, om zichzelf te plezieren, uit protest.
Atwood inventariseert vervolgens de antwoorden op de vraag hoe het voelt om te schrijven, en die inventarisatie toont dat schrijvers wel degelijk iets met elkaar gemeen hebben: bijna alle ondervraagden vergelijken hun werk met het binnengaan van een donkere ruimte. Voordat zij aan een boek beginnen, weten zij niet precies wat er zich in die ruimte bevindt, maar tijdens het schrijven dalen ze erin af en wordt de ruimte steeds iets meer verlicht. Het brengt Atwood tot de voorzichtige conclusie dat schrijven te maken heeft met het donker en met het verlangen of de impuls om in dat donker af te dalen en er elementen uit mee naar boven te nemen.

Ratio versus God

Op de website Academic Earth worden videocolleges van onder andere Harvard, Berkeley en Princeton gratis beschikbaar gesteld. Uit nieuwsgierigheid naar de gang van zaken bij zo’n  beroemd instituut, besloot ik een college filosofie aan Yale te volgen. Ik had de keuze tussen Introduction to Political Philosophy en Death en koos voor Death.
De eerste aflevering begon met een bebaarde professor die in kleermakerszit op zijn eiken bureau zat. Dat beloofde wat. Maar voordat de man zijn wijsheid kon spuien, waarschuwde hij zijn studenten voor wat er komen ging. De professor had de cursus duidelijk eerder gegeven met niet altijd positieve feedback. Dit maal ging hij ervan uit dat de meerderheid van zijn studenten religieus was en wellicht gevoelig; wie niet wilde horen dat de mens geen ziel had, kon beter een andere cursus volgen. Hij vertelde hen onomwonden dat hij zelf niet gelovig was, dat dit college om rationele argumentatie draaide en dat hij geen bewijsgronden zou accepteren waarin God of de bijbel een rol speelden.
Ik vond het schokkend. Wanneer een professor filosofie aan Yale zijn studenten moet waarschuwen dat een wijsgerig college over de dood niet over de hemel gaat, is het conservatieve christendom werkelijk een bedreiging geworden voor de onafhankelijke geest.

P.S. In de zes cursussen literatuur die werden aangeboden, bleken bovendien twee cursussen te gaan over de interpretatie van het oude testament en het nieuwe testament.  Een derde behandelde Dante’s Purgatorio e Paradiso.

Filosofie Scheurkalender 2010 (8)

9789085712169‘Het genot ontstond door het te intense bewustzijn van de eigen degradatie.’ (Fjodor Dostojevski, Aantekeningen uit het ondergrondse, 1864)

Volgens de verteller van Aantekeningen uit het ondergrondse is een te groot of te sterk bewustzijn een ziekte. Een mens zou voor zijn dagelijkse handelingen aan een simpel bewustzijn genoeg kunnen hebben. Maar ontwikkelde mensen, zoals hij, kunnen zich niet onttrekken aan wat een geweten wordt genoemd. Zijn geweten is zijn ziekte en toch is hij er trots op.
Hij is trots, omdat hij zich bewust is van het perverse van zijn gedrag. Hoe meer hij zich bewust is van het goede en schone, hoe meer hij de neiging heeft zich in het moeras te dompelen. Lange tijd heeft hij zich hiervoor geschaamd – hij was niet normaal, een mens die uit zichzelf tot het slechte neigt, is niet normaal. Maar naast schaamte voelde hij ook genoegen. Hij kon ervan genieten, omdat hij zich volledig bewust was van zijn eigen degradatie.
Wie op de bodem ligt, kan niet meer zinken. En wie niet kan zinken, voelt zich licht, zo licht, dat misère in zijn tegendeel omslaat en iets wordt om van te genieten.

Filosofie Scheurkalender 2010 (7)

‘Wij begonnen pas te functioneren in tijden van oorlog. Wij waren gemaakt voor de waanzin. Eigenlijk kwamen wij, moeder en haar zonen, pas tot leven als de noodtoestand was afgekondigd.’ (Jaap Scholten, De wet van Spengler, 2008)

Het gezin waarin we opgroeien, blijft voor ons vaak een raadsel. Vader, moeder en kinderen spelen allemaal een rol en stemmen hun gedrag op elkaar af. Maar omdat die dynamiek vanaf je geboorte aanwezig is en zo vanzelfsprekend lijkt, blijft hij vaak onzichtbaar. Totdat we na een periode van niet-samenzijn weer bij elkaar komen. Voor een veertigjarig huwelijk. Een laatste grote Kerst. Een ziekte en naderende dood van een van de gezinsleden.
In zijn ontroerende roman De wet van Spengler beschrijft Scholten een gezin van zonen en wat er met de hoofdpersoon en zijn broers gebeurt als de oudste van hen een hersentumor blijkt te hebben. Jarenlang hebben ze langs elkaar heen geleefd en weinig interesse in elkaar getoond, maar nu het erop aankomt, vormen ze een hecht gezin. Ze maken de hen vertrouwde grappen en staan op ieder uur van de dag voor elkaar klaar. Langzaam dringt het tot de hoofdpersoon door dat de aanwezigheid van nood en drama altijd al de onderliggende bindingsfactor is geweest.
Sommige families floreren bij geluk. Anderen bij de dood.

