Universiteiten hebben een hoge status, daarover lijken we het allemaal wel eens te zijn. Maar hebben ze ook nut?
Dit weekend ontving ik een boekje van mijn alma mater, die toen ik daar begon te studeren de Katholieke Universiteit Brabant heette en nog tijdens mijn studie werd omgedoopt tot Universiteit van Tilburg. Inmiddels is Tilburg University de officiële naam, een naam die (terecht) ambitie uitdrukt.
Het boekje is geschreven door Professor Erik Borgman, een auteur die gek genoeg niet op het omslag vermeld staat, en draagt de titel Met het oog op goed leven, Cobbenhagen en onze universitaire cultuur. Uit het voorwoord van de voorzitter van het college van bestuur maak ik op dat het boekje onder andere gaat over ‘de waarden die wij als instelling willen koesteren en uitstralen’ en ik het als alumnus heb ontvangen, omdat het iets zegt ‘over hoe wij hopen dat zij in hun verdere leven omgaan met wat wij hun mee geven.’
Tot zover had ik nog niet echt de behoefte om verder te lezen, maar ik wilde het appèl op mijn verantwoordelijkheid als afgestudeerde van deze goedbedoelende universiteit niet negeren, en dus las ik door. Over het toegewijd zoeken naar het licht van inzicht en over de universiteit als een huis waar de hele wereld woont. Ik leerde dat kennis overbrengen alleen onvoldoende is en dat studenten gevormd moeten worden tot vakmensen die iets aan de maatschappij kunnen bijdragen. Ook stond er zwart op wit dat wetenschap wel degelijk een maatschappelijk belang heeft, zelfs als het directe nut niet onmiddellijk zichtbaar is. Zeer vernieuwend allemaal. Het stukje geschiedenis, waarin het gedachtegoed van Martinus Cobbenhagen (grondlegger van de Handelshogeschool die later Tilburg University zou worden) gekoppeld werd aan dat van Wilhelm von Humboldt en John Henry Newman, was in deze context ronduit enerverend.
Natuurlijk is zo’n boekje een goed initiatief, ik ben bereid om trots te zijn op het idee, maar ik vrees dat het niet de uitwerking zal hebben die het bestuur beoogde. Als de verscheidenheid aan disciplines zo belangrijk is, het creatieve aspect van de improvisatie, het vertegenwoordigen van pluriforme visies – waarom dan een boekje van één hoogleraar? En dan nog wel een theoloog met een enigszins oubollige, soms ronduit stichtelijke stijl? Waarom zijn er geen dwarse uitspraken van onderling respectvol strijdende onderzoekers opgenomen? Als het de bedoeling is dat er een debat ontstaat, op en buiten de campus, dan zijn stellingen die je met verve zou willen verdedigen of aanvallen wel zo handig. Uiteindelijk kunnen alumni het alleen maar gelaten eens zijn met de strekking van de laatste zin in het boekje, en met de bede die in Tilburg alle officiële academische bijeenkomsten opent:
‘Moge de Geest van wijsheid en barmhartigheid in ons allen groeien en tot volle wasdom komen.’
Mijn barmhartigheid is met dit boekje in ieder geval weer even op de proef gesteld.


Het is 1 januari en met zijn vieren zitten we in een met Tl-buizen verlicht lokaal vol kitscherige kerstversiering. Van buitenaf had dit restaurant ons een redelijke optie geleken. Versuft staren we naar een apparaat in de vorm van een ouderwetse kassa waarop een besneeuwde heuvelrug van plastic is gemonteerd. De mond van het apparaat braakt iedere paar seconden een minuscule skiër uit, die vervolgens zijn benedenwaartse parcours langs bomen en huisjes aflegt. Onophoudelijk.
Vrouwen houden van kappers. Ze vinden het lekker, al dat gefrutsel, en ze komen er met een beetje geluk mooier vandaan. Mannen houden ook wel van kappers, maar doorgaans om andere redenen. Vrouwen vinden het al verwennerij als een paar stevige herenhanden hun schedel masseren en hun hoofd met shampoo omtoveren tot het evenbeeld van een ingesopte poedel. Zodra de millimeters haar eraf zijn geknipt genieten ze van de föhn, die nu eens door een ander wordt bediend, en van hun reflectie in de spiegel, die met iedere verdampte waterdruppel lijkt op te bloeien.