Het migrerende type

Reizigers bestaan in alle soorten en maten, maar zijn met een beetje goede wil in twee categorieën te verdelen: de idealistische en de verzamelende reizigers.

Idealistische reizigers zijn op zoek naar de perfectie van een ideaalbeeld. Ze zoeken de droomberg, de droomstad, de droomwoestijn en omdat niets met het ideaal samenvalt, raken ze steeds teleurgesteld. Als een idealistische reiziger zou vinden wat hij zocht, zou hij het reizen opgeven en op zijn droomplek blijven.

Verzamelende reizigers zijn op zoek naar de uniciteit van het banale. Ze vergelijken bergen, steden of woestijnen en stellen met genoegen vast dat ze allemaal anders zijn. Verzamelende reizigers kunnen niet teleurgesteld raken, want ze vinden overal wel iets uitzonderlijks. Als verzamelaars van curiosa raken ze nooit uitgereisd.

Zelf behoor ik tot de laatste categorie. Van kinds af aan ben ik benieuwd geweest naar daarginds. Niet omdat het daar beter zou zijn, maar simpelweg omdat het daar anders was. Een land waar de zon altijd schijnt, je niet op tijd naar bed hoeft en niemand je tijdens het lezen stoort, bestond misschien niet. Een land vol nieuwe ervaringen wel.

Na het lezen van van Nils Holgerssons avonturen  droomde ik ervan zelf op de rug van een gans mee te vliegen. Het leek mij een prima manier om de wereld te verkennen. Dat ik nog geen kabouter had gevonden om mij te kunnen verkleinen, was bijzaak. Een gans zou het zijn. Helaas ontdekte ik al gauw dat de vogels die bij ons op de dijk langs de IJssel bivakkeerden niet van het migrerende type waren. Ik zou dus…

>> lees verder op de website Schrijver in Frankrijk van Caspar Visser ‘t Hooft >>

Vakantie 2011 (3) – Beach love

I don’t like the beach, I used to say. But that was before I knew how to relax.

My early beach memories consist of being too hot, chewing sand and scratching myself due to the cheap perfume in the average sunscreen. And don’t forget the anxiety of being seen; I needed persistent reassurance that my breasts were properly concealed and no one was staring at my thighs.

Nowadays, I just lay there, naked or half naked, bathing in the light and luxuriating in the salty spray of the surf. A book is picked up every now and then, but usually only by the end of the day, when swimming has exhausted me. When I get hot, I carry some large rocks from the sea to my area of dryness, where I use them as pillows and footstools – they hold on to the water’s temperature for quite a while.

On my latest holiday I added another beach activity, one that is very common to writers and to people in general; the pastime of observation. When you no longer feel subjected to the eyes of others, your own eyes open wide. One day, I witnessed a very fat man with such an interest for a large semi-submerged rock, that I assumed he had discovered gold, but who, on closer inspection, was actually picking up the small snail like creatures living on the surface of the rock and eating them, right on the spot. The freshest seafood in town.

I also watched a man who, judging from the absence of tan lines, was accustomed to frolic around naked, and his girlfriend who obviously was not. After a long debate, she took of her bikini and rushed to the water and back, with her arms covering her tiny white breasts. And of course there were girls struggling with umbrella’s in the wind, teenage boys trying to impress whoever was impressionable by playing the idiotic game of hitting a ball back and forth, and overly cool men in their twenties, unwillingly slapping each other to apply the necessary sunscreen on their backs.

Needless to say: I never got bored. And more so: I think I finally belong to the majority of people who claim to love the beach.

Vakantie 2011 (2) – A letter to our neighbors in room 8

Dear neighbors,

Due to the paper thin walls in this charming hotel and the good condition of your vocal cords, we couldn’t help overhearing your recent attempts to communicate with each other and we were saddened by the end result (i.e. slamming doors and screaming). Please forgive us for being so bold, but we believe we might be of some service to you. Being professional writers, we have constructed and analyzed quite a few dialogues and have learned what makes speech and non-verbal communication effective. We decided to write down some free advice that might improve your skills.

To John: repeating the exact same phrase with the exact same intonation over and over again is not a good idea, unless you want your partner to think that you are mentally impaired or dangerously psycho. After saying: ‘Open the door now, Sarah!’, you might want to try: ‘Let me in please, so we can talk.’ Or: ‘Sarah dear, locking me out is not a solution. Please open the door, so we can look each other in the eye.’ Your next phrase: ‘All right, I’m off!’ did not contain sufficient amounts of information for your partner to draw any conclusions. If you had said: ‘I can hear you are really angry right now, so I’m going to leave you alone for a bit and will be back in half an hour,’ Sarah might have understood your point of view. Or you could have tried: ‘I’m too angry to talk at the moment. See you in a bit.’ However your action, leaving, was a good move in our opinion. It gave you both some time to cool off.

