Filosofiekalender 2010 (1)

‘Zoals melancholie triestheid is, die lichtheid heeft opgenomen, zo is humor komedie, die haar soortelijk gewicht heeft verloren.’ (Italo Calvino,  Zes Memo’s voor het volgende millennium, 1988)

In het eerste essay van Zes Memo’s voor het volgende millennium, waarvan het laatste essay vanwege Calvino’s onverwachte overlijden ongeschreven bleef, onderzoekt de schrijver de betekenis van lichtheid in de literatuur. Wanneer hij zijn eigen literaire carrière probeert samen te vatten, concludeert hij dat het voor hem vrijwel altijd om het wegnemen van gewicht ging. Schrijven heeft een existentiële functie; het is een zoektocht naar lichtheid in reactie op de zwaarte van het leven.
Lichtheid vat hij niet op als frivoliteit. Evenmin als vaagheid of toevalligheid. Lichtheid bestaat in de taal zelf, in het gebruik van de woorden zoals in een gedicht. Het bestaat in de manier van denken en vertellen, ironisch en met zelfspot en het bestaat in beelden, zoals vliegende heksen en zwevende huizen. Voor Calvino zijn melancholie en humor altijd met elkaar verbonden – het zijn vormen van lichtheid, die twijfel oproepen en onze schijnbaar solide wereld uiteen laten vallen in ontelbare atomen.

Filosofiekalender 2009 (11)

“We never know anything about anyone.”

Paul Auster in Leviathan (1992)

In de roman Leviathan staan twee schrijvers centraal die een hechte vriendschap hebben: Peter Aaron en Benjamin Sachs. Sinds ze elkaar op een literaire avond hebben ontmoet, lezen ze elkaars werk en delen elkaars leven. Totdat Sachs van een balkon valt, lange tijd in het ziekenhuis ligt en uiteindelijk met geheel nieuwe ideeën en doelstellingen aan zijn tweede leven begint. Vanaf dat moment begrijpt Aaron niets meer van zijn vriend en wordt Sachs een mysterie.
Als er op een dag een bericht in de krant staat, dat een man zichzelf heeft opgeblazen, vermoedt Aaron onmiddellijk dat het om Sachs gaat. Ze hebben elkaar al een jaar niet gesproken, maar alles lijkt plotseling op zijn plaats te vallen. In gedachten gaat Aaron terug in de tijd om de raadsels rondom Sachs op te lossen, maar hij beseft dat het hem nooit  zal lukken. En Sachs had hem gewaarschuwd. ‘We weten nooit iets over iemand, ’ zei hij eens, toen ze elkaar bekentenissen deden, maar Aaron had hem niet willen geloven.

Filosofiekalender 2009 (10)

‘Een kind hebben, betekent zich absoluut uitspreken voor de mens. ‘

Milan Kundera in De afscheidswals (1973)

In de derde roman van de Tsjechische schrijver Kundera staan de thema’s ouderschap en verantwoordelijkheid centraal. Zuster Růžena, die in een kliniek werkt waar vrouwen voor onvruchtbaarheid behandeld worden, raakt zwanger. Ze weet niet wie de vader is, maar vertelt de succesvolle trompettist Klíma dat zij een kind van hem verwacht, in de hoop dat zij op deze manier haar geboortedorp kan ontvluchten. Het eerste waar Klíma aan denkt is een abortus. Niet alleen omdat hij geen problemen met zijn mooie vrouw wil krijgen, maar vooral omdat het idee hem principieel tegen staat. Wie een kind wil, beweert dat het leven goed is en het verdient herhaald te worden. Wie een kind wil, meent dat de mens een uitstekend wezen is. En dat is iets waar Klíma het niet mee eens is: hij weigert zich zo absoluut uit te spreken voor de mens of voor het leven.

Filosofiekalender 2009 (9)

‘What there is must go into circulation, so that everyone can have a chance to be happy for a day.’

