Magical thinking

On the ever inspiring TED site, I recently viewed the talk ‘The origins of pleasure’ in which Psychologist Paul Bloom investigates our love of art and wonders why we like an original painting better than a forgery.

In his opinion is has to do with the history of the piece of art that somehow enriches our experience. Human beings are essentialists, he claims, and our beliefs about an object interfere with how we experience it. Before we can fully appreciate something, we need to know what it is, who made it, and where it comes from.

I don’t disagree with his theory, but I think that something is missing. Why do we feel betrayed when we discover that we have been looking at a forgery? Not only because our assumptions were wrong, and we are staring at an object with a different, less interesting, history. It’s also because we are magical thinkers.

When I’m standing in front of a painting in a museum and I observe the details from up close, or when I place my hand (when allowed) on a marble statue, I secretly believe that the genius of the artist is still present in his or her work, and that by approaching it, a bit of that genius might jump over to me. An original work of art could therefore inspire us, as a forgery cannot.

But perhaps we have become too rational to admit to this type of thinking. Being an essentialist is much easier to accept.

Waren de oude Grieken kleurenblind?


De epische gedichten van Homerus zijn al eeuwen een geliefd onderwerp voor academici. Bibliotheken zijn erover vol geschreven. Dus toen de Engelse professor en staatsman William Gladstone zeventienhonderd pagina’s over de Ilias en de Odyssee publiceerde, keek niemand raar op.
Wel raar, vond men wat hij te zeggen had. Hoe briljant en belezen Gladstone ook was, en hoeveel vlijmscherpe inzichten hij ook wist op te pennen, er zaten een paar hoofdstukken in die studie van hem die de gemoederen lang heeft bezig gehouden. Vooral de conclusie die hij trok uit een analyse van Homerus’ kleurbeschrijvingen, is eerst met verve verworpen en vervolgens met passie omarmd.
Een man die de zee wijnachtig noemt, schapenvachten als violet bestempelt en de Griekse luchten en zeeën nooit de kleur ‘blauw’ toedicht, kan niet anders dan kleurenblind zijn, vond Gladstone. Terwijl sommigen Homerus’ beschrijvingen juist dichterlijke vrijheid noemden, begonnen anderen geïntrigeerd onderzoek te doen. Op basis van een paar experimenten en heel veel veronderstellingen concludeerde ene Lazarus Geiger dat onze gevoeligheid voor kleuren waarschijnlijk pas in de laatste twee millennia is ontwikkeld. Door onze ogen te trainen, en die training op miraculeuze wijze door te geven aan onze kinderen, konden we de regenboog volgens hem steeds beter zien.
Darwin, die in die tijd zijn theorie over natuurlijk selectie publiceerde, sprak dit soort conclusies uiteraard fel tegen, maar linguïsten luisterden liever niet naar hem: hoe kon je anders verklaren dat de kleurbeschrijvingen van Homerus zo tekortschoten terwijl zijn vocabulaire op andere gebieden zo verfijnd was?
Het antwoord kwam pas toen wetenschappers de kleurgevoeligheid van de nobele wilden gingen testen. En wat bleek? Inboorlingen in Afrika konden de Westerse kleurstaafjes feilloos categoriseren – ze hadden alleen geen woorden om al die diverse kleuren te benoemen.

Guy Deutscher schreef het boek Through the language glass (2010) waarin hij zich afvraagt of de taal de spiegel is van de samenleving en of een taal kan beïnvloeden hoe je denkt; zeer interessant voor iemand die buiten haar taal woont en weleens in een andere dan haar moedertaal schrijft. Maar het boek geeft helaas weinig antwoorden. Gelukkig bevat het wel grappige en goed gedocumenteerde verhalen zoals het bovenstaande. Ik zal de Odyssee een volgende keer met andere ogen lezen.

Eeuwige kermis (3) – Nostalgie, toerisme en hyperrealiteit

St. John’s Town Center
Een paar jaar geleden is er in Jacksonville Florida een nieuw winkelcentrum gebouwd in de openlucht. Vóór die tijd bestonden naast honderden kleinere conglomeraties (strip malls) alleen twee gigantische overdekte malls met meerdere verdiepingen. Beide malls waren uiterst populair, maar na opening van het nieuwe centrum, zijn ze zeer snel hun klanten kwijt geraakt. Waarom?

