Claire Polders - auteur - Part 3

De Helling (1) – Waarom staan we (niet) aan de zijlijn?

Vandaag een blog van Hagar Roijackers en mij op de site van De Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks.

Waarom staan we (niet) aan de zijlijn?

Hagar: “De zijlijn past niet bij me. Ik vervloek de dag dat het dagelijkse nieuws me niet meer aangrijpt. Dat ik nonchalant word over oneerlijkheid, vervuiling, corruptie en misbruik. Blijkbaar is het een hardnekkige identificatie, die ik deel met veel GroenLinksers: het willen bestrijden van wat schade toebrengt aan mensen en aan de natuur.” Het vervolg >>

Claire: “Ik sta aan de zijlijn, want ik hoor niet graag bij een groep. Politieke partijen hebben naast standpunten waarmee ik instem ook altijd standpunten waarmee ik niet instem. Als ik lid zou worden, ben ik gedwongen me aan te passen en compromissen te sluiten. Daar houd ik niet van.” Het vervolg >>

Writing frenzy

I don’t believe in magic. I don’t believe in a mysterious force that guides me, but judging from my recent experiences, I would be foolish not to believe in inspiration.

For the past two weeks, my husband and I have been writing. Day and night. He is finishing the first draft of a new screenplay and I am working on the first chapters of what might become my debut novel in English.

Of course, we take breaks from our desks. We sleep and make coffee; we go out and inhale a day’s worth of fresh air. We don’t, however, take breaks from our minds, or from our subconscious, or from whatever it is that tunes us in to the whispering and sometimes howling voice. What we are experiencing is a writing frenzy: we are eating and dreaming and living our tales.

During my yoga sessions in the early morning, I keep my notebook on the mat. Often an idea pops up while my knees are hugging my cheeks. At breakfast, I read: The Great Gatsby, The Elements of Style. I read, and I drift off; it is difficult to concentrate while my head continues to absorb messages from undefined sources. Over lunch, my husband and I barely talk. We discuss the weather, or the food we should purchase, but we don’t get on a subject that might distract us.

The news? Television? Our social life? We are disconnected and rely on others to reestablish the bonds when important matters need to reach us. Occasionally, I take an hour out of my day to phone or respond to an email. Other obligations I note on a list, so I can ban them out of my mind. Without their cluttering noise, I hear much better.

Behind my desk, I create and transcribe, two different writing activities. When I create, I follow a stream I do not know, and trust it will take me to where I need to be; the result is often surprising. When I transcribe, I jot down ideas that came earlier, and just feed them to the manuscript. It’s less thrilling work, but it’s equally important: we need words to communicate ideas, and if I don’t type them, they will never exist in the minds of others.

Sometimes the ideas appear at inconvenient moments. I am able to shut them out for a while, but I won’t: a writing frenzy only happens when I surrender. The potential of loosing an idea, is frightening though. When I’m in the park or at the market, and a flash of ideas makes my heart speed up, I rush back to my desk and turn myself into a typist as soon as possible. On the way, I repeat the ideas in my head, over and over again, avoiding encounters with shopkeepers or neighbors, however friendly they may be, as they can only distract me. Sometimes I memorize entire paragraphs this way, or sketch out pages of dialogue.

And that’s all there is to it; I dream and think, I formulate and rearrange, I brood and wait: I write. Until the fatigue sets in and cuts me off. Meanwhile, my husband goes through the motions of a similar process. Fortunately, our working schedules are almost identical – or perhaps we are just being practical. Preparing and eating our dinner is a jovial happening, as we are both overflowing from excitement, and the feeling of having achieved something. After wine and food the ambiance changes; we are simply drained.

Right before going to bed, we turn on an episode of Dr. House, and we do so with religious loyalty. We sleep well after watching him solve his medical mysteries and fuck up his private life, and we wake up with well-attuned heads. Somehow, Dr. House has become part of our ritual and we don’t want to jinx our inspiration by watching a film.

Sometimes I fear the frenzy will soon be over and my mind will focus on the outside world again; I have a quick look at the newspapers and check the social networks.  Or I draw up a little post like this one. An hour later, I feel that surge again, that physical sensation of the blood rushing through my veins. No, I still don’t believe in magic, but I’m going in for another meal: the Muse is calling me to dinner.

Met het oog op goed leven

Universiteiten hebben een hoge status, daarover lijken we het allemaal wel eens te zijn. Maar hebben ze ook nut?

Dit weekend ontving ik een boekje van mijn alma mater, die toen ik daar begon te studeren de Katholieke Universiteit Brabant heette en nog tijdens mijn studie werd omgedoopt tot Universiteit van Tilburg. Inmiddels is Tilburg University de officiële naam, een naam die (terecht) ambitie uitdrukt.