J.M. Coetzee in Disgrace (1999)

Hoofdpersoon David Lurie heeft zojuist een gewelddadige aanval in het huis van zijn dochter overleefd, wanneer hij probeert het voorval te relativeren. In Zuid-Afrika gebeurt zoiets iedere dag, vertelt hij zichzelf, iedere minuut. Hij moet blij zijn dat zijn dochter nog leeft en de overvallers hem niet als gijzelaar hebben meegenomen. Het is nu eenmaal een risico bezittingen te hebben. Een auto, een paar goede schoenen. Want er is niet genoeg voor iedereen. Wat er is, moet rondgaan, opdat iedereen de kans heeft voor een dag gelukkig te zijn.
Maar dan beseft hij dat dit alleen een theorie is om de waarheid niet te voelen. Hij wil niet aan het menselijke kwaad denken dat hem in brand heeft gestoken en zijn dochter heeft verkracht. Want dat menselijke kwaad heeft geen excuus en geen verklaring. Hij heeft zijn eigen moreel laakbare gedrag goedgekeurd met de stelling dat je niemand kunt straffen voor zijn verlangens. Maar ook dat is een theorie. Als hij over het menselijke kwaad nadenkt, wordt hij gek.

Filosofiekalender 2009 (8)

‘Hij was een oude man die alleen in een skiff in de Golfstroom viste en er waren vierentachtig dagen voorbijgegaan waarin hij geen vis had gevangen.’

Ernest Hemingway in The old man and the sea (1952)

In de novelle die hem volgens sommigen zijn welverdiende Nobelprijs opleverde, vat Hemingway in zijn beginzin het bestaan van een Cubaanse visser samen. Een man is oud en alleen en al bijna drie maanden heeft hij geen vis gevangen. Op de vijfentachtigste dag vangt de oude visser de grootste vis uit zijn leven en blijft hij dag en nacht op om deze marlin aan zijn boot te binden. Uiteindelijk verliest hij de vis aan de haaien voordat hij hem de haven in kan loodsen.
Zonder woorden vuil te maken aan ingewikkelde gedachten of dubbelzinnige emoties, schrijft Hemingway een existentiële roman. Het verhaal kan gelezen worden als het verhaal van ieder menselijk leven: een man heeft het talent en de inzet om grote dingen te doen en om van nog grotere dingen te dromen. Hij zet zijn intelligentie in om die dromen na te jagen, maar de realiteit is onbuigzaam: soms moet een mens juist zijn dromen opgeven om te kunnen overleven.

Filosofiekalender 2009 (7)

“De strijd van de mens tegen de macht is de strijd van het geheugen tegen de vergetelheid.”

Milan Kundera in Het boek van de lach en de vergetelheid (1978)

Een terugkerend thema in het werk van Milan Kundera is het communisme en de invloed die deze agressieve ideologie heeft gehad op de levens van individuen in zijn geboorteland Tsjechië. Met veel liefde en oog voor detail schetst hij hoe mannen en vrouwen verzet boden of juist door het regime en het dagelijkse leven corrupt zijn geworden.
Mirek, een van de helden in zijn vierde roman Het boek van de lach en de vergetelheid, houdt bij wijze van verzetsdaad een dagboek bij. Zijn vrienden vinden hem onvoorzichtig. Als hij ooit wordt opgepakt, kan alle informatie tegen hem gebruikt worden en kunnen zijn woorden zelfs anderen verraden. Toch blijft Mirek schrijven, want als hij zich schuldig zou voelen, zou dat het begin van de nederlaag zijn. Hij heeft het recht een dagboek te schrijven. Meer nog: de strijd van de mens tegen de macht is de strijd van het geheugen tegen de vergetelheid. Hij is er verantwoordelijkheid voor zijn eigen geschiedenis levend te houden.

Filosofiekalender 2009 (6)

“Mensen willen simpelweg onafhankelijke keuzes kunnen maken, wat die onafhankelijkheid ook kost en waartoe hij ook leidt.”

Fjodor Dostojevski in Aantekeningen uit het ondergrondse (1864)

In Aantekeningen uit het ondergrondse laat Dostojevski zijn verteller nadenken over menselijke verlangens en de vrije wil. De hoofdpersoon gelooft niet dat mensen gedetermineerd zijn. En evenmin dat ze altijd redelijk handelen. Mensen willen onafhankelijke keuzes maken, maar wat ze kiezen is niet altijd rationeel: willens en wetens kiezen ze soms juist voor wat nadelig voor hen is. De verteller meent dat mensen stomme beslissingen nemen, omdat ze aan zichzelf en hun medemensen willen bewijzen dat ze het recht hebben die keuzes te maken. Ze willen hun vrijheid bewijzen. En door dat te doen, houden ze die vrijheid in stand: alleen door onafhankelijke keuzes te maken, die soms tegen de ratio in gaan, kan een mens zijn persoonlijkheid bevestigen en zijn individualiteit handhaven. Juist in zijn onberekenbare gekheid kan men bewijzen een uniek mens te zijn.