Je zou denken dat het nieuwe centrum betere boetiekjes had, maar dat is niet waar – precies dezelfde ketens bieden er precies dezelfde waren aan, met een paar uitzonderingen zoals Louis Vuitton. Heeft de openlucht het dan eindelijk weer van de airconditioning gewonnen? Misschien, maar ik vermoed dat de populariteit van het nieuwe centrum vooral te maken heeft met de naam en zijn pretenties: St. John’s Town Center.

Hoe bedoel je, nep?
Kronkelpaden met groene plantsoenen ernaast, ouderwets aandoende winkelfaçades, een pleintje waar kraampjes staan waarin suikerspinnen en ijsjes worden verkocht; wie de gigantische grijze vlakken van omliggende parkeerplaatsen wegdenkt, kan zich in het centrum van een oud stadje wanen. Maar dan moet je wel goed je best doen, want voor een kritische bezoeker die Europese binnensteden kent, lijkt St. John’s Town Center te sterk op Disneyworld.
– ‘Waarom al die moeite om de illusie te scheppen?’ vroeg ik mijn Amerikaanse schoonmoeder eens, tijdens een jaarlijkse Kerstbezoek. ‘Laat iemand zich door zoveel nep foppen?’
– ‘Hoe bedoel je, nep?’ was haar wedervraag. In haar ogen was het winkelcentrum een heuse stadskern, want mensen kwamen hier ook om te eten, elkaar te ontmoeten en rond te wandelen. Bovendien had de binnenstad van Jacksonville er ooit precies zo uitgezien.
– ‘Maar u weet toch, dat dit allemaal spiksplinternieuw is? Dat er achter de façades identieke betonnen dozen schuilgaan van grote corporaties? Dat hier geen authentiek schoenmakertje tussenzit?’
– ‘Wat is authentiek?’ vroeg ze. ‘De oude binnenstad is door junkies overgenomen. St. John’s Town Center voelt echt en daar gaat het om.’

Illusie van het Echte Leven
Het interesseert mijn schoonmoeder blijkbaar niet dat de werkelijkheid is veranderd. Zij is zo nostalgisch verknocht aan ‘hoe het was’ dat zij een kopie van het verleden als origineel accepteert. Het ware leven is blijkbaar daar, waar de omgeving haar het meest aan dat ware leven herinnert.

Zij staat daarin niet alleen. In onze laatmoderne maatschappij verlangen veel mensen naar iets wat volgens hen verloren is gegaan en ze geven daar uiting aan door naar plaatsen af te reizen waar het echte leven nog wel te vinden zou zijn: schattige bergdorpjes, openluchtmusea, het platteland. Toch bieden die plaatsen soms niet meer dan een illusie van ‘het echte leven’.

In het geval van St. John’s Town Center is er zelfs nooit iets echts geweest. In het geval van Paradijssel, het fictieve dorp in mijn roman, bestaat er een oorspronkelijke kern, maar die dreigt juist door de massale toestroom van toeristen verloren te gaan.

Nabootsing als norm
Wanneer Julia Hollander naar huis terugkeert, is Paradijssel met zijn eeuwige kermis hard op weg een hyperrealiteit te worden, een plaats waar werkelijkheid en fictie niet meer uit elkaar zijn te houden en de virtuele realiteit voor fysieke realiteit wordt aangezien. Er bestaan zoveel films en foto’s waarop het dorp wordt getoond, dat bezoekers al een heel concreet idee hebben van wat ze zullen gaan zien. En wanneer het dorp bij aankomst niet aan hun idee voldoet, raken bezoekers teleurgesteld. Of zoals Julia Hollander het uitdrukt: ‘Ouderwetse reizigers lieten zich nog weleens zonder verwachtingen onderdompelen. Hedendaagse toeristen liepen met een boekje in de hand de attracties af om te verifiëren of het origineel wel even indrukwekkend was als het boekje beloofde.’