To Sarah: trying to win a debate while hysterically crying is generally speaking not an efficient tactic. It’s better to breath in deep to calm yourself and stick to short and easy phrases, like: ‘Please leave me alone for a while.’ Or: ‘I can’t talk right now.’ Another pointer: you have a strong tendency to interrupt your partners speech, but when you ask a question like ‘Why do you always blame me?’ and someone is actually in the act of trying to answer that question, you will not speed things up by interrupting him with the question ‘Why do you always blame me?’ (By the way, you both fall for these endless repetitions and we wondered: who started it? )

As we couldn’t figure out what you were fighting over, we don’t know whether Sarah had the moral right to temporarily lock John out, but as one last bit of advice to both of you we would like to say: yelling with a closed door between you is not recommendable. It brings out the worst in you, and in your neighbors.

Regards, Claire and Daniel.

Vakantie 2011 (1)

Week 1
Heb je het water afgesloten? De taxi neemt deze route anders nooit – zo doet hij er veel te lang over. Jij hebt mijn instapkaart, toch? Help me onthouden dat ik volgende keer geen broek met een riem aantrek als ik moet vliegen, dat gedoe ook altijd. De kamer is wel wat kleiner dan ik had verwacht en ze hebben niet eens ontbijt. Waarom gaan die mensen pal naast ons liggen – het hele strand is nog vrij! Schiet op, anders missen we het bootje en dan moeten we weer een uur wachten. Nee, ik wil niet zomaar ergens eten, ik wil dat we in het beste tentje op het eiland eten, want mijn vakantiedagen zijn schaars. Heb jij ook de hele nacht wakker gelegen van het gezoem van die koelkast?

Week 2

Laten we nog een fles water kopen, anders hebben we onderweg zo’n dorst. Er is een bus om elf uur en om half een, mij maakt het niet uit, maar de laatste terug is om half zeven. Zie je dat stelletje daar, nog helemaal wit, die zijn vast net aangekomen. Wat wil je voor lunch, weer zo’n Griekse salade of liever een dakos of een fava? Mijn dromen worden steeds intenser hier, heb jij dat ook?

Week 3

Dit is veruit het beste zeewater waarin ik ooit gezwommen heb. Zand of kiezels, ze hebben allebei hun voordelen. Kijk eens naar die aders in het marmer, stenen kunnen echt beeldschoon zijn. Ik neem maar weer eens een duik. Je bent net een geit, zoals je over die rotsen klautert, maar wel een heel sexy geit. Fijn, een stuk brood van gisteren, zo hoeven we ons niet eens aan te kleden. Hoeveel zonsondergangen hebben we inmiddels al gezien – ik ben de tel kwijt.

Californië

Het eerder zo smetteloze tafelblad is bezaaid met flessen en glazen. Vier echtparen drinken waar ze zin in hebben: witte wijn, rode wijn, champagne en wodka. Boven hun hoofden hangen tientallen heliumballonnen, in zwart en roze, en op hun borden liggen de resten van boekweit blini’s met kaviaar. Af en toe pikt iemand nog een stuk gerookte zalm van een schaal of loopt een roker naar buiten voor een sigaret. Het is oudejaarsavond in Californië, georganiseerd door onze Poolse gastvrouw.
‘Wat zijn jullie goede voornemens?’ vraagt de twintig jaar jongere echtgenote van een succesvolle Engelse componist.
Gekreun rondom de tafel – groepsgesprekken hoor je niet af te dwingen – maar nu de levendige dialogen zijn stilgevallen, moeten ze wel.
De componist neemt de aftrap en spreekt over zijn voornemen liever te zijn. Het is duidelijk geen belofte aan zijn vrienden: hij zegt het bijna op commando, omdat zijn jonge vrouw het van hem verwacht. Vervolgens moedigt hij haar aan zelf te spreken.
‘In 2010 ben ik moeder geworden,’ zegt ze, ‘en dit jaar hoop ik met nog meer overgave en aandacht voor mijn dochter te kunnen zorgen.’
De aanwezigen knikken beleefd en richten hun blik op de zanger die naast haar zit, de recent uit New York gearriveerde buurman van onze gastheer.
‘Ja, daar voel ik ook wel wat voor. Ik kreeg een zoon het afgelopen jaar.’ Hij kijkt naar zijn vrouw die haar mobieltje naast haar bord heeft gelegd om geen tekstbericht van de oppasser te hoeven missen. ‘Mijn voornemen is om hem ter inspiratie te zijn.’
Zijn vrouw neemt het stokje over: ‘Ja. Het is dit jaar heel simpel: ik wil een betere mammie zijn voor ons kind.’
Op de achtergrond klinkt dansmuziek. Ik neem nog een slok wodka en wissel blikken uit met mijn eigen man en met de gastheer en –vrouw die net als wij kinderloos zijn. Durft iemand nog een voornemen uit te spreken waarin geen zelfopoffering wordt beloofd?
‘2011 wordt het jaar waarin ik mijn moeder eindelijk zal vergeven voor het feit dat ze mij zo schaamteloos heeft verwend,’ zegt mijn man.
Even is het stil en dan barsten we allemaal in lachen uit.