Het boekje is geschreven door Professor Erik Borgman, een auteur die gek genoeg niet op het omslag vermeld staat, en draagt de titel Met het oog op goed leven, Cobbenhagen en onze universitaire cultuur. Uit het voorwoord van de voorzitter van het college van bestuur maak ik op dat het boekje onder andere gaat over ‘de waarden die wij als instelling willen koesteren en uitstralen’ en ik het als alumnus heb ontvangen, omdat het iets zegt ‘over hoe wij hopen dat zij in hun verdere leven omgaan met wat wij hun mee geven.’

Tot zover had ik nog niet echt de behoefte om verder te lezen, maar ik wilde het appèl op mijn verantwoordelijkheid als afgestudeerde van deze goedbedoelende universiteit niet negeren, en dus las ik door. Over het toegewijd zoeken naar het licht van inzicht en over de universiteit als een huis waar de hele wereld woont. Ik leerde dat kennis overbrengen alleen onvoldoende is en dat studenten gevormd moeten worden tot vakmensen die iets aan de maatschappij kunnen bijdragen. Ook stond er zwart op wit dat wetenschap wel degelijk een maatschappelijk belang heeft, zelfs als het directe nut niet onmiddellijk zichtbaar is. Zeer vernieuwend allemaal. Het stukje geschiedenis, waarin het gedachtegoed van Martinus Cobbenhagen (grondlegger van de Handelshogeschool die later Tilburg University zou worden) gekoppeld werd aan dat van Wilhelm von Humboldt en John Henry Newman, was in deze context ronduit enerverend.

Natuurlijk is zo’n boekje een goed initiatief, ik ben bereid om trots te zijn op het idee, maar ik vrees dat het niet de uitwerking zal hebben die het bestuur beoogde. Als de verscheidenheid aan disciplines zo belangrijk is, het creatieve aspect van de improvisatie, het vertegenwoordigen van pluriforme visies – waarom dan een boekje van één hoogleraar? En dan nog wel een theoloog met een enigszins oubollige, soms ronduit stichtelijke stijl? Waarom zijn er geen dwarse uitspraken van onderling respectvol strijdende onderzoekers opgenomen? Als het de bedoeling is dat er een debat ontstaat, op en buiten de campus, dan zijn stellingen die je met verve zou willen verdedigen of aanvallen wel zo handig. Uiteindelijk kunnen alumni het alleen maar gelaten eens zijn met de strekking van de laatste zin in het boekje, en met de bede die in Tilburg alle officiële academische bijeenkomsten opent:

‘Moge de Geest van wijsheid en barmhartigheid in ons allen groeien en tot volle wasdom komen.’

Mijn barmhartigheid is met dit boekje in ieder geval weer even op de proef gesteld.

Optimisme in de praktijk

Het is 1 januari en met zijn vieren zitten we in een met Tl-buizen verlicht lokaal vol kitscherige kerstversiering. Van buitenaf had dit restaurant ons een redelijke optie geleken. Versuft staren we naar een apparaat in de vorm van een ouderwetse kassa waarop een besneeuwde heuvelrug van plastic is gemonteerd. De mond van het apparaat braakt iedere paar seconden een minuscule skiër uit, die vervolgens zijn benedenwaartse parcours langs bomen en huisjes aflegt. Onophoudelijk.

We hebben de middag doorgebracht in een gesloten, druilerige stad vol naargeestigheid. Zelfs het bezoek aan de kathedraal heeft onze zielen niet kunnen verheffen. Glas in lood laat zich vooral bewonderen wanneer het zonlicht filtert en de zon heeft zich sinds onze aankomst nog niet laten zien. Het is alsof er een stolp op deze stad ligt waaronder alles wat leeft door een miniem maar geniepig zuurstoftekort verstikt raakt. De straten zijn in een eentonig grijs gedompeld. Creativiteit slaat dood.

Wanneer de ober de menukaart brengt, veren we enigszins op. Voedsel maakt serotonine vrij, al weten we inmiddels dat de culinaire praktijken waar Belgen elders in uitblinken, in deze stad achterblijven. Frieten en klodders mayonaise – die zijn volop te krijgen, ze weten er zelfs een simpele salade mee te verpesten. Ondanks onze katers, bestellen we wijn. Wijn komt van buiten deze stad. In wijn gloort de hoop.

We wachten een paar zwijgende minuten, vouwen ons servet open en dicht en zuchten. Met de wijn eindelijk op tafel, heffen we het glas. Maar waar moeten we op proosten? ‘Dat we hier hopelijk nooit hoeven terugkeren!’ probeert mijn echtgenoot, maar de regisseur, de man voor wiens werk we hier zijn verzameld, schudt zijn hoofd. ‘Nee,’ zegt hij. ‘Op Luik! De stad die een jonge actrice heeft voortgebracht die in mijn ogen de enige is die deze rol in onze film had kunnen spelen. Op Luik! De stad waarin een theater is gebouwd dat precies lijkt op het theater in New York waar we om budgettaire redenen niet naartoe konden. Op Luik! De stad waarin we het jaar hebben mogen verwelkomen waarin onze film in première zal gaan!’