De nabootsing is blijkbaar de norm geworden: films en foto’s tonen de wereld niet alleen, ze zijn de wereld geworden, zodat de werkelijkheid aan het kortste eind trekt en verborgen blijft achter de voorstellingen waaraan bezoekers de voorkeur geven. Want in een poging aan de verwachtingen te voldoen, past het dorp zich steeds meer aan, zodat het uiteindelijk niets anders zal tonen dan een fantasie, een vals beeld van een ideaal dorp dat nooit heeft bestaan.

Maar wat mij misschien nog het meest interesseert: waarom zijn we zo nostalgisch? Wat missen we in onze huidige maatschappij dat we met een schamel kopie van het verleden genoegen nemen? Aflevering 4 verschijnt eind deze week: traditie en rituelen.

Eeuwige kermis (2) – Authenticiteit

Kwade trouw
Het hoort niet bij mijn generatie, maar ik ben een kind van het existentialisme. Toen ik als puber las, dat je bestaan (existentie) vooraf ging aan wie je was (essentie) en dat je dus kunt kiezen wie je wílt zijn, raakte ik opgewonden. Zoveel vrijheid, zoveel mogelijkheden! Dat deze vrijheid ook een levenslange opgave was, begreep ik pas later. Een existentialist is verplicht zijn gedrag continu onder de loep te nemen, want kwade trouw ligt op de loer.

Kwade trouw? Of noem het zelfbedrog; het negeren van verantwoordelijkheid, het ontkennen van autonomie, het loochenen van vrijheid. Een excuus is gemakkelijk te vinden: ik heb geen ‘ja’ gezegd (maar ook geen ‘nee’), ik heb dat niet goed begrepen (weet je dat wel zeker?), ik kon niet anders (dat is in het Westen alleen in zeer uitzonderlijke situaties het geval). Het tegenovergestelde van kwade trouw is authenticiteit. Het morele ideaal van de existentialist is daarom een zelfbeschikkend individu dat eigenzinnige paden bewandelt en zich niet verliest in conventies en rolpatronen.

Rolpatronen
Natuurlijk zijn mensen geen eilanden. We groeien op in een gezin, samenleving en cultuur en worden door sociale relaties beïnvloed. Maar we hoeven ons niet door onze context te laten bepalen. We kunnen banden verbreken, verhuizen, een geslachtsoperatie ondergaan. Slaafse navolging is voor massamensen. De vrije mens streeft naar echtheid en originaliteit.

Toch ontkomt ook de vrije mens niet aan rolpatronen en kaders. Bij mijn moeder, ben ik haar dochter. Bij mijn man, zijn vrouw. Mensen spelen dagelijks tientallen rollen en het is lang niet altijd eenvoudig toneelspel van oprecht gedrag te onderscheiden. Is de beleefde winkeldame in werkelijkheid een arrogante trut of is ze een winkeldame geworden omdat ze graag vriendelijk is? En waarom lacht die nieuwkomer op dat feestje zo luid? Wil hij de aandacht trekken of is het oprechte vrolijkheid? Veel van die rollen zijn onschuldig – zo gaan we nu eenmaal met elkaar om – en we vermoeden dat er geen kwaadaardige motieven achter schuilgaan, want we weten dat we ons zelf ook wel eens vriendelijker of vrolijker voordoen dan we ons voelen.

Onverschilligheid
Maar er bestaan ook minder onschuldige rollen, die vooral de kop op steken wanneer het leven gecompliceerd is.  In een moreel ambivalente situatie kan vrijheid angst inboezemen. Want met vrijheid komt de mogelijkheid om foute keuzen te maken of foute standpunten in te nemen. Daarom zullen sommigen op die momenten hun eigenzinnigheid verruilen voor na-aperij: door anderen na te bootsen, verminder je je eigen verantwoordelijkheid. Maar door anderen na te bootsen, sta je niet langer achter wat je zegt en ben je dus niet langer authentiek. Het resultaat is onverschilligheid.