Filosofie Scheurkalender 2010 (6)

‘Romanciers die intelligenter zijn dan hun werken, zouden een ander beroep moeten kiezen.’ (Milan Kundera, De kunst van de roman, 1990)

Kundera houdt niet van massamedia die met pasklare ideeën ons denken afstompen en auteurs in het spotlicht zetten in plaats van hun romans. Auteurs kunnen volgens hem het beste proberen achter hun oeuvre te verdwijnen, want anders lopen hun romans het gevaar niets meer te zijn dan aanhangsels van de schrijver.
En volgens Kundera is het eerder andersom: een auteur is een aanhangsel van zijn romans. Tijdens het schrijven luisteren romanciers namelijk naar een andere stem dan die van hun eigen persoonlijkheid. Ze luisteren naar een bovenpersoonlijke wijsheid die hen inspireert. Het verklaart waarom romans bijna altijd intelligenter zijn dan schrijvers. Auteurs die boven hun werken blijven staan, zouden een ander beroep moeten kiezen.

Filosofiekalender 2010 (5)

‘De mens is zijn leed en zijn menselijkheid wordt bepaald door zijn verhouding ten opzichte van het leed van de anderen.’ (Marcel Möring, Lijdenslust, 2006)

Volgens Möring heeft de moderne mens geen zin meer om te lijden. Het leven is er om plezier te maken en geluk na te streven en lijden moet zoveel mogelijk vermeden worden. Dat anderen nog wel lijden, is een probleem dat met oogkleppen opgelost kan worden. Wat we niet zien, kan ons niet deren. Wij kunnen ons gelukkig wanen.
Maar wordt ons leven er beter van als we het lijden uitbannen? Volgens Möring niet. Zonder leed is een waarachtig leven niet mogelijk en kunnen we ons niet tot een ander verhouden. Lijden is nodig. Wie slapeloze nachten heeft om het noodlot van een ander, geeft die ander geen praktische hulp, maar een bereidheid om bij het leed van die ander stil te staan, creëert wel een verbondenheid tussen individuen. Het maakt ons wie we zijn: mensen. Het moderne leedvermijdende gedrag is dus niets anders dan een middel om steeds onmenselijker te worden.

Filosofiekalender 2010 (4)

‘Als er een soort algemene norm is waaraan we allemaal moeten voldoen om te slagen in het leven, dan wijken we natuurlijk allemaal af van die norm.’
(Marjolijn Februari,  Park Welgelegen, 2004)

In wetenschappelijke onderzoeken, politieke overwegingen en beleidsnota’s duiken vaak mensen op die gemakshalve tot een volmaakte controlegroep worden gerekend: mensen met wie niets aan de hand is. Heteroseksuele mannen met blond haar en blauwe ogen, noemt Februari ze. Normale mensen zonder problemen.
Volgens sommige voorvechters van integratie en emancipatie hebben deze normale mensen te veel macht in de maatschappij verworven en blijven er te weinig mogelijkheden over voor de abnormalen onder ons. Maar wie in de realiteit zoekt naar die normale mensen, zal ontdekken dat zij niet bestaan. Natuurlijk, heteroseksuele mannen met blond haar en blauwe ogen bestaan wel, maar het is een illusie dat zij normaal zijn en een heterogene groep vormen. Ook de controlegroep van zogenaamd normale mensen bestaat uit buitenissige individuen. Welke algemene norm er ook gesteld wordt, iedereen zal ervan afwijken.

Filosofiekalender 2010 (3)

‘Met een bepaald deel van ons wezen leven we allen buiten de tijd.’ (Milan Kundera, Onsterfelijkheid, 1990)

Een vrouw van in de zestig wordt door de hoofdpersoon van Kundera’s roman Onsterfelijkheid waargenomen tijdens haar zwemles. Hij vindt haar koddig en haar ademhaling doet hem denken aan een stoomlocomotief. Deze vrouw heeft kortom al haar charme aan de ouderdom verloren. Of niet?
Wanneer de les is afgelopen en zij in badpak wegloopt, draait ze zich vlak voor de kleedkamers om, glimlacht en wuift. En in dat betoverende gebaar ziet hij een meisje van twintig. Voor een ogenblik lijkt de vrouw vergeten te zijn dat zij in een ouder lichaam zit. Haar glimlach en haar wuiven zijn licht en gracieus, als om een minnaar te verleiden. De hoofdpersoon is gefascineerd en mijmert over de betekenis van dit alles. Misschien zijn we in wezen leeftijdsloos en staan we voor een deel buiten de tijd. Een gebaar of een glimlach is blijkbaar voldoende om een essentie te tonen, die tijdloos is.

Filosofiekalender 2010 (2)

‘Ik denk nog steeds dat boeken net als goden en kinderen in het voorgeborchte van het bestaan verblijven, een dimensie waarin gevolgen tot oorzaken kunnen leiden en de dag van gisteren uit die van morgen tevoorschijn kruipt.’ (Erwin Mortier, Godenslaap, 2008)

In Godenslaap van Erwin Mortier is de stokoude vrouw Helena aan het woord die dikke aantekenboeken vol pent met geen ander doel dan te schrijven en van de taal te genieten, misschien in de hoop dat iemand ze ooit leest.
Ze haalt herinneringen op aan haar jeugd en haar moeder, een moeder die niet van zweverige dichters hield en verbeelding iets onfatsoenlijks vond. Helena heeft zich vanaf haar prille jeugd tot schrijven en lezen aangetrokken gevoeld en laat zich niet door De Rede van haar moeder beperken. Boeken staan in haar ogen vol met niet-sluitende redeneringen, maar hoeven ook niet aan de rechttoe-rechtaan regels van de werkelijkheid te voldoen. Boeken hebben hun eigen universum, net als de doden. Ze zijn aanwezig zonder dat ze zich aan natuurwetten hoeven te houden:  ‘Alles moet er nog gebeuren en alles is er al voorbij.’