Vier glimlachjes breken door op vier paar lippen. ‘Op Luik!’ echoën we, en we stoten onze wijnglazen tegen elkaar. De pizza’s die vervolgens geserveerd worden, zijn best te versmaden.

Kort verhaal: de kleine spareboom

er waren eens 3 sparebomen. je weet meschien wel dat sparebomen als kerstbomen worde gebruikt. en die drie sparebomen stonde nettjes op een rijdje. maar 1 spareboom was een heel klein spareboompje. en al die grote sparebomen werden heel mooi versiert. maar allen mensen vonden dat kleine boompje veel te klein en de kleine spareboom was heel verdrietig en de grote sparebomen lachte de kleine uit. haha hahaha (deze pagina is voorzien van een illustratie van lachende en huilende bomen).

op een dag was het weer kerstfeest en de sparebomen werde versiert maar de kleine niet. toen dagte de sterren zullen wij eens in die kleine verdrietige spareboom gaan hangen. ja ja riepen alle sterren en daar gingen ze allemaal naar benede. kijk maar. (deze pagina is voorzien van een illustratie van twee zurig kijkende bomen met kerstversiering en een stralende boom met echte sterren erin.)

en de kleine boom was weer vrolijk want de grote bomen waren lang niet zo mooi als de kleine. en de kinderen die binnen zaten die stonden om de kleine spareboom heen. en toen het kerstfeest afwas toen bedankte de kleine spareboom alle sterren en zo ging het elk jaar. een prettige vakantie en nieuwe jaar. dag dag dag.

(Dit verhaal werd in 1984 voor het eerst gepubliceerd in een oplage van 1 handgeschreven exemplaar. Spelfouten zijn in deze digitale editie niet verbeterd om de authenticiteit van het document te behouden. Vooral in het surrealistische element, van de kinderen die binnen zitten en tegelijk buiten om de boom heen staan, is de stijl van de auteur te herkennen.)

To whom it may concern

Prettige kerstdagen

en een liefdevol en inspirerend 2012!

Kappersaversie

Vrouwen houden van kappers. Ze vinden het lekker, al dat gefrutsel, en ze komen er met een beetje geluk mooier vandaan. Mannen houden ook wel van kappers, maar doorgaans om andere redenen. Vrouwen vinden het al verwennerij als een paar stevige herenhanden hun schedel masseren en hun hoofd met shampoo omtoveren tot het evenbeeld van een ingesopte poedel. Zodra de millimeters haar eraf zijn geknipt genieten ze van de föhn, die nu eens door een ander wordt bediend, en van hun reflectie in de spiegel, die met iedere verdampte waterdruppel lijkt op te bloeien.

Goed, ik generaliseer. Niet alle vrouwen houden van kappers. Ik houd helemaal niet van ze en er zullen vast meer uitzonderingen zijn. Haten gaat me te ver  – kappers oefenen ook maar gewoon een beroep uit – maar ik heb wel een aversie tegen wat ik in een doorsnee kapsalon moet ondergaan. Het wachten in een oververhitte ruimte, het opsnuiven van synthetische parfums en haarverfchemicaliën, het dom achterover liggen met je nek op de rand van een harde bak, en dan het getut en geneuzel met kammen en borstels en klemmen…

Maar het menselijk lichaam heeft nu eenmaal onderhoud nodig. Nagels moeten worden gekort, oksels gewassen en haren geknipt. Tot voor kort had ik die laatste taak aan mijn man toebedeeld. Dat dunne, steile haar van mij was een bezoek aan een kapsalon nauwelijks waard en omdat we allebei zo ongeduldig als nerveuze eekhoorns zijn, was zo’n echtelijke sessie met de keukenschaar zo gepiept.

Jaren ging het goed, totdat het gebrek aan kniptalent in ons huis zo begon op te vallen dat mensen me erop aan spraken. En omdat ik me helaas nog steeds iets aantrek van wat anderen vinden, besloot ik een kapper te zoeken zonder zogenaamde verwennerij, een kapper die mijn haar zou knippen zoals mijn man dat deed, maar dan met wat meer stijl.

Na een rondvraag onder vrienden kwam ik bij Antoine terecht aan de Rue St. Honoré. Alle kappersdiensten zijn bij hem beschikbaar, maar ze zijn wel optioneel – zo lang ik met pas gewassen haren binnenstap, hoeft er aan mij niet geplukt te worden en knipt hij mijn haar droog en razendsnel. Ondertussen hoort hij me niet uit over mijn belevenissen en vult hij mijn oren evenmin met buurtroddels. Ideaal.

Het enige wat bij deze kapper nog beter kan, is zijn punctualiteit; wachten is ook hier een realiteit, maar gelukkig hield ik daar rekening mee en nam ik een opschrijfboekje mee waarin ik dit stukje kon noteren. Voor de komende drie maanden ben ik er gelukkig weer vanaf.