Als voorbeeld zal ik de hand in eigen boezem steken: ik beweer wel eens dat Wilders een grote boze wolf is, want dat klinkt leuk en dat roept iedereen, maar in werkelijkheid begrijp ik nauwelijks wie hij is en wat hij in onze politiek doet. Eigenlijk zou ik hem dus aan een onderzoek moeten onderwerpen om mijn kennishiaat te dichten, maar daar heb ik geen zin in. Of wat ik ook wel eens beweer: zoveel aandacht verdient die man niet. En daarom blijf ik hem een grote boze wolf noemen en mijd ik artikelen over hem. (#ikbeloofverbetering)

Geen geduld voor een onechte wereld
Maar wat heeft dit allemaal met die roman Eeuwige kermis te maken? Nou, mijn ervaring is dat de grens tussen schuldige en onschuldige rolpatronen verschuift op het moment dat je leven op zijn grondvesten schudt: bij de geboorte van een kind, het overlijden van een ouder, de ziekte van een partner. Dit soort ingrijpende gebeurtenissen maken het onmogelijk terug te vallen op vertrouwde reactiepatronen en omdat je geen tijd hebt om een nieuwe houding te vinden, reageer je onvervalst op wat je overkomt. Je raakt kwijt wie je dacht dat je was en vindt een puurder zelf dat je niet herkent.

Omdat je dit ook bij je naasten ziet gebeuren, valt het des te meer op dat de mensen buiten je intieme cirkel maar een stelletje acteurs zijn. Wat een neplui, die buren met hun goede bedoelingen, die stuntelig bloemen afleveren en een condoleanceriedeltje afdraaien. Wat een oppervlakkige collega’s die elkaar complimenten maken en ondertussen bij de koffiemachine de laatste roddels doornemen. Hoe kunnen mensen zo onoprecht zijn?

Geconfronteerd met de grote thema’s in het leven en daardoor tijdelijk bevrijd van je eigen zelfbedrog, heb je geen geduld meer voor een onechte wereld. Existentialist of niet, in die situaties hunker je naar authenticiteit. Daarom toont mijn hoofdpersoon Julia Hollander zo weinig tolerantie voor de eeuwige kermis in haar dorp. Wanneer een vader op sterven ligt, lijkt iedereen ter kwader trouw.  Aflevering 3: nostalgie, toerisme en hyperrealiteit.

Conflict Minerals

Een goed leven leiden is niet gemakkelijk. Zeker niet omdat het woord ‘goed’ zowel een kwalitatieve als een ethisch verantwoordelijke component heeft.
Volgens Plato zijn die componenten aan elkaar gelijk. Wie aan lage lusten toegeeft, verziekt zijn ziel en raakt blind voor de Ideeën. Alleen met een zuiver geweten, kun je gelukkig zijn. Tegenwoordig geloven we meer in de uitspraak: ‘Brave meisjes komen in de hemel, brutale overal.’ Wie niet aan lage lusten toegeeft, laat het leven aan zich voorbij gaan.

Als vrij burger van een comfortabel land, dat met een geschiedenis van slavernij ook tegenwoordig nog noodlottigen exploiteert (zij het dan wat minder zichtbaar), is mijn besef van schuld behoorlijk ontwikkeld. En daarom ben ik (met vele anderen) uiterst gevoelig voor informatie die deze schuld kan verlichten. Of het nu gaat om hardhout van het Amazone gebied, wassen op dertig graden, proefdiervrije cosmetica of Max Havelaar bananen: ik weet wat de ‘goede’ optie is. En meer nog: meestal is die optie ook goed voor mij, of in ieder geval voor mijn gemoedsrust. Omdat het ethisch juiste niet in strijd is met de kwaliteit van mijn leven, is de keuze eenvoudig gemaakt.
Anders wordt het als ik naar mijn reizen kijk of naar mijn sportschoenen. Ik zou niet (of in ieder geval minder) moeten vliegen. Maar ik wil de hele wereld zien. Ik zou geen producten moeten kopen van merken die geen menswaardige fabrieksomstandigheden kunnen garanderen. Maar vrijwel alle sportschoenen komen uit Azië en vrijwel alle merken komen ethische problemen tegen in hun productieproces. Dus ik knijp een oogje toe en ik zeg: ik rijd geen auto, dus ik mag meer vliegen. En ik hoef alleen fairtrade kleren te kopen als die in de buurt beschikbaar zijn. Ergens vind ik de balans.
Maar wat als je niet weet dat je gedrag ‘verkeerd’ is? Diamanten zijn al jaren een No-Go-Zone, dat wist ik. (En wie dat niet weet kan de film Blood Diamond bekijken of deze site bezoeken.) Maar vanmorgen hoorde ik voor het eerst de woorden Conflict Minerals.  Had ik liggen slapen? Heb ik de boodschap bewust niet willen horen? Sinds wanneer is mijn mobieltje een soort diamant geworden? Is het mijn verantwoordelijkheid altijd van alles op de hoogte te zijn? Onmogelijk. Maar nu ik het weet, ga ik dan deze zomer geen iPad kopen? Of geloof ik stiekem dat ik geen enkele invloed heb op de oorlog in Congo?
Een goed leven leiden is niet gemakkelijk.

