Claire Polders - auteur

Relevant – door Marijke Hilhorst (over ‘Eeuwige kermis’)

” – Op een doodgewone ochtend in oktober nam een man het besluit om te sterven. Hij keek in de ogen van de mensen van wie hij hield en zei: ‘ik ben er al niet meer’ - Hans Hollander kiest de dag waarop euthanasie zal plaatsvinden, maar Julia zit met een dilemma.
- Wat getuigt van meer liefde? Zijn wens accepteren of hem op andere gedachten brengen? - Uiteindelijk besluit ze dat een lichaam alleen van nu is zolang het je in staat stelt aan het leven deel te nemen, en dat kan haar vader niet meer. [Eeuwige kermis is] Een verrassende roman, speels, met hier en daar een duik de diepte in.”

In: Relevant, het maandblad van de NVVE (de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde), januari 2012

>>> de  volledig recensie >>>

Writing frenzy

I don’t believe in magic. I don’t believe in a mysterious force that guides me, but judging from my recent experiences, I would be foolish not to believe in inspiration.

For the past two weeks, my husband and I have been writing. Day and night. He is finishing the first draft of a new screenplay and I am composing the first chapters of what might become my debut novel in English.

Or course, we take breaks from our desks. We sleep and make coffee; we go out and inhale days’ worth of fresh air. We do not, however, take breaks from our minds, or from our subconscious, or from whatever it is that tunes in to the whispering and sometimes howling voice. What we are experiencing is a writing frenzy: we are eating and dreaming and living our tales.

During my yoga sessions in the early morning, I keep my notebook on the matt.  More then once an idea popped up while my knees were hugging my cheeks. At breakfast, I read. The Great Gatsby, The Elements of Style – I read, and I drift off; it is difficult to concentrate when at the same time, your head absorbs messages from undefined sources. Over lunch, my husband and I barely talk. We discuss the weather, or the food we should purchase for later, but we do not get on a subject that might distract us.

The news? Television? Our social life? We have disconnected ourselves, relying on others to reestablish the bonds when important matters need to reach us.  Occasionally, I take an hour out of my day to make a phone call or respond to an email. Other duties I add to a list, so I can ban them out of my mind. Without cluttering noise, I hear much better.

Behind my desk, I both create and transcribe. When creating, I follow a stream I do not know; I trust it will take me to where I need to be; and I simply see it through to the end, where I place the dot. When creating, I don’t know what will pour out; the result is often surprising. When transcribing, I just jot down the ideas that came earlier, and feed them to the manuscript. It’s less thrilling work, obviously, but it’s equally important: humans need words to transfer ideas – if I don’t type them up, they will never exist in the minds of others.

Sometimes the ideas appear at inconvenient moments. I might be able to shut them out for a while, but I won’t: a writing frenzy only happens when I surrender completely. Ideas need to be welcome at all times, including the inconvenient ones. But the potential of loosing an idea is terribly disconcerting. When I’m making my rounds in the park, or I’m selecting apples on the market, and that flash of ideas makes my heart speed up, I rush back to my desk and turn myself into a typist as soon as possible. On the way, I repeat the ideas in my head, over and over again, avoiding friendly encounters with shopkeepers or neighbors that can only throw me off. Sometimes I memorize entire paragraphs this way, or sketch out the contents of pages of dialogue.

And that is all there is to it; I dream and think, I formulate and rearrange, I brood and wait: I write. Until the fatigue sets in and cuts me off. Meanwhile, my husband goes through the motions of a similar process. Fortunately, our working schedules are almost identical – or perhaps we are just being practical. Preparing and eating our dinner is a jovial happening, as we are both overflowing from excitement, and the feeling of having achieved something. After wine and food the ambiance changes: we are simply drained.

Right before going to bed, we turn on an episode of Dr. House; and we do so with religious loyalty. We sleep well after watching him solve his medical mysteries and fuck up his private life, and we wake up with well-attuned heads. Somehow Dr. House has become part of our ritual and we don’t want to jinx our inspiration by watching a film.

