Writing frenzy

I don’t believe in magic. I don’t believe in a mysterious force that guides me, but judging from my recent experiences, I would be foolish not to believe in inspiration.

For the past two weeks, my husband and I have been writing. Day and night. He is finishing the first draft of a new screenplay and I am working on the first chapters of what might become my debut novel in English.

Of course, we take breaks from our desks. We sleep and make coffee; we go out and inhale a day’s worth of fresh air. We don’t, however, take breaks from our minds, or from our subconscious, or from whatever it is that tunes us in to the whispering and sometimes howling voice. What we are experiencing is a writing frenzy: we are eating and dreaming and living our tales.

During my yoga sessions in the early morning, I keep my notebook on the mat. Often an idea pops up while my knees are hugging my cheeks. At breakfast, I read: The Great Gatsby, The Elements of Style. I read, and I drift off; it is difficult to concentrate while my head continues to absorb messages from undefined sources. Over lunch, my husband and I barely talk. We discuss the weather, or the food we should purchase, but we don’t get on a subject that might distract us.

The news? Television? Our social life? We are disconnected and rely on others to reestablish the bonds when important matters need to reach us. Occasionally, I take an hour out of my day to phone or respond to an email. Other obligations I note on a list, so I can ban them out of my mind. Without their cluttering noise, I hear much better.

Behind my desk, I create and transcribe, two different writing activities. When I create, I follow a stream I do not know, and trust it will take me to where I need to be; the result is often surprising. When I transcribe, I jot down ideas that came earlier, and just feed them to the manuscript. It’s less thrilling work, but it’s equally important: we need words to communicate ideas, and if I don’t type them, they will never exist in the minds of others.

Sometimes the ideas appear at inconvenient moments. I am able to shut them out for a while, but I won’t: a writing frenzy only happens when I surrender. The potential of loosing an idea, is frightening though. When I’m in the park or at the market, and a flash of ideas makes my heart speed up, I rush back to my desk and turn myself into a typist as soon as possible. On the way, I repeat the ideas in my head, over and over again, avoiding encounters with shopkeepers or neighbors, however friendly they may be, as they can only distract me. Sometimes I memorize entire paragraphs this way, or sketch out pages of dialogue.

And that’s all there is to it; I dream and think, I formulate and rearrange, I brood and wait: I write. Until the fatigue sets in and cuts me off. Meanwhile, my husband goes through the motions of a similar process. Fortunately, our working schedules are almost identical – or perhaps we are just being practical. Preparing and eating our dinner is a jovial happening, as we are both overflowing from excitement, and the feeling of having achieved something. After wine and food the ambiance changes; we are simply drained.

Right before going to bed, we turn on an episode of Dr. House, and we do so with religious loyalty. We sleep well after watching him solve his medical mysteries and fuck up his private life, and we wake up with well-attuned heads. Somehow, Dr. House has become part of our ritual and we don’t want to jinx our inspiration by watching a film.

Sometimes I fear the frenzy will soon be over and my mind will focus on the outside world again; I have a quick look at the newspapers and check the social networks.  Or I draw up a little post like this one. An hour later, I feel that surge again, that physical sensation of the blood rushing through my veins. No, I still don’t believe in magic, but I’m going in for another meal: the Muse is calling me to dinner.

Het brein waarmee ik ben getrouwd

Het boek van je man lezen, is een kijkje nemen in zijn hoofd. Het boek van je man redigeren, is eindelijk eens orde op zaken stellen in een brein waar fantastische ideeën aan elkaar geregen worden, terwijl rode draden en veelbelovende details nog wel eens het onderspit delven.

Het is niet eens zijn eerste boek; vijftien jaar geleden in een weinig-werk periode schreef hij een vuistdikke roman, en al heeft hij nooit de moeite genomen het boek uit te laten geven, de liefde voor het schrijven was geboren. Nu is er dan een tweede boek dat zijn debuut zal zijn. Iedere morgen lees ik een paar hoofdstukken, die we ’s middags bespreken. Tijdens het diner komen de grotere vraagstukken op tafel: of thema’s voldoende zijn uitgewerkt, of een motief niet te vaak terugkomt, of er genoeg plothints gegeven worden die het slot net niet verklappen. Meestal droom ik ’s nachts ook nog eens over het boek, voer ik gesprekken met personages die zich in een bepaalde scène ondervertegenwoordigd voelen, zodat ik de volgende morgen in de perfecte stemming ben om weer te gaan lezen.