Brussel (2) – Op zoek naar de Grote Markt

‘Hoe ver is het lopen, vanaf hier naar het centrum?’ vroeg ik aan de eerste de beste voetganger die ik op de stoep tegenkwam.
‘Waar wil je precies naartoe?’ vroeg ze. Vanonder haar gehaakte muts keken twee vrolijke ogen mij aan.
‘Eigenlijk ben ik gewoon een beetje aan het rondlopen,’ bekende ik.
‘Dan maakt het toch niet uit hoe lang je erover doet?’
‘Ik wilde weten of het een reële optie was naar de Grote Markt gaan. Te voet. Een wandeling met een doel gaat mij meestal toch beter af.’

En zo ging ik met een paar vage aanwijzingen van deze vriendelijke Belg op stap. Een goed half uur had ze voorspeld. Een makkie dus. De vorige avond was ik in het donker met een taxi vanaf station Midi naar de studio gebracht en ik had geen idee waar ik me bevond. De bandleden hadden de wijk XL genoemd, wat ik een zeer moderne naam vond voor een wijk, totdat ik op de eerste straathoek de naam uitgespeld zag staan: Ixelles, oftewel: Elsene.

Ik passeerde een groot ziekenhuis met aan weerszijden twee bloemenwinkels en twee begrafenisondernemers – ziekte en dood brachten brood op de plank. Hoe dichter ik bij de stadskern kwam, hoe levendiger het straatbeeld. De Arabische fruit-en groentehoekjes maakten plaats voor cafés en winkels met ouderwetse puien van Singer naaimachines en drogisterijen.

Verleid door een zijstraat, verliet ik de weg die mij was aangeraden en daalde ik verder af. Brussel is een heuvelachtige stad. Om erdoorheen te lopen moet je voortdurend klimmen of trapjes af. Uiteindelijk was ik natuurlijk verdwaald en stond ik ineens oog in oog met het Europees parlement. Nou, dan had ik dat mooi ook eens gezien.

Een Duitse toerist hielp mij weer op weg zodat ik, na ruim anderhalf uur lopen,  het Koningsplein bereikte, waar schoolkinderen in de rij voor het Magritte Museum stonden en ik op een bordje de naam ‘Zavel’ las. Als ik geweten had, hoe dichtbij de Grote Markt was, zou ik niet opnieuw voor een omweg hebben gekozen, maar ik wist het niet en volgens een paar FB-vrienden was Zavel de moeite van het bezichtigen waard. Ik  veranderde opnieuw van koers om deze wijk te bezoeken.

Inmiddels begon het al donker te worden. Zou ik de Grote Markt nog bereiken? Misschien was het beter rechtsomkeert te maken, aangezien er ook nog een berg werk op me lag te wachten. Juist op het moment dat ik besloot weer naar Ixelles terug te keren, verschenen de bordjes die me naar mijn beoogde doel beloofden te brengen. Vooruit dan. Op het nippertje vergaapte ik me aan de klassieke herenhuizen aan het beroemde plein. Het moet gezegd: het stadhuis van Brussel kan aan dat van Parijs tippen.

Brussel (2) – Op zoek naar de Grote Markt

‘Hoe ver is het lopen, vanaf hier naar het centrum?’ vroeg ik de eerste de beste voetganger die ik op de stoep tegenkwam.

‘Waar wil je precies naartoe?’ vroeg ze. Vanonder haar gehaakte muts keken twee vrolijke ogen mij aan.

