Symposium (Jolimont 6)

Or what I took away from the mountain.

jolimontThe evening began with a fire. Under the doubtful eyes of four city men, our sturdy Swiss host constructed a pyramid of twigs. He showed no fear of the rain clouds overhead. Inside the house, eight pairs of hands were busy preparing and when the flames died down, various meats and vegetables were put on the grill. The fumes of smoke circled up in the air as a sign to the valley-people that life up on the mountain was good. Later, during dinner, stories and invitations flooded the tables and when the glasses were empty, our whole party moved up to the floor where the wine bottles were kept.
The evening began a second time in the music room. The host and his father took up their positions from years ago, facing each other across two grand pianos. They communicated in their own private language that was nonetheless understood by all. Later, a guitarist joined and another, and then some timid drumming was added and some even more timid singing. It all became clear that we hadn’t gathered to eat together – it was for the music, that we were there.
The evening began yet again around an antique table. After the musicians had grown tired and we had all gathered around a plate of Azerbejdżanian baklava, the uncle of the Polish hostess suddenly tapped his glass. “We will all speak!” he decided. “One by one. About what it means to be here.” And for reasons that became obvious to me later, he chose me to begin.
Of course I was nervous, put on the spot like that, but fortunately I had written something about the mountain the day before. So I quickly recounted my story about languages, the privilege to hear people compose, and the lingua franca of music. Before I knew it, my turn had passed and a cynical guest surprised me by opening up about the emotions he had felt earlier that night. As the circle continued, the stories became more and more personal. One guest returned to the guitar, a second spoke about the beautiful glimpses of family life he had envied and yet another confessed how much he missed his friends in his new town.
The more the others spoke, the more I regretted my own words. How presumptuous of me to have mentioned that I was a writer and therefore not trained for public speech, how cold of me to have quoted something I had written before, how rude of me to have forgotten to thank the hosts. The evening had turned into Plato’s symposium and my failure was weighing heavily on me: I had forgotten to use the word love!
For a moment I considered asking for a second chance. I had to prove that I was just as warm-blooded and touched as the others, but before I could gather up the courage, the host and hostess took over; they were intentionally chosen by the uncle to be the last to speak. They thanked us for having come to their mountain and expressed the hope that we would all take something away with us when we left. Something that would help us cherish and pursue our own special gifts.
Their words soothed me instantly. I didn’t need to speak eloquently about love; the others had done so already. I didn’t need to be better at public speaking. After all: I was a writer, which was perhaps less of a presumptuous statement than a plain fact. I could write about love anytime I wanted in any words I choose. All I needed to do was to silence my critical self and observe. And so the evening began once more.

Den Haag – Oorverdovende geschiedenis (2)

Ik fiets over de Scheveningseweg naar het centrum, een weg die volgens de geschiedenisboeken al eeuwen bestaat in de vorm van een wandel- en karrepad waarover de vissersvrouwen in manden de vangst van hun vissersmannen naar de markt vervoerden. Dankzij het verlangen naar een “zeestraat” van de dichter (en politieke secretaris) Constantijn Huijgens (vader van de nog beroemdere wetenschapper Christiaan Huijgens) is het pad in 1665 in een heuse geplaveide weg veranderd. Ook reed hier in 1864 de eerste paardentram vanaf de Kneuterdijk naar Scheveningen, dat toen nog bestond uit een vissersdorp en een aparte badplaats.

Wanneer ik het Vredespaleis passeer, denk ik aan de tsaar Nicolas II, die door gebrek aan vermogen bekend is geworden als vroege pacifist; hij kon de wapenwedloop niet langer betalen en stelde daarom in 1899 een vredesconferentie voor. Ik rijd verder de stad in, langs de Koninklijke stallen, waar de Koninklijke paarden verzorgd worden en de Gouden Koets ongeduldig op zijn septemberritje wacht – en al bestaat Prinsjesdag sinds 1814, de rit vindt pas sinds 1903 in dit rijtuig plaats.

Bij de Grote Kerk stap ik af, zodat ik rustig langs de omliggende gebouwen kan struinen. Misschien straks een kopje koffie drinken bij ‘t Goude Hooft, een herberg die sinds de Middeleeuwen bestaat en in 1934 voor het laatst is verbouwd? Ik blijf in ieder geval niet lang hangen voor de gevangenpoort, waar mensen tot 1806 opgesloten hebben gezeten, en waar in de keldergewelven duizenden botten zijn gekraakt, gewrichten zijn kapotgeknuppeld, duimschroeven zijn aangedraaid en brandmerken zijn gezet.