“Is het niet moeilijk, een tweede schrijver in huis?” Ik moet bekennen dat zijn wens om een roman te schrijven eerst dubbelzinnige gevoelens in mij opwekte. Enerzijds vond ik het een goed idee om zijn (eigenzinnige en indrukwekkende) scenario uit te werken tot een roman: ik moedigde hem aan. Anderzijds maakte het plan me onzeker – zouden we de competitie met elkaar aangaan? Zou ik nog wel zelfvertrouwen over houden als zijn debuut meteen een veel groter publiek bereikte?

Een jaar later vraag ik me af hoe ik het ooit heb uitgehouden met een man samen te leven die geen schrijver was. Wat deed ik met al mijn gedachten over de boeken die ik las, de zinnen die ik schreef, de puntkomma’s die ik gebruikte, de puntkomma’s die andere schrijvers gebruikten? Wat deed ik met de emoties die een fragment in mij opwekte, met de storm aan ideeën die een woordcombinatie kon oproepen? Hield ik dat allemaal voor mezelf?

Nu hebben we eindeloze gesprekken over paragraafindelingen, hoe Updike het doet, of Rushdie, of Pamuk. Nu praten we over verhaaltechnieken en waarom die in het ene boek de tekst doen stromen en in een ander boek alleen een vreemd trucje lijken. Misschien zal de snijdende competitie nog komen als we straks met twee romans naar een uitgever gaan en zeggen: “Geef ons maar uit.” Misschien wordt het straks een stuk pijnlijker als hij mijn werk in handen krijgt en gaat ontleden. Maar vooralsnog: het fenomeen twee-schrijvers-onder-één-kap bevalt me prima. Het is tijd me weer eens lekker te verlustigen aan het brein waarmee ik ben getrouwd.

De Helling (2) – Tussen revolutie en interpretatie

Wil ik een revolutie? Dat vroeg jij mij vorige week en daar moest ik even over nadenken. Een revolutie is een plotselinge verandering in een bestaande toestand (1) of een gewelddadige wisseling van de politieke macht (2). Een revolutie in de eerste betekenis is vaak illusoir: veranderingen zijn zelden plotseling – wanneer we een omwenteling waarnemen is er meestal een lang en onzichtbaar proces aan vooraf gegaan. Een revolutie in de tweede betekenis heeft zelden het gewenste verloop of de beoogde resultaten; het werkelijke veranderingsproces moet dan namelijk nog plaatsvinden. Dus, nee, ik wil geen revolutie. De werkelijkheid is in mijn ogen te complex en te onbuigzaam om ingrijpende metamorfosen met radicale instrumenten af te kunnen dwingen. Ik richt mij liever op de perceptie van de werkelijkheid.

Schrijven is waarnemen en analyseren; schrijven is de manier waarop ik contact heb met de wereld. Marx meende…  >>> lees verder >>>

Lieve vrede

Schoonfamilie, daar kun je onderhoudende verhalen over vertellen. Zeker wanneer ze nogal radicale opvattingen propageren en zich uiterst curieus gedragen. Toch schrijf ik zelden over het bijzondere gezin waarin ik eens per jaar infiltreer, al doe ik dat inmiddels al ruim een decennium. Waarom ben ik zo terughoudend?

Invalshoeken genoeg. Ik kan vertellen over de Republikeinse klachten van een gepensioneerde ingenieur die de aandelen van zijn eigen bedrijf zo zag kelderen, dat zijn met bloed-zweet-en dominantie opgebouwde imperium plotsklaps een mislukking leek en over hoe hij het Amerikaans socialisme daarvoor aansprakelijk acht. Of ik kan schrijven over hoe wij na ieder bezoek aan een gigantische supermarkt thuis onder auspiciën van de vrouw des huizes alle artikelen met een in alcohol gedrenkt lapje desinfecteren, omdat smetvrees nu eenmaal niet bestaat en bacteriën wel. Maar ik houd me in. Uit respect? Of uit angst mijn dekking te verliezen?

