Nieuwe overzichtelijkheid

Voor een buitenstaander kan het overzichtelijk lijken: om het jaar publiceert een schrijver een nieuwe roman waaraan hij of zij ongeveer twee jaar heeft gewerkt. Rondom de publicatie is de schrijver beschikbaar voor promotionele activiteiten en wanneer de aandacht voor het laatste werk verslapt, gaat hij of zij weer achter het bureau zitten om een nieuw boek te bedenken.  En zo ontstaat een oeuvre.

Ik ken auteurs die ook daadwerkelijk op deze wijze functioneren. Ze zijn zo met hun roman verweven, dat ze niet aan een nieuw boek kunnen beginnen, voordat ze het oude hebben losgelaten. Voor mij geldt het tegenovergestelde: in mijn hoofd zijn vrijwel altijd meer dan twee romans aanwezig, in verschillende stadia van hun ontwikkeling. In april schreef ik al over de roman, laat ik hem DT noemen, die inmiddels in de steigers staat. Mijn hoofd kan geen pauze nemen.

Maar hoe dichterbij de publicatie van Eeuwige kermis komt (nog twee weken, NOG TWEE WEKEN), hoe meer deze roman me naar zich toetrekt. Misschien heeft het te maken met de stukjes die ik hier schrijf, over het ontstaan van dit boek. Misschien is het omdat deze roman een grotere urgentie lijkt te hebben; hij is actueler dan mijn vorige werk en autobiografischer en heeft voor mij daardoor meer gewicht. Hoe dan ook: ik heb al in geen weken aan DT gewerkt en beweeg mij enigszins onwennig in deze nieuwe overzichtelijkheid.

Schrijven en engagement: wat te doen met 9/11

Als ik er niet over schrijf, ontken ik dat het onderwerp me bezig houdt.
Als ik er wel over schrijf, draag ik bij aan de overdreven aandacht ervoor.
Als ik er niet over schrijf, lijk ik te bevestigen wat ik zou willen ontkennen.
Als ik er wel over schrijf, ben ik gedwongen mijn standpunt te verwoorden.

In het artikel van Rob Schouten – ‘Nederlandse schrijvers mijden maatschappelijk engagement’ (Trouw, 4/9/11) – voelde ik mij aangesproken. Ik ben immers een Nederlandse schrijver en ik heb niet over de aanslagen in New York geschreven. Maar is dat het bewijs dat ik maatschappelijk engagement mijd?

‘Misschien achtten Nederlandse schrijvers zich wel ontslagen van de plicht er ook zoveel aandacht aan te besteden, nu hun Amerikaanse collega’s het onderwerp zo nadrukkelijk uitputten,’ schrijft Schouten. Ik kan dat niet beamen. Ik kies doorgaans een onderwerp waarover ik iets kan en wil zeggen en waartoe ik mij geroepen voel. De publicatie van een stapel andere romans over precies hetzelfde onderwerp houdt mij dan niet tegen, want ik vertrouw erop dat niemand precies hetzelfde zal schrijven.
Maar dat ik niet over 9/11 heb geschreven wil niet zeggen dat ik de gebeurtenissen per se vermijd. Het wil alleen zeggen dat andere onderwerpen voorrang kregen. Soms schrijf ik ergens over uit eigen preoccupatie, dat geef ik toe, maar soms ook in de hoop dat een goed geschetst portret bijdraagt aan het zelfbegrip van een generatie of gemeenschap.
Politiek-maatschappelijke betrokkenheid kan zich op allerlei manieren tonen. De afwezigheid van een grote Nederlandse post 9/11 roman bewijst niet dat schrijvers navelstaarders zijn. En dat het voor een Amerikaan (en dan zeker een New Yorker) urgenter is om over de aanslagen te schrijven, lijkt me evident. Ik ben niet de eerste die betwijfelt of 9/11 ook voor Europa een echte breuklijn is.

Zoals wel vaker was het artikel gelukkig genuanceerder dan de kop. Tot slot erkent Schouten dat het ‘laten zien dat het kwaad niet alleen van buiten komt en dat wij zelf ook niet vrij van smetten zijn’ gezien kan worden als een bescheiden spoor van 9/11. Maar dan vraag ik: die boodschap hebben we toch ook voor 9/11 al gehoord?

