Claire Polders - auteur

To fawn

Wie zijn of haar Engels wil opvijzelen doet er goed aan af en toe een Brits woordenboek te lezen.

Gisteren, toen mijn man artisjokken stond te stomen in de hogedrukpan, nam ik de F in de Oxford Advanced Learner’s Dictionary tot mij. Ik voegde de prachtigste woorden toe aan mijn vocabulaire: farrago, fastidious, Fallopian tubes.

Maar ik leerde ook woorden voor begrippen die mij onbekend waren. Zoals ‘fetloch’, de gangbare naam voor de metacarpofalangeale en metatarsofalangeale gewrichten van paarden. Ook werd ik onderwezen in de menselijke psychologie, want de betekenis van het werkwoord ‘fawn’ verklapte veel over het soort aardbewoners dat woordenboeken leest en schrijft.

To fawn: proberen bevestiging te zoeken door het overmatig prijzen van anderen. Of kortgezegd: anderen kruiperig vleien.

Vanavond weer een letter.

The Era of TV series

We arrived by elevator on a moon-shy night. Two pretty boys in ripped and burned-out T-shirts led us into an anteroom where a doctor was sliding on medical mittens. She was tugging at the latex with her teeth. We were told to strip, leave our scarves, hats and umbrellas on a steaming pile of abandoned garments. The soaked up rain in wool ponchos and trench coats was evaporating; there were high levels of human-radiated heat.

“I’d like to order a hamburger,” a broad man said. He wore a motorcycle jacket and mirrored sunglasses. His hair was black and shiny, shaped into a monstrous crest.
“Just because I’m wearing my uniform, doesn’t mean I’m on duty,” I said, softening the blow with a smile. “Besides, I haven’t seen Lafayette yet. Perhaps he’s not coming.”

We eased into a bustling salon, sealed up in plastic. Faces were stamped with excitement, suspense, kaleidoscopic paints. A zombie offered us a cocktail. Our hands reached out, but we were bushwhacked, bear-hugged from behind by Spartacus.
“Don’t let this corpse bleed you dry,” he warned me, pointing to the dapper vampire at my side.
“Happy Birthday, Spartacus,” the vampire said.

We traded small talk for gifts, eyeing the characters around us. Near the bar, a full-breasted redhead showed off her shapely behind in a tight scarlet over-knee dress. Three guys in bulky sneakers were semi-loafing on canes, debating whether to pop another pseudo-pill; transvestites dotted the dance floor, some allured in low-cut attire, others in checkered tweed suits. I spied a car mechanic, one fat grizzly bear, a state trooper. They weren’t talking.

“Hey Alice, what’s up?” an orange-suited prisoner asked.
“Alice is in Wonderland,” I replied. “I’m her evil twin—packing fairy blood.”

Lady Gaga was turned-up. A man sporting tighty-whities waltzed in, otherwise well-dressed from the waist up. The vampire and I started prancing. Occasionally, I offered him my throat. In between highballs and chitchat, the champagne flowed. When the green surgeon arrived, we knew it was time to quit the joint.

After the age of Almodovar came the year of Disney, and now, the era of TV series. We wondered what Spartacus would opt for next. At least we learned one thing: being mutilated, dead or inhuman doesn’t stop you from having a good time.

Een knipoog van de Eiffeltoren

Het hofje waarin ik woon is meer dan honderd jaar oud. Zo ook het atelier waarin ik onder andere slaap, eet en schrijf.

In aanloop van de wereldexpositie in Parijs van 1889 besloot de Franse staat om ateliers te laten bouwen voor kunstenaars die bij de mega-tentoonstelling betrokken waren. Overal in de stad, maar vooral rond Montparnasse verrezen ze; in mijn straat liggen drie hofjes naast elkaar met elk zo’n twaalf ateliers. De meeste zijn inmiddels omgebouwd tot woning, maar een paar zijn nog in oorspronkelijke staat. Eentje is tijdens de oorlog verloren gegaan onder een per ongeluk gevallen Engelse bom.