Je zou denken dat ik veilig was door in het Nederlands te schrijven. Mijn schoonfamilie spreekt en verstaat enkel Engels (een paar woorden Spaans uitgezonderd). Bovendien houden ze niet van internet – geen van hen heeft ooit deze website gezien. Het bestaan van Google Translator gekoppeld aan het bevrienden van tantes en neven op Facebook maken mijn woorden in principe wel toegankelijk, en het is een toegankelijkheid waarvan volgens mijn statistieken soms gebruik wordt gemaakt. Wanneer ik hier iets publiceer, moet ik er dus rekening mee houden dat de boodschap in enigszins verdraaide vorm bij mijn directe schoonfamilie terecht kan komen.

En wat dan nog? Onlangs verscheen hier een stukje over autobiografisch schrijven en over de noodzaak met de beste bedoelingen meedogenloos te zijn. Valt het schrijven over je schoonfamilie onder een andere categorie? Natuurlijk niet. En bovendien: ik hecht aan openheid. Ik heb er doorgaans geen bezwaar tegen wanneer anderen weten hoe ik over hen denk. Het is voor mij geen enkel probleem om aan tafel te zitten met mensen die andere overtuigingen hebben, met hen te discussiëren en verschillen of gedeelde gronden te vinden. Ik word niet boos of verdrietig wanneer mijn schoonzus zichzelf niet in de ogen durft te kijken wanneer ze op zondag de kerkdienst mist. Het is haar leven – voor mij blijft ze een tamelijk irrationele maar altijd zeer sympathieke vrouw.

Alleen… zo denkt zij er niet over. Zij zal er ‘s nachts wakker van liggen wanneer we overdag van mening verschillen over het Christendom. Dus houd ik me in. Aan tafel en op papier. Indien ik zou schrijven hoe ik werkelijk over mijn schoonfamilie denk, zou ik aan mezelf moeten toegeven, dat ik hier wel degelijk de schone schijn ophoud. Voor twaalf dagen per jaar is de lieve vrede me meer waard dan het authentieke conflict. Waarom? Omdat het uiteindelijk toch mijn familie niet is, denk ik. Een zekere mate van onechtheid zit me daarom minder dwars. Maar afgaande op de zojuist geschreven woorden, lijkt het alsof ze wel steeds meer mijn familie aan het worden zijn.

Leven tussen de woorden

Ik leef niet echt, klaag ik weleens, en daarmee begint de ellende. Want wat bedoel ik precies wanneer ik dat zeg? Ik adem, ik eet, ik lach, ik huil. Volgens de definitie van het woord leef ik wel degelijk.

Goed, ik maak niets mee, verbeter ik mezelf. Maar wat zou ik dan mee willen maken? Het leven van alledag moet je niet met een speelfilm vergelijken waarin altijd iets spannends gebeurt. De gemiddelde mens overkomt uiteindelijk heel weinig. Ik wil toch geen brand, beroving of busongeval over me afroepen?

Het hoeft ook niet spannend te zijn, beweer ik dan. Maar andere mensen maken van alles mee, die zitten niet hele dagen thuis, aan hun bureau, die trekken de wereld in. En daar komt de aap uit de mouw. Andere mensen. De wereld. De raderen van mijn verbeelding worden in werking gesteld. Wie zou ik zijn als ik tot die andere mensen behoorde, in die tumultueuze wereld?

Ik bedenk een scenario waarin ik in Amsterdam woon en na mijn studie voor een interessante organisatie of innovatief bedrijf ben gaan werken. Iets cultureels of dynamisch. Bij een schouwburg of reclamebureau, als organisator van dit, of een pr-medewerker van dat. Ik stel me voor dat ik gezellige en intelligente collega’s heb met wie ik op maandag zowel het weekend als de politiek doorneem en met wie ik op bedrijfsuitjes in binnen- en buitenland kattenkwaad uithaal of kansloos verdwaal. Vijf keer per week vroeg opstaan is vast niet zo erg, want iedereen doet het. Samen trotseren we deadlines en chagrijnige opdrachtgevers. Samen maken we ons sterk voor een gloedvol product. Ik ontken het niet, dat lijkt me wel wat – maar zou ik gelukkiger zijn?