Op het Binnenhof toetert de lange historie van de Hollandse graven in mijn hoofd: Floris IV en zijn jachtterrein, Willem II die door de Friezen werd vermoord, Floris V en zijn Ridderzaal. Ik probeer aan het geweld te ontkomen, via het Spui, via het Korte Voorhout, via het Plein – maar kan geen kant op. Mijn bloed klopt, mijn slapen bonken: de geschiedenis van Den Haag is overal en oorverdovend.

Den Haag – Thuis in het bed van een ander (1)

Sinds een week verblijven mijn man en ik in Den Haag, in het statige pand  van een ruimhartige tante en oom die zelf op vakantie in Bretagne zijn. Mijn volgende roman is deels gesitueerd in de Archipelbuurt van deze politieke hoofdstad en het leek me verstandig hier eens wat rond te struinen; mijn kennis van Den Haag reikte niet veel verder dan Panorama Mesdag, Het Binnenhof en het rudimentaire Monopoly-register.

De woning ligt in een rustige straat van het Statenkwartier, op steenworpafstand van zowel het macabere Joegoslavië tribunaal als de gemoedelijke Frederik Hendriklaan – ook wel de Fred genoemd, voor ingewijden, al klink je bij het gebruik van die afkorting wellicht even oubollig als wanneer je  “Boul Mich” zegt en je Boulevard St. Michel bedoelt. In dit ruime huis van drie verdiepingen hebben mijn tante en oom vier kinderen groot gebracht en omdat het wel erg leeg aanvoelde toen die allemaal waren uitgevlogen, wonen er nu doordeweeks (behalve tijdens de vakantie) twee meisjes die een dansopleiding op het Haagse conservatorium volgen. Hun kamers hebben roze muren en dekbedovertrekken met bloemen erop.

De eerste paar dagen liepen mijn man en ik wat onwennig door de ruimtes; het huis was ons schoon en met een gebruiksaanwijzing aangeboden, en toch voelde het alsof wij op slinkse wijze andermans plaats hadden ingenomen. Als indringers woonden we tussen de gestreepte handdoeken, intieme familiekiekjes, beduimelde boeken en halflege kruidenpotjes waar de vingerafdrukken van anderen nog opzaten. Steeds wanneer mijn handen naar een stuk zeep, het toiletpapier, of de fles olijfolie reikten, voelde ik gêne – overbodig wellicht, want ik had nadrukkelijk toestemming gekregen overal gebruik van te maken, tot en met een garderobe vol jassen aan toe, en die alledaagse producten zijn eenvoudig te vervangen. Toch leek het ondenkbaar dat we bij warm weer in de slaapkamer van mijn tante en oom zouden gaan liggen, ook al hadden ze ons bij hun vertrek op het hart gedrukt dat we dat vooral moesten doen, want de zolder werd zomers nu eenmaal heet en lakens konden toch gewoon gewassen worden?

Gelukkig wende het huis snel. Ik opende een nieuw flesje balsamico azijn. Ik schoof een paar potjes crème op een plank in de badkamer opzij. Ik reorganiseerde de koffiekopjes en mokken in de keukenkast. En toen het kwik vorige week de dertig graden bereikte, smolten mijn scrupules en namen we met overgave de hoofdslaapkamer in. Gisterenavond vond uiteindelijk de finale van onze inauguratie plaats: na een diner bij kaarslicht en donderslagen, zetten we de muziek (van Gainsbourg tot Cee-lo) een toontje luider en begonnen we te dansen. Eerst op het stuk parket tussen voorkamer en zitkamer. Vervolgens rondom de marmeren tafel en in de lange hal. Uiteindelijk met blote voeten op het enorme kleed tussen de zwarte leren banken. En nee, we hebben niet op de stoelen gedanst, want dat zouden we bij ons in Parijs ook niet doen, maar we vergaten wel even dat we hier te gast zijn. Gisterenavond waren we gewoon thuis.

Het migrerende type

Reizigers bestaan in alle soorten en maten, maar zijn met een beetje goede wil in twee categorieën te verdelen: de idealistische en de verzamelende reizigers.

Idealistische reizigers zijn op zoek naar de perfectie van een ideaalbeeld. Ze zoeken de droomberg, de droomstad, de droomwoestijn en omdat niets met het ideaal samenvalt, raken ze steeds teleurgesteld. Als een idealistische reiziger zou vinden wat hij zocht, zou hij het reizen opgeven en op zijn droomplek blijven.