Als mensen me naar de geschiedenis van mijn woning vragen, zeg ik meestal: de handen die de Eiffeltoren bouwden, zijn ook verantwoordelijk voor mijn atelier. Erg waarschijnlijk is dit niet, maar het had gekund. De Eiffeltoren en mijn atelier zijn in dezelfde creatieve periode ontstaan; ze hebben een zekere band. Bovendien, als ik ’s avonds in de keuken door mijn hoge ramen naar buiten kijk, knipoogt de toren vaak naar me. Het draaiende zoeklicht van de Eiffeltoren is bij heldere hemel goed te zien.

Toen ik de voorjaarseditie van En Route opende om te zien hoe dit blad er met een nieuw concept en na een drastische restyle uitziet, viel mijn oog meteen op het artikel van Eveline Bijlsma over La dame de fer, dat in dit geval niet over Thatcher ging. Zou de toren nog geheimen voor me hebben, vroeg ik me af.

Het ontwerp is niet van Meneer Eiffel zelf, maar van twee medewerkers van zijn kantoor. Dat wist ik. Het plan was om de toren na de expositie af te breken. Ook dat wist ik. Maar waarom de toren behouden bleef of hoe Hitler destijds door de liftbedienden behandeld werd, dat wist ik niet. Met een grote glimlach nam ik alle weetjes tot mij. Want hoe meer ik over de Eiffeltoren wist, hoe fraaier het verhaal over mijn atelier zou kunnen worden. Na lezing besloot ik dat het hoog tijd was de 1665 treden nog eens te beklimmen, of eventueel eens een lift in te stappen – de laatste keer dat ik boven stond, is ruim tien jaar geleden.

Meer weten over mijn hofje? De personages in De verdwijning van Eva Zomers wonen er.

Meer weten over de Eiffeltoren (of over Femke Wolthuis of over het Rhône gebied waar Van Gogh verliefd op was)? De nieuwe En Route met nieuws, recensies en een uitstekende cultuuragenda ligt in de winkel.

Aardbewoners: de mens

Een oude man loopt op het trottoir met zijn blik op de tegels gericht. Zijn aangelijnde hond trippelt onopgemerkt achter hem aan en snuffelt dat het een lieve lust is. Steeds wanneer het beest zijn poot heft om te plassen, trekt de achteloze man hem omver. Pas aan het einde van de straat lukt het de hond een straal tegen een lantaarnpaal te piesen.

Op de fel verlichte bar van een buurtrestaurant maken de kok en de serveerster na sluitingstijd een nummertje. Toevallige passanten blijven geamuseerd staan of lopen gegeneerd door. Totdat de vrouw op de bar bemerkt dat de rolluiken nog niet gesloten zijn en ze met een zwaai van haar arm de stekker uit de verlichting trekt.

Tussen de goedgevulde rekken van een supermarkt staan een man en een vrouw boos tegen over elkaar. De man draagt een chique maatpak en de vrouw heeft uren besteed aan het stileren van haar kapsel en het aanbrengen van haar masker van make-up. Ze maken ruzie over welk merk mosterd ze zullen kopen.

Een zonnige dag in het park met tientallen jonge gezinnen. Moeders roepen sussende woorden naar hun kroost. Rustig-aan, schreeuw-niet-zo, gedraag-je. Dan komt er een vader aanrennen met drie kinderen. Hij flappert met zijn lange jas alsof hij een eend is die wil opvliegen. Binnen no time heeft hij een schare joelende kinderen achter zich verzameld. En alle moeders kijken goedkeurend toe.

‘Uit bovenstaande alledaagse observaties kunnen we concluderen dat we het begrip “overlevingsinstinct” ruim moeten opvatten om de diversiteit aan menselijk gedrag te kunnen begrijpen.’ (Uit de studie Aardbewoners per soort, hoofdstuk 7 ‘De Mens’)

Lezing – 20 april 2012

De filosoof en de schrijver; kritisch denken en de mythe van de muze.