In een ander scenario ben ik uiteraard moeder geworden. Aan die gedachte ontkom je niet op mijn leeftijd. Ik stel me voor dat ik met de kinderen van alles onderneem. Naar een dierentuin, een park, wie weet een museum. En het wachten in de rijen is vast niet zo erg, want die kleintjes amuseren zich uitstekend en hebben nooit op lastige momenten een schone luier nodig of een banaan. Ik bedenk dat ik in het weekend smultafels zal dekken voor een oergezellig ontbijt en ’s avonds uitgebreid met mijn gebroed in bad ga. En ja, dat plaatje is soms wel aantrekkelijk – maar zou ik gelukkiger zijn?

In een derde poging om mij een levendiger leven voor te stellen, overschrijd ik de realistische grenzen. Stel dat ik met wie-dan-ook kon ruilen – wie zou ik dan willen zijn? Ik verlang niet per se naar roem of geld, maar soms zou ik wel wat meer invloed willen hebben. Zou ik bijvoorbeeld de directeur van het MoMA in NY willen zijn? Een leven leiden waarin ik geen saaie, eenzame minuut meer zal kunnen tellen? Meestal dringt het dan wel tot me door: ook al kon ik met wie-dan-ook ruilen, het zou altijd een schrijver zijn, een schrijver met een wat groter publiek, dat wel, maar nog altijd een schrijver die het merendeel van zijn of haar tijd aan het bureau doorbrengt.

Samenwerken, kinderen verzorgen, leiding geven – ik zou het prachtig vinden voor een week, een maand, een jaar misschien, maar ik zou er niet de luxe van mijn rust voor willen opgeven. Er bestaan schrijvers met nevenfuncties, schrijvers met kinderen, schrijvers met scholastieke carrières en schrijvers met topbanen. Maar ik denk dat ik tot het schrijverssoort behoor, dat zich het liefste terugtrekt om zoveel mogelijk te kunnen lezen en schrijven. Daar word ik gelukkig van. Dus ik moet gewoon niet zeuren dat mijn leven wat minder levendig is. Het zijn mijn personages, die ik de wereld in stuur. Mijn leven voltrekt zich tussen de woorden. En daar ben ik dankbaar voor.

Kind of normal

“What’s wrong?” my husband inquired. “You are frowning more than usual.”
“I don’t know. I feel empty.”
“No ideas for your books?”
“Plenty of ideas for my books. I just don’t have any…. personal ideas.”
“What are those? Aren’t all ideas personal?”
“What I mean is: I don’t have any thoughts that pertain to me. My characters are more alive than I am.”
My husband sighs in relief. “That’s kind of normal, isn’t it?”

Met de beste bedoelingen meedogenloos

Emotionele lading
Het zal even wennen zijn, voor mijn naasten.
Eeuwige kermis is meer dan mijn vorige boeken een autobiografische roman. Sommige verhaallijnen en gebeurtenissen zijn weliswaar verzonnen, maar voor mijn familieleden is het onmogelijk zichzelf niet in de personages te herkennen.

Toen ik aan deze roman begon, heb ik geprobeerd afstand te scheppen tussen mijn leven en het verhaal. Ik verzon nieuwe namen, bedacht nieuwe vrienden en fantaseerde zelfs over de mogelijkheid van een nieuw gezin: ik wilde het bestaan van mijn halfbroer verdoezelen en de aanwezigheid van mijn grootmoeder verzwijgen. Alles om te tonen dat ik een roman aan het schrijven was en geen mémoire.

Maar steeds wanneer ik probeerde een cruciale scène te beschrijven waaruit ik belangrijke personen wegliet, raakte ik gefrustreerd. De scènes bleven geconstrueerde situaties zonder betekenis; ze kwamen niet tot leven. Wilde ik een roman schrijven met de juiste emotionele lading, dan moest de gezinsconstellatie ten tijde van mijn vaders overlijden gehandhaafd blijven.