Sometimes I fear the frenzy will soon be over and my mind will focus on the outside world again; I have a quick look at the newspapers and check the social networks.  Or I draw up a little post like this one. An hour later, I feel that surge again, that physical sensation of the blood rushing through my veins. No, I still don’t believe in magic, but I’m going in for another meal: the Muse is calling me to dinner.

Met het oog op goed leven

Universiteiten hebben een hoge status, daarover lijken we het allemaal wel eens te zijn. Maar hebben ze ook nut?

Dit weekend ontving ik een boekje van mijn alma mater, die toen ik daar begon te studeren de Katholieke Universiteit Brabant heette en nog tijdens mijn studie werd omgedoopt tot Universiteit van Tilburg. Inmiddels is Tilburg University de officiële naam, een naam die (terecht) ambitie uitdrukt.

Het boekje is geschreven door Professor Erik Borgman, een auteur die gek genoeg niet op het omslag vermeld staat, en draagt de titel Met het oog op goed leven, Cobbenhagen en onze universitaire cultuur. Uit het voorwoord van de voorzitter van het college van bestuur maak ik op dat het boekje onder andere gaat over ‘de waarden die wij als instelling willen koesteren en uitstralen’ en ik het als alumnus heb ontvangen, omdat het iets zegt ‘over hoe wij hopen dat zij in hun verdere leven omgaan met wat wij hun mee geven.’

Tot zover had ik nog niet echt de behoefte om verder te lezen, maar ik wilde het appèl op mijn verantwoordelijkheid als afgestudeerde van deze goedbedoelende universiteit niet negeren, en dus las ik door. Over het toegewijd zoeken naar het licht van inzicht en over de universiteit als een huis waar de hele wereld woont. Ik leerde dat kennis overbrengen alleen onvoldoende is en dat studenten gevormd moeten worden tot vakmensen die iets aan de maatschappij kunnen bijdragen. Ook stond er zwart op wit dat wetenschap wel degelijk een maatschappelijk belang heeft, zelfs als het directe nut niet onmiddellijk zichtbaar is. Zeer vernieuwend allemaal. Het stukje geschiedenis, waarin het gedachtegoed van Martinus Cobbenhagen (grondlegger van de Handelshogeschool die later Tilburg University zou worden) gekoppeld werd aan dat van Wilhelm von Humboldt en John Henry Newman, was in deze context ronduit enerverend.

Natuurlijk is zo’n boekje een goed initiatief, ik ben bereid om trots te zijn op het idee, maar ik vrees dat het niet de uitwerking zal hebben die het bestuur beoogde. Als de verscheidenheid aan disciplines zo belangrijk is, het creatieve aspect van de improvisatie, het vertegenwoordigen van pluriforme visies – waarom dan een boekje van één hoogleraar? En dan nog wel een theoloog met een enigszins oubollige, soms ronduit stichtelijke stijl? Waarom zijn er geen dwarse uitspraken van onderling respectvol strijdende onderzoekers opgenomen? Als het de bedoeling is dat er een debat ontstaat, op en buiten de campus, dan zijn stellingen die je met verve zou willen verdedigen of aanvallen wel zo handig. Uiteindelijk kunnen alumni het alleen maar gelaten eens zijn met de strekking van de laatste zin in het boekje, en met de bede die in Tilburg alle officiële academische bijeenkomsten opent:

‘Moge de Geest van wijsheid en barmhartigheid in ons allen groeien en tot volle wasdom komen.’

Mijn barmhartigheid is met dit boekje in ieder geval weer even op de proef gesteld.

Optimisme in de praktijk

Het is 1 januari en met zijn vieren zitten we in een met Tl-buizen verlicht lokaal vol kitscherige kerstversiering. Van buitenaf had dit restaurant ons een redelijke optie geleken. Versuft staren we naar een apparaat in de vorm van een ouderwetse kassa waarop een besneeuwde heuvelrug van plastic is gemonteerd. De mond van het apparaat braakt iedere paar seconden een minuscule skiër uit, die vervolgens zijn benedenwaartse parcours langs bomen en huisjes aflegt. Onophoudelijk.