Verzamelende reizigers zijn op zoek naar de uniciteit van het banale. Ze vergelijken bergen, steden of woestijnen en stellen met genoegen vast dat ze allemaal anders zijn. Verzamelende reizigers kunnen niet teleurgesteld raken, want ze vinden overal wel iets uitzonderlijks. Als verzamelaars van curiosa raken ze nooit uitgereisd.

Zelf behoor ik tot de laatste categorie. Van kinds af aan ben ik benieuwd geweest naar daarginds. Niet omdat het daar beter zou zijn, maar simpelweg omdat het daar anders was. Een land waar de zon altijd schijnt, je niet op tijd naar bed hoeft en niemand je tijdens het lezen stoort, bestond misschien niet. Een land vol nieuwe ervaringen wel.

Na het lezen van van Nils Holgerssons avonturen  droomde ik ervan zelf op de rug van een gans mee te vliegen. Het leek mij een prima manier om de wereld te verkennen. Dat ik nog geen kabouter had gevonden om mij te kunnen verkleinen, was bijzaak. Een gans zou het zijn. Helaas ontdekte ik al gauw dat de vogels die bij ons op de dijk langs de IJssel bivakkeerden niet van het migrerende type waren. Ik zou dus…

>> lees verder op de website Schrijver in Frankrijk van Caspar Visser ‘t Hooft >>

Vakantie 2011 (1)

Week 1
Heb je het water afgesloten? De taxi neemt deze route anders nooit – zo doet hij er veel te lang over. Jij hebt mijn instapkaart, toch? Help me onthouden dat ik volgende keer geen broek met een riem aantrek als ik moet vliegen, dat gedoe ook altijd. De kamer is wel wat kleiner dan ik had verwacht en ze hebben niet eens ontbijt. Waarom gaan die mensen pal naast ons liggen – het hele strand is nog vrij! Schiet op, anders missen we het bootje en dan moeten we weer een uur wachten. Nee, ik wil niet zomaar ergens eten, ik wil dat we in het beste tentje op het eiland eten, want mijn vakantiedagen zijn schaars. Heb jij ook de hele nacht wakker gelegen van het gezoem van die koelkast?

Week 2

Laten we nog een fles water kopen, anders hebben we onderweg zo’n dorst. Er is een bus om elf uur en om half een, mij maakt het niet uit, maar de laatste terug is om half zeven. Zie je dat stelletje daar, nog helemaal wit, die zijn vast net aangekomen. Wat wil je voor lunch, weer zo’n Griekse salade of liever een dakos of een fava? Mijn dromen worden steeds intenser hier, heb jij dat ook?

Week 3

Dit is veruit het beste zeewater waarin ik ooit gezwommen heb. Zand of kiezels, ze hebben allebei hun voordelen. Kijk eens naar die aders in het marmer, stenen kunnen echt beeldschoon zijn. Ik neem maar weer eens een duik. Je bent net een geit, zoals je over die rotsen klautert, maar wel een heel sexy geit. Fijn, een stuk brood van gisteren, zo hoeven we ons niet eens aan te kleden. Hoeveel zonsondergangen hebben we inmiddels al gezien – ik ben de tel kwijt.

Californië

Het eerder zo smetteloze tafelblad is bezaaid met flessen en glazen. Vier echtparen drinken waar ze zin in hebben: witte wijn, rode wijn, champagne en wodka. Boven hun hoofden hangen tientallen heliumballonnen, in zwart en roze, en op hun borden liggen de resten van boekweit blini’s met kaviaar. Af en toe pikt iemand nog een stuk gerookte zalm van een schaal of loopt een roker naar buiten voor een sigaret. Het is oudejaarsavond in Californië, georganiseerd door onze Poolse gastvrouw.
‘Wat zijn jullie goede voornemens?’ vraagt de twintig jaar jongere echtgenote van een succesvolle Engelse componist.
Gekreun rondom de tafel – groepsgesprekken hoor je niet af te dwingen – maar nu de levendige dialogen zijn stilgevallen, moeten ze wel.
De componist neemt de aftrap en spreekt over zijn voornemen liever te zijn. Het is duidelijk geen belofte aan zijn vrienden: hij zegt het bijna op commando, omdat zijn jonge vrouw het van hem verwacht. Vervolgens moedigt hij haar aan zelf te spreken.
‘In 2010 ben ik moeder geworden,’ zegt ze, ‘en dit jaar hoop ik met nog meer overgave en aandacht voor mijn dochter te kunnen zorgen.’
De aanwezigen knikken beleefd en richten hun blik op de zanger die naast haar zit, de recent uit New York gearriveerde buurman van onze gastheer.
‘Ja, daar voel ik ook wel wat voor. Ik kreeg een zoon het afgelopen jaar.’ Hij kijkt naar zijn vrouw die haar mobieltje naast haar bord heeft gelegd om geen tekstbericht van de oppasser te hoeven missen. ‘Mijn voornemen is om hem ter inspiratie te zijn.’
Zijn vrouw neemt het stokje over: ‘Ja. Het is dit jaar heel simpel: ik wil een betere mammie zijn voor ons kind.’
Op de achtergrond klinkt dansmuziek. Ik neem nog een slok wodka en wissel blikken uit met mijn eigen man en met de gastheer en –vrouw die net als wij kinderloos zijn. Durft iemand nog een voornemen uit te spreken waarin geen zelfopoffering wordt beloofd?
‘2011 wordt het jaar waarin ik mijn moeder eindelijk zal vergeven voor het feit dat ze mij zo schaamteloos heeft verwend,’ zegt mijn man.
Even is het stil en dan barsten we allemaal in lachen uit.