Filosofie Scheurkalender 2010 (24)

9789085712169‘De mens is het enige dier dat nadenkt over zijn toekomst.’ (Daniel Gilbert, Stumbling on happiness , 2005)

Volgens de Amerikaanse bestseller-psycholoog Gilbert belooft iedere psycholoog om ooit een zin te schrijven of uit te spreken die begint met ‘De mens is het enige dier dat…’.
In zijn boek Stumbling on happiness lost Gilbert voor zichzelf die belofte in: de mens is volgens hem het enige dier dat nadenkt over zijn toekomst. Andere dieren kunnen zich gedragen alsof ze rekening houden met de toekomst door bijvoorbeeld een wintervoorraad aan te leggen, maar in feite zijn ze alleen geprogrammeerd om noten te verzamelen zodra het daglicht in hun ogen afneemt. De mens kan somber raken door zich een afspraak met de tandarts te herinneren of glimlachen bij de gedachte aan de komende zomervakantie. Dat is wat de mens uniek maakt.

Filosofie Scheurkalender 2010 (23)

9789085712169‘Zoals zij het zag, waren er geen woorden om te benoemen wat er was gebeurd, er bestond geen gemeenschappelijke taal waarin twee verstandige volwassenen zulke gebeurtenissen aan elkaar konden uitleggen.’ (Ian McEwan, On Chesil Beach, 2007)

Wie de roman On Chesil Beach niet gelezen heeft, zou na het zien van dit citaat kunnen denken dat het over de holocaust gaat. Welke andere gebeurtenis is zo woordvreemd dat er niet over gesproken kan worden?
Het voorval, waaraan in dit citaat wordt gerefereerd, is een mislukte huwelijksnacht, een debacle dat tot een vroege scheiding leidt, omdat er niet over gesproken kan worden. In 1962, in Engeland was seksualiteit geen gespreksonderwerp. Seksuele verwachtingen en teleurstellingen werden in stilte gedragen.
Dat McEwan vijfenveertig jaar na dato een roman over deze problematiek kan schrijven, bewijst dat er veel is veranderd. De woorden die nodig zijn om over seksualiteit te spreken hebben zich aan het taboe onttrokken en zijn gangbaar geworden. Pas als woorden in het dagelijkse gebruik zijn doorgedrongen, kunnen mensen ze gebruiken om met elkaar te communiceren. En pas als men communiceert, kunnen individuele belevenissen tot één gedeelde ervaring leiden.

Filosofie Scheurkalender 2010 (22)

9789085712169‘Ik ben tweemaal geboren: de eerste keer als een babymeisje, op een opmerkelijke smogloze dag in Detroit in januari 1960; en daarna opnieuw, als een tienerjongen, in een EHBO in de buurt van Petoskey, Michigan, in augustus 1974.’ (Jeffrey Eugenides, Middlesex, 2003)