Filosofiekalender 2009 (5)

“That a famous library has been cursed by a woman is a matter of complete indifference to a famous library.”

Virginia Woolf  in A Room of one’s own

In haar beroemde essay A Room of one’s own betoogt Virginia Woolf dat een vrouw financieel onafhankelijk moet zijn en een kamer voor zichzelf moet hebben voordat ze daadwerkelijk kan gaan schrijven. Mannen hadden in die tijd een duidelijke voorsprong op vrouwen: zij hoefden geen kinderen op te voeden en konden zonder zich verdacht te maken terugtrekken in hun studeerkamer. Van vrouwen werd verwacht dat ze thee dronken of zich op een andere manier sociaal ontplooiden. Ook buitenshuis was het leven voor een schrijver in de dop gemakkelijker als je een man was – je had toegang tot literaire kringen en universiteiten.
Als Virginia Woolf op een van haar wandeltochten geïnspireerd raakt en een bibliotheek wil binnenstappen, wordt ze door een poortwachter weggestuurd: vrouwen zijn er niet welkom. Ze vervloekt de beroemde bibliotheek die haar buitensluit en beseft tegelijk dat het de bibliotheek niets zal kunnen schelen dat het door een vrouw wordt vervloekt. Als zij iets wil veranderen, moet zij zich tot de mensen wenden die het wel iets zal kunnen schelen: de lezers van haar romans.

Filosofiekalender 2009 (4)

“An artist’s only concern is to shoot for some kind of perfection, and on his own terms, not anyone else’s.”

J.D. Salinger in Franny and Zooey (1961)

In de novelle Franny and Zooey, die altijd in de schaduw heeft gestaan van zijn beroemde broer The Catcher in the Rye, leren we een hyperintellectueel gezin kennen. De jongste, het zusje Franny, komt op een dag met een flinke depressie thuis, gaat op de sofa in de salon liggen en staat niet meer op. De wereld is volgens haar een farce geworden: professoren zijn egotrippers, poëten roemzoekers en het gewone volk is achterlijk, omdat niemand dit doorziet. Zelf is zij schuldig aan alles waar ze de anderen van beschuldigt: ze probeert iedereen te slim af te zijn en speelt toneel om lof te ontvangen. Kortom: het leven heeft geen zin meer.
De moeder, die getuige is geweest van deze crisis bij haar andere kinderen, schakelt haar zoon Zooey in om het meisje tot de orde te roepen. Hij begrijpt dat ze alleen van die bank af zal komen als ze zonder medelijden wordt toegesproken. Ze moet beseffen wat haar te doen staat: het maakt niet uit wat anderen uitspoken, het is alleen van belang wie zij is en als zij toevallig een actrice is, dan moet ze acteren. Dat is het enige waarover ze zich druk zou moeten maken – dat ze haar kunst op haar eigen voorwaarden zo perfect mogelijk uitoefent.

Filosofiekalender 2009 (3)

“Alles wat ik zie, lees en hoor, filter ik door de zeef van de verhalen die ik wil vertellen.”

Herman Franke in Waarom vrouwen betere lezers zijn (2004)

In een van de columns uit de bundel Waarom vrouwen betere lezers zijn gaat auteur Herman Franke in op het verschil tussen wetenschappelijk onderzoek en schrijversresearch. Hij citeert een wiskundige die zijn vak net zo mooi vindt als kunst en meent dat het onderscheid tussen kunst en wetenschap opgeheven zou moeten worden. Franke is het niet met hem eens. Er gaapt juist een kloof tussen de twee, die begint bij de manier waarop kunstenaars en wetenschappers waarnemen.
Schrijvers zien de wereld vaak niet zoals hij is – ze zien hem met het oog op wat ze willen vertellen. Ze kijken om zich heen om de verbeelding te prikkelen, niet om een objectieve waarheid te vinden. ‘Mij interesseert alleen wat ik kan gebruiken,’ geeft Franke toe en voor een schrijver is dat ook geen probleem. Maar onderzoekers met zo’n vooringenomen houding deugen niet, zij moeten met open vizier de werkelijkheid bevragen en luisteren naar alles wat er verteld wordt. Ook als dat strijdig is met wat ze willen horen.