De gewenste afstand schepte ik derhalve met andere middelen: Hans Hollander kreeg een nieuw beroep en een nieuw huis. Het verhaal speelde zich af in een fictief dorp dat Paradijssel heette. En waar mogelijk sjoemelde ik met de feiten en de chronologie. Uiteindelijk hield ik een fantasierijk geraamte in handen dat dicht tegen de werkelijkheid aan lag. De basis van een roman.

Scherpe randjes
Vanaf dat moment leek het gemakkelijker om te bepalen hoe ver ik kon of moest gaan in het verdichten van mijn leven: het verhaal stelde zijn eigen eisen. Ik liet mijn fantasie de vrije loop wanneer dat de roman ten goede kwam en schreef mijn eigen beperkte waarheid op wanneer de scène dat vereiste. Toch zat ik mezelf nog in de weg, want ik had de neiging alle scherpe randjes glad te schuren.

Bijna niemand zegt voortdurend wat hij denkt. We zwijgen uit zelfbescherming of handelen volgens sociale conventies. Ik vind het daarom niet erg dat ik mijn gedachten niet altijd uitspreek, maar mijn gedachten niet opschrijven is een gemiste kans, want de kracht van verhalen zit hem vaak juist in die scherpe randjes. Filmmaker Kieslowski zei in een interview eens, dat wie universele kunst wil maken, diep in zichzelf moet graven. Geheel verzonnen personages en dialogen blijven vaak steken in clichés. Alleen wat uit jezelf komt, is volgens hem origineel en zal juist daardoor weerklank vinden.

Sommige schrijvers hebben er geen moeite mee anderen te schofferen en lijken geboren provocateurs. Andere schrijvers, zoals ik, moeten eerst hun angst overwinnen – ze willen liever niemand voor het hoofd stoten. In mijn relatief korte leven als schrijver heb ik van veel uitgevers, redacteuren en collega-auteurs advies gekregen, dat lang niet altijd eenstemmig was. Maar over één zaak waren ze het eens: een goede schrijver is meedogenloos eerlijk.

En dus heb ik mijn neiging onderdrukt om alles glad te schuren. In de laatste versie van Eeuwige kermis heb ik zelfs nog paragrafen toegevoegd, die ik eerder had geschrapt. Ik heb niets geschreven met de intentie om te kwetsen, al ben ik me ervan bewust dat sommige stukken voor mijn familieleden wellicht niet prettig zijn om te lezen. Ik ben meedogenloos geweest, maar wel met de beste bedoelingen.

Eeuwige kermis (6) – Verbondenheid versus het verlangen naar eenzaamheid

Poging tot contact
Julia Hollander maakt documentaires. Dat is haar beroep. Na de middelbare school keert ze haar vrienden en familie de rug toe om vrij te zijn. Ze moet kunnen reizen en rondkijken. ‘Bij haar vertrek had ze alleen wat korrels geboortegrond bewaard in de zak van haar jas.’ (uit: Eeuwige kermis)

Ik schrijf boeken. Iets wat ik altijd heb willen doen. En hoe intenser ik schrijf, hoe meer ik me terugtrek in mijn cocon. Ik moet vrij zijn om te denken en te dromen. Er zijn dagen dat ik niemand spreek en het huis niet verlaat. En dat ik uit Nederland vertrokken ben, is misschien niet alleen vanwege een internationale liefde.

Sommige beroepen vereisen eenzaamheid of tenminste de bereidheid jezelf zo nu en dan van anderen los te knippen. Ik vraag mij weleens af of ik schrijver ben geworden omdat dit losknippen mij goed af gaat, of dat ik naar eenzaamheid verlang omdat het schrijven zo’n grote rol in mijn leven speelt. Ongetwijfeld is het een wisselwerking. Maar een documentaire maak je voor een publiek. Een boek schrijf je voor een lezer. De creatie van een eenzame ziel kun je dus wel opvatten als een poging tot contact.