Het leven is mysterieus, maar van een paar dingen denken we zeker te zijn: iedereen wordt één keer geboren en iedereen gaat één keer dood. Maar misschien is het niet zo simpel.
In deze Pulitzer Prijs winnende roman bewijst Eugenides dat het mogelijk is twee keer geboren te worden en stelt hij de vraag naar identiteit en sekse. Aan het begin van de eeuw worden een Griekse broer en zus tegen wil en dank verliefd op elkaar. Na de Eerste Wereldoorlog emigreren ze naar de Verenigde Staten om als man en vrouw te kunnen leven. Ze krijgen een gezonde dochter, die met een Griekse immigrant trouwt en zij krijgen op hun beurt een baby: Cal, de verteller.
De dokter die Cals bevalling begeleidt, ziet niets bijzonders aan het kind en kondigt aan dat het een meisje is. Pas veel later, in het begin van de pubertijd, als haar borsten niet groeien en haar eerste ongesteldheid uitblijft, raken haar ouders gealarmeerd. Toch weet Cal haar geheim nog lang verborgen te houden, ook voor zichzelf – pas tijdens haar eerste seksuele ervaring begrijpt ze, dat ze een hermafrodiet is, die eigenlijk een man wil zijn. En in een ziekenhuis op de EHBO afdeling wordt hij/zij uiteindelijk opnieuw geboren.
Middlesex is een verhaal dat zelfs de simpelste schema’s in twijfel trekt: ook van geboorte-leven-dood kunnen we niet zeker zijn.

Filosofie Scheurkalender 2010 (21)

9789085712169‘Dat is de verborgen boodschap van de kir, dat is wat de sashimi moet vertellen, achter de caipirinha zit een verhaal: het verhaal van Tirza’s vader, het verhaal met de goede afloop.’ (Arnon Grunberg, Tirza, 2006)

Hoe kun je bewijzen dat je leven is geslaagd? Hoe kun je aantonen dat je een goede vader bent geweest?
In de prijswinnende roman Tirza doet het personage Jörgen Hofmeester zijn uiterste best het examenfeestje van zijn jongste dochter tot een succes te maken. Ondanks zijn inzet, of misschien juist door zijn overdreven inspanningen, gaat er van alles mis en bij iedere blunder wordt er iets over het grimmige gezinsverleden onthuld.
Hofmeester heeft lang geleden ingezien dat zijn eigen leven niet meer zou kunnen slagen en heeft zich daarna op het leven van zijn dochter Tirza geconcentreerd. Haar mocht het aan niets ontbreken. Maar net als op het feestje, gaat er in het leven van Tirza van alles mis. De zorg die Hofmeester aan de kir en sashimi besteedt, moet dat verbloemen. Het moet zeggen, dat hij als vader is geslaagd en dat Tirza een succes is geworden. De grote vragen in het leven worden soms in kleine handelingen beantwoord.

Filosofie Scheurkalender 2010 (20)

9789085712169‘Roddelen, dat was het middel van de zwakke om voor zichzelf monsters te scheppen, en die met zijn mond te bestrijden en af te straffen.’ (A.F.Th. van der Heijden, Het hof van Barmhartigheid, 1996)

In Het Hof van Barmhartigheid, het eerste boek van het derde deel van de cyclus De tandeloze tijd van A.F.Th van der Heijden, leert de lezer Hennie A. kennen, een vrouw die er ervan wordt beschuldigd haar ouders te hebben vermoord. Een van de hoofdpersonen van het boek, Albert, volgt haar proces met interesse. Volgens hem was Hennie A. al veroordeeld, voordat er een vonnis werd uitgesproken.
In ons rechtsysteem is een beklaagde onschuldig totdat zijn schuld is bewezen, maar soms is de publieke opinie de rechtbank voor. De mens heeft volgens Albert een diepe behoefte aan roddelen. Door kwaad te spreken over anderen kan men concurrentie en rivaliteit bezweren. De belasterde, die door zijn afwezigheid geen kans heeft op zelfverdediging, wordt zijn ware gezicht ontnomen en krijgt een masker op, dat bestaat uit de verzonnen verhalen die anderen over hem vertellen. En vervolgens wordt dat masker voor schut gezet en veroordeeld. In het belasteren van een ander worden de roddelaars bevrijd van het monster dat ze zelf hebben gecreëerd.