Brussel (2) – Op zoek naar de Grote Markt

‘Hoe ver is het lopen, vanaf hier naar het centrum?’ vroeg ik aan de eerste de beste voetganger die ik op de stoep tegenkwam.
‘Waar wil je precies naartoe?’ vroeg ze. Vanonder haar gehaakte muts keken twee vrolijke ogen mij aan.
‘Eigenlijk ben ik gewoon een beetje aan het rondlopen,’ bekende ik.
‘Dan maakt het toch niet uit hoe lang je erover doet?’
‘Ik wilde weten of het een reële optie was naar de Grote Markt gaan. Te voet. Een wandeling met een doel gaat mij meestal toch beter af.’

En zo ging ik met een paar vage aanwijzingen van deze vriendelijke Belg op stap. Een goed half uur had ze voorspeld. Een makkie dus. De vorige avond was ik in het donker met een taxi vanaf station Midi naar de studio gebracht en ik had geen idee waar ik me bevond. De bandleden hadden de wijk XL genoemd, wat ik een zeer moderne naam vond voor een wijk, totdat ik op de eerste straathoek de naam uitgespeld zag staan: Ixelles, oftewel: Elsene.

Ik passeerde een groot ziekenhuis met aan weerszijden twee bloemenwinkels en twee begrafenisondernemers – ziekte en dood brachten brood op de plank. Hoe dichter ik bij de stadskern kwam, hoe levendiger het straatbeeld. De Arabische fruit-en groentehoekjes maakten plaats voor cafés en winkels met ouderwetse puien van Singer naaimachines en drogisterijen.

Verleid door een zijstraat, verliet ik de weg die mij was aangeraden en daalde ik verder af. Brussel is een heuvelachtige stad. Om erdoorheen te lopen moet je voortdurend klimmen of trapjes af. Uiteindelijk was ik natuurlijk verdwaald en stond ik ineens oog in oog met het Europees parlement. Nou, dan had ik dat mooi ook eens gezien.

Een Duitse toerist hielp mij weer op weg zodat ik, na ruim anderhalf uur lopen,  het Koningsplein bereikte, waar schoolkinderen in de rij voor het Magritte Museum stonden en ik op een bordje de naam ‘Zavel’ las. Als ik geweten had, hoe dichtbij de Grote Markt was, zou ik niet opnieuw voor een omweg hebben gekozen, maar ik wist het niet en volgens een paar FB-vrienden was Zavel de moeite van het bezichtigen waard. Ik  veranderde opnieuw van koers om deze wijk te bezoeken.

Inmiddels begon het al donker te worden. Zou ik de Grote Markt nog bereiken? Misschien was het beter rechtsomkeert te maken, aangezien er ook nog een berg werk op me lag te wachten. Juist op het moment dat ik besloot weer naar Ixelles terug te keren, verschenen de bordjes die me naar mijn beoogde doel beloofden te brengen. Vooruit dan. Op het nippertje vergaapte ik me aan de klassieke herenhuizen aan het beroemde plein. Het moet gezegd: het stadhuis van Brussel kan aan dat van Parijs tippen.

Brussel (2) – Op zoek naar de Grote Markt

‘Hoe ver is het lopen, vanaf hier naar het centrum?’ vroeg ik de eerste de beste voetganger die ik op de stoep tegenkwam.

‘Waar wil je precies naartoe?’ vroeg ze. Vanonder haar gehaakte muts keken twee vrolijke ogen mij aan.

‘Eigenlijk ben ik gewoon een beetje aan het rondlopen,’ bekende ik.

‘Dan maakt het toch niet uit hoe lang je erover doet?’