Nederlandse Auteurs en Uitgevers op Boekenbeurs in China

Wat een commotie. Schrijvers in Beijing die gepikeerd een speldje weigeren, Amnesty die daar teleurgesteld over is, Theodor Holman die in het Parool de draak steekt met de weinig heldhaftige Nederlanders, Marcel Möring die zijn collega-schrijvers in de NRC met Shell vergelijkt, Grunberg die in De Volkskrant schrijft dat opportunisme en lafheid mensenrechten zijn, maar dat de camouflage van dat opportunisme immoreel is, Abdelkader Benali die juist voor de delegatie in de bres springt door zich op Facebook over Grunberg en Möring uit te laten, De Contrabas die het debat kritisch becommentarieert en Henk Pröpper die als directeur van het Letterenfonds de ‘missie’ in de Volkskrant (en op Facebook) nog eens ontvouwt. Het is maar een greep uit de reacties. Wat is er aan de hand?

Het probleem is volgens mij dat de verwachtingen van de thuisblijvers niet overeenstemmen met de motieven van de aanwezigen in Beijing.

Wij thuisblijvers zouden het namelijk fijn vinden wanneer onze Nederlandse collega’s eens flink tekeer zouden gaan in China. Lekker stennis schoppen. De waarheid roepen. Laten weten wat wij denken. De Chinezen laten voelen hoe fout ze daar zijn, met hun huisarrest en verboden. Want wanneer onze collega’s dit allemaal uitspreken, hoeven wij het niet te doen en kunnen we er toch van profiteren. Het zou Nederland weer eens goed in beeld brengen als een heldhaftige natie die voor mensenrechten vecht.

Maar waarom zijn de auteurs en uitgevers naar China gegaan? Om boeken te verkopen of om de censuur aan te kaarten?

‘Vanaf het begin hebben de Nederlandse auteurs die ons vergezellen helder uitgesproken dat het hun drijfveer was om China te leren kennen, schrijvers, journalisten en uitgevers te ontmoeten, en waar mogelijk ook in contact te komen met kritische (dissidente) auteurs en kunstenaars.’ (Henk Pröpper, de Volkskrant 3/9/2011). Dat klinkt als een eerlijk motief met realistische perspectieven en als mij was gevraagd hen te vergezellen, had ik niet geaarzeld en was ik meegegaan. Het verblijf is bovendien zorgvuldig voorbereid en in samenspraak met Amnesty International georganiseerd. Waarom dan toch zoveel commotie?

Omdat de auteurs geen speldjes wilden dragen. Omdat Chinese schrijvers (onverwacht?) huisarrest hebben gekregen. Omdat het ambivalent is zaken te doen met mensen die je op politieke en morele gronden zou willen verfoeien.

Misschien had de commotie voorkomen kunnen worden door nog duidelijker te zijn over de intenties: de delegatie is daar om contacten op te doen en boeken te verkopen, niet om Chinese leiders op hun beleid aan te spreken. De realiteit is alleen zelden zo zwart-wit, want ik geloof graag dat er in de wandelgangen toch veel is uitgesproken. En de weigering van het speldje dan? Tja, waarom zou je het niet dragen? Subtiel tonen waar je voor staat, is iets anders dan je gesprekspartner met felle bewoordingen aanvallen. Maar goed, dat is misschien makkelijk gezegd. In Parijs word ik nooit gevraagd een speldje van Amnesty te dragen.

Ik betwijfel  of ik zelf tekeer was gegaan, daar in China – stennis schoppen is zelden een effectieve manier om de dialoog te openen en gaande te houden. Of wie weet ben ik gewoon laf. Dat kan: ik zou zelf graag heldhaftiger zijn. Toch ben ik benieuwd wat de nu zo bekritiserende auteurs zullen doen wanneer ze, dankzij het grondwerk van deze delegatie, de komende jaren het verzoek krijgen hun werk in het Chinees te laten uitgeven.

Naschrift.
In De Volkskrant van maandag: Nederlandse schrijvers kritisch. In De NRC van zaterdag: Chinese schrijvers over de boekenbeurs. In De NRC van maandag Benali aan het woord. En het Letterenfonds publiceerde de reacties van de teruggekeerde Nederlandse auteurs.
Zojuist (6 september) verscheen dit artikel in De NRC, over hoe een officieel bezoek de vrijheid van dissidenten juist kan belemmeren.