In Tilburg heb ik geleerd om kritisch te denken. Helpt mijn opleiding mij bij het schrijven van romans of word ik er juist door belemmerd?
De stap van het kritisch analyseren van romans naar het verbeeldend creëren van romans is niet vanzelfsprekend.
Hoe leer je schrijven? Word je door oefenen wijs? Ben je als schrijver geboren? Of kun je door anderen klaargestoomd worden voor het schrijverschap?
In deze lezing zal ik spreken over kritisch denken en creativiteit. Hoe ontstaan nieuwe ideeën?

Plaats: Tilburgse Filmfoyer
(Schouwburgring, naast de schouwburg, hartje centrum)
Tijd: van 16.00 uur tot 18.00 uur
Toegang: gratis – iedereen is welkom.

Meer informatie: De Dante Connectie

Lucifers

Op vrijdag 30 maart hebben we een bijzondere man begraven. Een man die een onvernietigbare levenskracht bezat en toch sterfelijk bleek te zijn. In een eenvoudige houten kist hebben we hem naar een gat in de grond gedragen, waar we hem onder het zand hebben bedolven.

Hij was een man vol tegenstrijdigheden. Duizenden boeken las hij, in het Nederlands, Frans, Duits, Engels en Hebreeuws – hij hield van woorden en vertalen, maar wanneer hij zelf iets schreef, bleef het bij een zin of twee. Zijn e-mails en instructies waren zo bondig mogelijk. Ook in het gesproken woord kwam die dubbelzinnigheid terug; aan de keukentafel of op de bank kon hij uren vertellen en discussiëren, maar had je hem aan de telefoon dan speelde hij de rol van haastige zakenman; zodra de noodzakelijke informatie was uitgewisseld, hing hij op. Hij hield van reizen en nieuwe ervaringen en toch had hij een hekel aan veranderingen; hij was trouw aan zijn boot, aan zijn chocolademerken, aan zijn verschoten tasje. Iets weggooien? Onmogelijk. In zijn huis was dertig jaar niets gewijzigd.

Afgelopen zondag liep ik door dat huis, waarschijnlijk voor de laatste keer. Samen met mijn moeder en zijn kinderen, keek ik naar alles wat deze man verzameld had. Behalve whiskyglazen, vintage strikjes en een berenjas vonden we tassen met shampooflesje en hotelzeepjes, dozen met plastic verpakkingen en elastiekjes, laden vol vergeelde paperassen, verroeste munten en verstofte stukken speelgoed. Wat konden we bewaren en wat moest er weg?

Ik vulde een zakje met luciferdoosjes die uit allerlei hoeken van de wereld kwamen. Zonde om weg te gooien, dacht ik toen. Weer thuis in Parijs legde ik de doosjes in de la waar de aansteker ligt. Die avond gebruikte ik een lucifer uit Israel om de kaarsen aan te steken en dacht aan de man van wie ik zoveel gehouden heb. Een traan en een glimlach. Mijn eigen behoudzucht heeft ervoor gezorgd dat ik mijn kamer nog jarenlang met een gedachte aan hem zal kunnen verlichten.

De Helling (3) – Consumentengroei

Clairetown en Hagar-ville bestaan om goede redenen nog niet. Onze zogenaamde utopieën zouden tot tirannie of uitsluiting leiden. De wet van de onbedoelde gevolgen bepaalt, dat wie het goede nastreeft met onvoorziene consequenties te maken kan krijgen en zo onbedoeld het kwade veroorzaakt. Moeten we dan ophouden naar verbetering te streven?

Natuurlijk niet. Ook ik voel de reflex om problemen aan te pakken. Ik geloof alleen niet in definitieve oplossingen of analyses met zekerheidsgaranties. Iedereen maakt fouten. Iemand die nooit een vergissing toegeeft of weleens radicaal een andere weg inslaat, vertrouw ik niet. Je moet jezelf zo nu en dan durven tegenspreken – van misvatting naar misvatting worden we wijzer.

Maar van politieke partijen wordt juist duidelijkheid en standvastigheid verwacht. Waar staan jullie voor? Waar vechten jullie tegen? En gevaarlijker: welke oplossingen worden in het programma opgenomen omdat er draagkracht voor bestaat en welke worden terzijde geschoven omdat ze minder populair zijn?

>> Lees verder op de site van De Helling >>