‘Eigenlijk ben ik gewoon een beetje aan het rondlopen,’ bekende ik.

‘Dan maakt het toch niet uit hoe lang je erover doet?’

‘Ik wilde weten of het een reële optie was naar de Grote Markt gaan. Te voet. Een wandeling met een doel gaat mij meestal toch beter af.’

En zo ging ik met een paar vage aanwijzingen van deze vriendelijke Belg op stap. Een goed half uur had ze voorspeld. Een makkie dus. De vorige avond was ik in het donker met een taxi vanaf station Midi naar de studio gebracht en ik had geen idee waar ik me bevond. De bandleden hadden de wijk XL genoemd, wat ik een zeer moderne naam vond voor een wijk, totdat ik op de eerste straathoek de naam uitgespeld zag staan: Ixelles, oftewel: Elsene.

Ik passeerde een groot ziekenhuis met aan weerszijden twee bloemenwinkels en twee begrafenisondernemers – ziekte en dood brachten brood op de plank. Hoe dichter ik bij de stadskern kwam, hoe levendiger het straatbeeld. De Arabische fruit-en groentehoekjes maakten plaats voor cafés en winkels met ouderwetse puien van Singer naaimachines en drogisterijen.

Verleid door een zijstraat, verliet ik de weg die mij was aangeraden en daalde ik verder af. Brussel is een heuvelachtige stad. Om erdoorheen te lopen moet je voortdurend klimmen of trapjes af. Uiteindelijk was ik natuurlijk verdwaald en stond ik ineens oog in oog met het Europees parlement. Nou, dan had ik dat mooi ook eens gezien.

Een Duitse toerist hielp mij weer op weg zodat ik, na ruim anderhalf uur lopen, uiteindelijk het Koningsplein bereikte, waar schoolkinderen in de rij voor het Magritte Museum stonden en ik op een bordje de naam Zavel las. Als ik geweten had, hoe dichtbij de Grote Markt was, zou ik niet opnieuw voor een omweg hebben gekozen, maar ik wist het niet en volgens een paar FB-vrienden was Zavel de moeite van het bezichtigen waard, dus veranderde ik opnieuw van koers om deze wijk te bezoeken.

Een uur later kondigde mijn volle blaas een pitstop aan en warmde ik mij in een theewinkel aan een veel te hete groene thee die eigenlijk op zeventig graden bereid had moeten zijn. Als troost nam ik er een fondant au chocolat bij, wat een chocolademousse bleek te zijn. Tja, ik was in Brussel, niet in Japan of Parijs, ik had een wafel moeten nemen.

Inmiddels begon het al donker te worden. Zou ik de Grote Markt nog bereiken? Misschien was het beter rechtsomkeert te maken, aangezien er ook nog een berg werk op me lag te wachten. Juist op het moment dat ik besloot weer naar Ixelles terug te keren, verschenen de bordjes die me naar mijn beoogde doel zouden kunnen brengen. Vooruit dan. Op het nippertje vergaapte ik me aan de klassieke herenhuizen aan het beroemde plein. Het moet gezegd: het stadhuis van Brussel kan aan dat van Parijs tippen.

Brussel

Ik ben in Brussel en het sneeuwt. Grote vlokken dalen op de grijze binnenplaats neer. Alleen dwarrelend zijn ze nog wit. Zodra ze de grond raken, gaan ze op in een doorzichtige film die de kinderkopjes onder het garagelicht laat schitteren.
Vlak bij mij zit mijn man achter de knoppen van een geluidsbord om de door hem in oktober opgenomen liedjes te mixen. Twee onrustige bandleden hangen om hem heen. Roken mogen ze niet en praten evenmin. Af en toe gaat er een vinger in de lucht om aan te geven dat er op dat punt in de muziek iets moet gebeuren. Wanneer er een vuist omhoog komt of twee in elkaar gehaakte handen, betekent het juist dat het beoogde effect is bereikt. Ik begin hun taal te verstaan.
Straks zullen we ergens wat gaan eten. Dan ontmoet ik de overige bandleden en hun vriendinnetjes, een familie die deze herfst is geboren en naar alle waarschijnlijkheid dit voorjaar weer zal sterven. Zo gaat dat met producenten en hun bands. Het is onmogelijk uit iedere samenwerking een blijvende vriendschap te persen.
Schrijvers hebben het wat dat betreft gemakkelijker; wanneer je geen intieme banden hoeft aan te gaan om iets te kunnen creëren, hoef je die banden later ook niet door te snijden.