Eeuwige kermis (1) – Het afscheid van een vader

Liefde en dood
Op 20 januari 2000 overleed mijn vader in zijn eigen bed, omringd door zijn vrouw, moeder en drie kinderen. Hij was al een aantal jaren ziek en sinds het voorjaar wisten we dat hij niet meer beter zou worden. Na de Kerst ging hij sterk achteruit en ergens begin januari kreeg ik het telefoontje dat ik het beste zo snel mogelijk naar huis kon komen.

Ik woonde in die tijd reeds in Parijs, al dacht ik toen nog dat mijn verblijf hier tijdelijk was. Onderweg in de trein opende ik het schrift dat ik in de haast had gekocht om mijn verwarring van me af te kunnen schrijven. Een paar dagen voor het telefoontje had ik een bijzondere man ontmoet en in korte tijd waren we intens verliefd op elkaar geworden. Terwijl het grijsbevroren winterlandschap aan me voorbij trok, noteerde ik: ‘Van het liefdesbed naar het bed van de dood. Hoeveel kilometers liggen daar tussen?’

Pathetisch natuurlijk, maar ik vergeef het mezelf. Verblind door liefde en verdriet kan het verzwaren van je eigen drama juist enig soelaas bieden.

De weg naar de woorden
In het huis van mijn vader schreef ik weinig. In het aanzien van zijn dood vond ik mijn woorden te banaal. De betekenissen die in die tijd aan alledaagse woorden als ‘arm’ en ‘sinaasappelsap’ kleefden, bleven onzichtbaar op het papier, alsof ik over een willekeurige ledemaat of een willekeurig drankje berichtte. Pas veel later vond ik mijn weg naar de woorden en pas na de publicatie van mijn eerste roman, in 2005, begon ik serieus aantekeningen te maken over zijn laatste dagen, ons afscheid en zijn euthanasie.

De farce
Het besluit er een roman van te maken kwam weer een aantal jaar later. I
k ging aan de slag met mijn jeugdherinneringen en mijn vaders rol in mijn leven, en al zijn die gegevens voor menig auteur voldoende om een boeiende autobiografie af te leveren, voor mij waren ze te mager. Dus groef ik dieper en uiteindelijk kwam ik terecht bij wat ik in mijn schrift ‘de farce’ had genoemd: mijn tolerantie voor onoprechtheid leek een dieptepunt te hebben bereikt en zelfs mijn beste vrienden vond ik bij vlagen oppervlakkig . Waarom zou je je druk maken over een cijferlijst of een mislukt verjaardagsfeest wanneer iedere dag van je leven de laatste kan zijn? Mensen met wie ik mij altijd graag had omringd, leken ineens alleen buitenkant en ik walgde van mijn eigen preoccupaties.

Waarom ervaarde ik dat zo? En wat had het te betekenen? Daarover wilde ik schrijven. En dus ging ik op zoek naar een verhaal waarin het contrast tussen echtheid en charlatanerie een hoofdrol speelde.  Aflevering 2: Authenticiteit.

Op 20 januari 2000 overleed mijn vader in zijn eigen bed, omringd door zijn vrouw, moeder en drie kinderen. Hij was al een aantal jaren ziek en sinds het voorjaar wisten we dat hij niet meer beter zou worden. Na de Kerst ging hij sterk achteruit en ergens begin januari kreeg ik het telefoontje dat ik het beste zo snel mogelijk naar huis kon komen.

Ik woonde in die tijd reeds in Parijs, al dacht ik toen nog dat mijn verblijf hier tijdelijk was. Onderweg in de trein opende ik het schrift dat ik in de haast had gekocht om mijn verwarring van me af te kunnen schrijven. Een paar dagen voor het telefoontje had ik een bijzondere man ontmoet en in korte tijd waren we intens verliefd op elkaar geworden. Terwijl het grijsbevroren winterlandschap aan me voorbijtrok, noteerde ik: ‘Van het liefdesbed naar het bed van de dood. Hoeveel kilometers liggen daar tussen?’

Pathetisch natuurlijk, maar ik vergeef het mezelf. Verblind door liefde en verdriet biedt het verzwaren van je eigen drama soms juist enig soelaas.