Angst voor intimiteit
Door het ineenstorten van sociale structuren en de ontzuiling is het voor mensen vaak niet meer onmiddellijk duidelijk wie zij zijn of welke rol ze in de maatschappij innemen. Ze zijn vrij om hun eigen identiteit in te vullen. Maar zoals ik al eerder schreef over het existentialisme is die vrijheid naast een verworvenheid vooral een opgave. In afwezigheid van een autoriteit val je gemakkelijk ten prooi aan innerlijke verwarring, toneelspel en vluchtgedrag. Je wordt niet zomaar een authentiek individu.

Julia Hollander worstelt met haar vrijheid. Ze wil zichzelf vinden en zich niets van anderen aantrekken, maar omdat ze nog zo onzeker is, past ze zich juist voortdurend aan. Ook om die reden verlangt ze naar eenzaamheid: ze gelooft dat ze alleen waarachtig kan zijn door zich terug te trekken. Zodra ze met anderen samen is, sluipt de leugen in haar leven en in haar werk, want omwille van die anderen zal ze al snel iets verzwijgen. Ze verlaat Paradijssel dus niet alleen om documentaires te kunnen maken. Ze verlaat het dorp ook uit angst haar authenticiteit te verliezen, uit angst voor intimiteit. Haar documentaires zijn het enige contact dat ze vertrouwt.

De gemeenschappelijke dimensie
Maar kun je contact met anderen maken door jezelf volledig van hen af te sluiten? Authentiek willen zijn, betekent ook origineel willen zijn, iets doen wat nog nooit iemand heeft gedaan. Julia wil een nieuw licht op de wereld werpen en laten zien wat door gewenning in de schaduw is geraakt. Maar om dat te kunnen, moet ze wel weten wat het ‘gewone’ licht op de wereld is en voor welke dingen mensen blind zijn geworden. Haar documentaires kunnen niet in een vacuüm ontstaan.

Bovendien heeft Julia een gemeenschappelijk taal nodig waarin ze kan communiceren. Wanneer zij alles wat herkenbaar is uit haar films zou weglaten, zou niemand haar documentaires begrijpen. Om iets nieuws te kunnen tonen, moet ze appelleren aan wat reeds bekend is. Af en toe zal ze zich dus tussen de mensen moeten begeven, zich met hen verbinden, om zo te kunnen ervaren waaruit dat bekende bestaat. Een betekenisvolle film kan zij als individu moeilijk in totale afzondering scheppen, omdat zo’n film ook een gemeenschappelijke dimensie heeft.

Nachten van solidariteit
In Julia (en in mij en misschien wel in iedereen die iets eigenzinnigs maakt dat hij of zij met een publiek wil delen) bestaat een tegenstrijdigheid: de wil je te onderscheiden en de noodzaak je met anderen te verbinden. Wat is voor een schrijver of documentairemaker dan de beste strategie? Toegeven aan het verlangen naar eenzaamheid of jezelf dwingen in de wereld af te dalen?

Coetzee beschrijft de verscheurdheid meesterlijk: ‘As a young man, I never for a moment allowed myself to doubt that only from a self disengaged from the mass and critical of the mass could true art emerge. Whatever art has come from my hand has in one way or another expressed and even glorified in this disengagement. But what sort of art has that been, in the end? Art that is not great-souled, as the Russians would say, that lacks generosity, fails to celebrate life, lacks love.’ (uit: Diary of a Bad Year)

Als schrijver zal ik altijd de balans moeten zoeken tussen de eenzaamheid van mijn gedachten en het gedruis van de wereld. Julia schiet vooralsnog liever van het ene naar het andere uiterste: ‘De kleffe saamhorigheid die ze onder andere omstandigheden op afstand zou hebben gehouden, liet ze nu tegen zich aanschurken. De verrukking bij een groep te horen, nachten van solidariteit! Haar mensenwarmte zou slijten zodra de operatie was voltooid, daar had ze geen illusies over, en juist in die deadline huisde haar overgave.’ (uit: Eeuwige kermis)

Aflevering 7: Idealisme

Nieuwe overzichtelijkheid

Voor een buitenstaander kan het overzichtelijk lijken: om het jaar publiceert een schrijver een nieuwe roman waaraan hij of zij ongeveer twee jaar heeft gewerkt. Rondom de publicatie is de schrijver beschikbaar voor promotionele activiteiten en wanneer de aandacht voor het laatste werk verslapt, gaat hij of zij weer achter het bureau zitten om een nieuw boek te bedenken.  En zo ontstaat een oeuvre.