We hebben de middag doorgebracht in een gesloten, druilerige stad vol naargeestigheid. Zelfs het bezoek aan de kathedraal heeft onze zielen niet kunnen verheffen. Glas in lood laat zich vooral bewonderen wanneer het zonlicht filtert en de zon heeft zich sinds onze aankomst nog niet laten zien. Het is alsof er een stolp op deze stad ligt waaronder alles wat leeft door een miniem maar geniepig zuurstoftekort verstikt raakt. De straten zijn in een eentonig grijs gedompeld. Creativiteit slaat dood.

Wanneer de ober de menukaart brengt, veren we enigszins op. Voedsel maakt serotonine vrij, al weten we inmiddels dat de culinaire praktijken waar Belgen elders in uitblinken, in deze stad achterblijven. Frieten en klodders mayonaise – die zijn volop te krijgen, ze weten er zelfs een simpele salade mee te verpesten. Ondanks onze katers, bestellen we wijn. Wijn komt van buiten deze stad. In wijn gloort de hoop.

We wachten een paar zwijgende minuten, vouwen ons servet open en dicht en zuchten. Met de wijn eindelijk op tafel, heffen we het glas. Maar waar moeten we op proosten? ‘Dat we hier hopelijk nooit hoeven terugkeren!’ probeert mijn echtgenoot, maar de regisseur, de man voor wiens werk we hier zijn verzameld, schudt zijn hoofd. ‘Nee,’ zegt hij. ‘Op Luik! De stad die een jonge actrice heeft voortgebracht die in mijn ogen de enige is die deze rol in onze film had kunnen spelen. Op Luik! De stad waarin een theater is gebouwd dat precies lijkt op het theater in New York waar we om budgettaire redenen niet naartoe konden. Op Luik! De stad waarin we het jaar hebben mogen verwelkomen waarin onze film in première zal gaan!’

Vier glimlachjes breken door op vier paar lippen. ‘Op Luik!’ echoën we, en we stoten onze wijnglazen tegen elkaar. De pizza’s die vervolgens geserveerd worden, zijn best te versmaden.

8weekly – door Elisabeth ten Wolde

“Haar scherpe stijl komt tot uiting in een continu voelbare onderhuidse spanning, een onheilspellende sfeer en een rustige, maar onvermijdelijke aanloop naar de climax.”

“De climax is een vlucht, een snelle eindsprint naar de finish. Jammer, want deze roman is verder zeer indrukwekkend.”

>> de volledige recensie >>

Kort verhaal: de kleine spareboom

er waren eens 3 sparebomen. je weet meschien wel dat sparebomen als kerstbomen worde gebruikt. en die drie sparebomen stonde nettjes op een rijdje. maar 1 spareboom was een heel klein spareboompje. en al die grote sparebomen werden heel mooi versiert. maar allen mensen vonden dat kleine boompje veel te klein en de kleine spareboom was heel verdrietig en de grote sparebomen lachte de kleine uit. haha hahaha (deze pagina is voorzien van een illustratie van lachende en huilende bomen).

op een dag was het weer kerstfeest en de sparebomen werde versiert maar de kleine niet. toen dagte de sterren zullen wij eens in die kleine verdrietige spareboom gaan hangen. ja ja riepen alle sterren en daar gingen ze allemaal naar benede. kijk maar. (deze pagina is voorzien van een illustratie van twee zurig kijkende bomen met kerstversiering en een stralende boom met echte sterren erin.)

en de kleine boom was weer vrolijk want de grote bomen waren lang niet zo mooi als de kleine. en de kinderen die binnen zaten die stonden om de kleine spareboom heen. en toen het kerstfeest afwas toen bedankte de kleine spareboom alle sterren en zo ging het elk jaar. een prettige vakantie en nieuwe jaar. dag dag dag.

(Dit verhaal werd in 1984 voor het eerst gepubliceerd in een oplage van 1 handgeschreven exemplaar. Spelfouten zijn in deze digitale editie niet verbeterd om de authenticiteit van het document te behouden. Vooral in het surrealistische element, van de kinderen die binnen zitten en tegelijk buiten om de boom heen staan, is de stijl van de auteur te herkennen.)

To whom it may concern

Prettige kerstdagen

en een liefdevol en inspirerend 2012!