In het huis van mijn vader schreef ik weinig. In het aanzien van zijn dood vond ik mijn woorden te banaal. De betekenissen die in die tijd aan alledaagse woorden als ‘arm’ en ‘sinaasappelsap’ kleefden, bleven onzichtbaar op het papier, alsof ik over een willekeurige ledemaat of een willekeurig drankje berichtte. Pas veel later voelde ik me in staat over die gebeurtenissen te schrijven en pas na de publicatie van mijn eerste roman, in 2005, begon ik serieus aantekeningen te maken over zijn laatste dagen, ons afscheid en zijn euthanasie.

Het besluit er een roman van te maken kwam weer een aantal jaar later. Mijn eerste plan was om de nadruk te leggen op wat ik mijn gevoelsparadox noemde: de heftige emoties van mijn prille liefde botsten namelijk niet met de beladen sfeer thuis, maar intensiveerden die periode juist. Gelukkig besefte ik op tijd dat ik met die aanpak eerder een boek over mijn man zou schrijven dan over mijn vader en dat was niet de bedoeling.

Vervolgens ging ik aan de slag met jeugdherinneringen en mijn vaders rol in mijn leven, en al zijn die gegevens voor menig auteur voldoende om een boeiende autobiografie af te leveren, ik vond ze te mager. Dus groef ik dieper en uiteindelijk kwam ik terecht bij wat ik in mijn schrift ‘de farce’ had genoemd: geconfronteerd met de grote thema’s in het leven – dood, liefde, schuld – daalde mijn tolerantie voor frivoliteit en vond ik zelfs mijn beste vrienden bij vlagen oppervlakkig of zelfs berekenend. Waarom zou je je druk maken over een cijferlijst of een mislukt verjaardagsfeest wanneer iedere dag van je leven de laatste kan zijn? Mensen met wie ik mij altijd graag had omringd, leken ineens alleen buitenkant en ik walgde van mijn eigen preoccupaties.

Waarom ervaarde ik dat zo? En wat had het te betekenen? Daarover wilde ik schrijven. En dus ging ik op zoek naar een verhaal waarin het contrast tussen echtheid en charlatanerie een hoofdrol speelde. Later deze week aflevering 2: Authenticiteit, toerisme en hyperrealiteit.

Over het schrijven van een blog

Deze week sprak ik met een onderzoeker over de betekenis van mijn blog. Het was een lang en intens gesprek en ik hoop van harte dat mijn gesprekspartner mijn tegenstrijdige opmerkingen kan plaatsen, want veel verheldering hebben mijn woorden me niet gebracht. Voor wie schrijf ik? Hoe eerlijk ben ik? Wat verwacht ik van mijn lezers? Ik kon zelden een eenduidig antwoord geven.

Natuurlijk schrijf ik vooral voor jullie, de lezers van dit blog. Als er geen bezoekers op mijn website kwamen, zou ik stoppen. Daarnaast schrijf ik voor potentiële lezers van dit blog, die hier toevallig via een google search belanden, en voor lezers van mijn romans, die iets meer over de auteur willen weten. Heel misschien schrijf ik ook voor potentiële lezers van mijn romans, maar ik betwijfel of een blogtekstje een lezer kan overtuigen naar de winkel te rennen. Om een roman te verkopen moet je allereerst een goede roman schrijven en mond-tot-mond reclame genereren.
Toch schrijf ik dit blog ook voor mezelf. Niet als levensarchief, daar heb ik mijn dagboeken voor, maar als stok achter de deur, als garantie dat ik niet in afzondering verdrink. Een roman schrijven en publiceren is een proces van ongeveer twee jaar. Af en toen fietst er een kort verhaal, artikel of column tussendoor, maar soms gaan er maanden voorbij voordat ik een tekst de wereld in stuur. Mijn blog dwingt me om wekelijks iets vrij te geven en dat geeft me het gevoel (of de illusie?) dat ik iets meer in contact sta met die wereld.

Dan de kwestie van de eerlijkheid. Lieg ik hier wel eens. Jawel, en toch voelt het niet als liegen. Ik schilder namelijk geen persoonlijkheid af waarachter ik zelf verborgen blijf. Maar soms verander ik wel details en datums om de stukjes grappiger, relevanter of actueler te maken. En ik laat wel eens dingen weg. Bloggen over ongeluk en verdriet gaat me niet goed af. Misschien vind ik dat te intiem en daarom deel ik waarschijnlijk onevenredig veel vrolijke momenten met jullie.