Ik ken auteurs die ook daadwerkelijk op deze wijze functioneren. Ze zijn zo met hun roman verweven, dat ze niet aan een nieuw boek kunnen beginnen, voordat ze het oude hebben losgelaten. Voor mij geldt het tegenovergestelde: in mijn hoofd zijn vrijwel altijd meer dan twee romans aanwezig, in verschillende stadia van hun ontwikkeling. In april schreef ik al over de roman, laat ik hem DT noemen, die inmiddels in de steigers staat. Mijn hoofd kan geen pauze nemen.

Maar hoe dichterbij de publicatie van Eeuwige kermis komt (nog twee weken, NOG TWEE WEKEN), hoe meer deze roman me naar zich toetrekt. Misschien heeft het te maken met de stukjes die ik hier schrijf, over het ontstaan van dit boek. Misschien is het omdat deze roman een grotere urgentie lijkt te hebben; hij is actueler dan mijn vorige werk en autobiografischer en heeft voor mij daardoor meer gewicht. Hoe dan ook: ik heb al in geen weken aan DT gewerkt en beweeg mij enigszins onwennig in deze nieuwe overzichtelijkheid.

Schrijven en engagement: wat te doen met 9/11

Als ik er niet over schrijf, ontken ik dat het onderwerp me bezig houdt.
Als ik er wel over schrijf, draag ik bij aan de overdreven aandacht ervoor.
Als ik er niet over schrijf, lijk ik te bevestigen wat ik zou willen ontkennen.
Als ik er wel over schrijf, ben ik gedwongen mijn standpunt te verwoorden.

In het artikel van Rob Schouten – ‘Nederlandse schrijvers mijden maatschappelijk engagement’ (Trouw, 4/9/11) – voelde ik mij aangesproken. Ik ben immers een Nederlandse schrijver en ik heb niet over de aanslagen in New York geschreven. Maar is dat het bewijs dat ik maatschappelijk engagement mijd?

‘Misschien achtten Nederlandse schrijvers zich wel ontslagen van de plicht er ook zoveel aandacht aan te besteden, nu hun Amerikaanse collega’s het onderwerp zo nadrukkelijk uitputten,’ schrijft Schouten. Ik kan dat niet beamen. Ik kies doorgaans een onderwerp waarover ik iets kan en wil zeggen en waartoe ik mij geroepen voel. De publicatie van een stapel andere romans over precies hetzelfde onderwerp houdt mij dan niet tegen, want ik vertrouw erop dat niemand precies hetzelfde zal schrijven.
Maar dat ik niet over 9/11 heb geschreven wil niet zeggen dat ik de gebeurtenissen per se vermijd. Het wil alleen zeggen dat andere onderwerpen voorrang kregen. Soms schrijf ik ergens over uit eigen preoccupatie, dat geef ik toe, maar soms ook in de hoop dat een goed geschetst portret bijdraagt aan het zelfbegrip van een generatie of gemeenschap.
Politiek-maatschappelijke betrokkenheid kan zich op allerlei manieren tonen. De afwezigheid van een grote Nederlandse post 9/11 roman bewijst niet dat schrijvers navelstaarders zijn. En dat het voor een Amerikaan (en dan zeker een New Yorker) urgenter is om over de aanslagen te schrijven, lijkt me evident. Ik ben niet de eerste die betwijfelt of 9/11 ook voor Europa een echte breuklijn is.

Zoals wel vaker was het artikel gelukkig genuanceerder dan de kop. Tot slot erkent Schouten dat het ‘laten zien dat het kwaad niet alleen van buiten komt en dat wij zelf ook niet vrij van smetten zijn’ gezien kan worden als een bescheiden spoor van 9/11. Maar dan vraag ik: die boodschap hebben we toch ook voor 9/11 al gehoord?