Tot slot mijn verwachtingen. Aan de statistieken kan ik zien dat er behoorlijk wat bezoekers komen en toch laten jullie zelden een reactie achter. Wanneer jullie op mijn tekst willen reageren sturen jullie me eerder een email. De onderzoeker wilde weten of ik dat jammer vond. ‘Misschien wel,’ antwoordde ik eerst en toen: ‘Als ik het echt jammer vond, zou ik mensen wel vaker actief uitnodigen om te reageren en dat doe ik niet.’ Wie reacties wil, moet vragen stellen. Laten we het dus eens uittesten: waarom lezen jullie dit blog en wat zijn jullie favoriete en minder favoriete stukjes? (Reacties mogen anoniem geplaatst worden).

Een ander leven

Eeuwige Kermis is opnieuw ingeleverd. De afgelopen twee weken schreef ik vanaf een heuvel in Zwitserland (jolimont 1, jolimont 2) een eerste hoofdstuk, husselde ik diverse paragrafen door elkaar en knipte ik rigoureus. Het resultaat: een versie die lichter verteerbaar is en tegelijk meer gecondenseerd.
Nu kijk ik naar de achterstallige taken op mijn lijst (zoals: ‘blog schrijven’) en vraag ik me af wat het allemaal betekent. Zaken die me weken geleden nog ‘urgent’ leken, hebben sterk aan belang ingeboet. Is het werkelijk noodzakelijk dat ik vergelijkend warenonderzoek uitvoer voor de aanschaf van een nieuwe wasmachine?
Wanneer ik intensief met een roman bezig ben geweest, duurt het altijd even voordat de realiteit me weer interesseert. Mladic, komkommers, Strauss-Kahn. Ik wil er zo weinig mogelijk over horen en heb er niets over te melden. Je zou misschien verwachten dat mijn eigen leven me dan nog zou boeien, maar daar heb ik ook weinig mee op. Boodschappen doen, parkwandelingen maken, administratie. Het leven van mijn personages is veel interessanter.
Er wordt vaak gezegd dat mensen romans lezen om hun horizon te verbreden; dat ze nieuwsgierig zijn naar hoe de wereld er voor anderen uitziet. Ik weet inmiddels dat mijn verlangen om te schrijven deels uit diezelfde nieuwsgierigheid voortkomt: wanneer mijn leven me teleurstelt, verzin ik een ander.

P.S. (Ik vond zojuist een gerustellende quote:)

‘Good artists exist simply in what they make, and consequently are perfectly uninteresting in what they are.’  (Lord Henry in The picture of Dorian Gray, Oscar Wilde)

Herschrijven

Het is weer eens zover. Herschrijven. De feedback van mijn redacteur was niet om van in paniek te raken, maar zijn in de marge gekrabbelde opmerkingen  hebben mijn raderen in werking gesteld. Ik werk weer fulltime aan een roman die hoogstwaarschijnlijk in oktober 2011 in de winkel zal liggen.
Herschrijven betekent in dit geval vooral schrappen en denken. Is deze anekdote wel echt noodzakelijk? Komt dit personage in deze scène  niet al te onsympathiek uit de hoek? Wordt het geheel sterker als ik de hoofdstukken omdraai? Ook al verandert er straks niet eens zo veel, het opwindende van deze fase is dat alles weer even op losse schroeven staat.
Het begin vliegt er in ieder geval uit.  Zes prachtige hoofdstukken waaraan ik hard heb gewerkt, onder andere in Bergen. Ze zijn fijn gestileerd en grappig (volgens mij tenminste), maar nu ik ze opnieuw lees, weet ik dat ze het hoofdverhaal vertragen.
Sommige delen zullen als een flashback terugkomen, andere plak ik in een document dat “geknipt” heet. Misschien zijn ze ooit bruikbaar in een andere roman of een kort verhaal. In dit boek is het niet nodig de reizen van het hoofdpersonage te beschrijven, maar omdat die reizen in mijn hoofd wel hebben plaatsgevonden, speel ik met het idee een soort vervolg te gaan schrijven, waarin ik een soortgelijk hoofdpersonage kan opvoeren.
Over een maand moet het klaar zijn en zullen er nog wat correctierondes volgen. Volgende week kan ik mogelijk al het omslag tonen. Voor nu verklap ik de titel: mijn vierde roman zal Eeuwige Kermis heten.

!