‘Ik wilde weten of het een reële optie was naar de Grote Markt gaan. Te voet. Een wandeling met een doel gaat mij meestal toch beter af.’

En zo ging ik met een paar vage aanwijzingen van deze vriendelijke Belg op stap. Een goed half uur had ze voorspeld. Een makkie dus. De vorige avond was ik in het donker met een taxi vanaf station Midi naar de studio gebracht en ik had geen idee waar ik me bevond. De bandleden hadden de wijk XL genoemd, wat ik een zeer moderne naam vond voor een wijk, totdat ik op de eerste straathoek de naam uitgespeld zag staan: Ixelles, oftewel: Elsene.

Ik passeerde een groot ziekenhuis met aan weerszijden twee bloemenwinkels en twee begrafenisondernemers – ziekte en dood brachten brood op de plank. Hoe dichter ik bij de stadskern kwam, hoe levendiger het straatbeeld. De Arabische fruit-en groentehoekjes maakten plaats voor cafés en winkels met ouderwetse puien van Singer naaimachines en drogisterijen.

Verleid door een zijstraat, verliet ik de weg die mij was aangeraden en daalde ik verder af. Brussel is een heuvelachtige stad. Om erdoorheen te lopen moet je voortdurend klimmen of trapjes af. Uiteindelijk was ik natuurlijk verdwaald en stond ik ineens oog in oog met het Europees parlement. Nou, dan had ik dat mooi ook eens gezien.

Een Duitse toerist hielp mij weer op weg zodat ik, na ruim anderhalf uur lopen, uiteindelijk het Koningsplein bereikte, waar schoolkinderen in de rij voor het Magritte Museum stonden en ik op een bordje de naam Zavel las. Als ik geweten had, hoe dichtbij de Grote Markt was, zou ik niet opnieuw voor een omweg hebben gekozen, maar ik wist het niet en volgens een paar FB-vrienden was Zavel de moeite van het bezichtigen waard, dus veranderde ik opnieuw van koers om deze wijk te bezoeken.

Een uur later kondigde mijn volle blaas een pitstop aan en warmde ik mij in een theewinkel aan een veel te hete groene thee die eigenlijk op zeventig graden bereid had moeten zijn. Als troost nam ik er een fondant au chocolat bij, wat een chocolademousse bleek te zijn. Tja, ik was in Brussel, niet in Japan of Parijs, ik had een wafel moeten nemen.

Inmiddels begon het al donker te worden. Zou ik de Grote Markt nog bereiken? Misschien was het beter rechtsomkeert te maken, aangezien er ook nog een berg werk op me lag te wachten. Juist op het moment dat ik besloot weer naar Ixelles terug te keren, verschenen de bordjes die me naar mijn beoogde doel zouden kunnen brengen. Vooruit dan. Op het nippertje vergaapte ik me aan de klassieke herenhuizen aan het beroemde plein. Het moet gezegd: het stadhuis van Brussel kan aan dat van Parijs tippen.

Brussel

Ik ben in Brussel en het sneeuwt. Grote vlokken dalen op de grijze binnenplaats neer. Alleen dwarrelend zijn ze nog wit. Zodra ze de grond raken, gaan ze op in een doorzichtige film die de kinderkopjes onder het garagelicht laat schitteren.
Vlak bij mij zit mijn man achter de knoppen van een geluidsbord om de door hem in oktober opgenomen liedjes te mixen. Twee onrustige bandleden hangen om hem heen. Roken mogen ze niet en praten evenmin. Af en toe gaat er een vinger in de lucht om aan te geven dat er op dat punt in de muziek iets moet gebeuren. Wanneer er een vuist omhoog komt of twee in elkaar gehaakte handen, betekent het juist dat het beoogde effect is bereikt. Ik begin hun taal te verstaan.
Straks zullen we ergens wat gaan eten. Dan ontmoet ik de overige bandleden en hun vriendinnetjes, een familie die deze herfst is geboren en naar alle waarschijnlijkheid dit voorjaar weer zal sterven. Zo gaat dat met producenten en hun bands. Het is onmogelijk uit iedere samenwerking een blijvende vriendschap te persen.
Schrijvers hebben het wat dat betreft gemakkelijker; wanneer je geen intieme banden hoeft aan te gaan om iets te kunnen creëren, hoef je die banden later ook niet door te snijden.

Intermezzo – Londen – I.M. M.B.

Hoe cru kan het leven zijn?

Het is drie jaar geleden dat je Michael, een van je beste vrienden, hebt gezien. Tijdens een eerdere periode in je leven is hij een surrogaatvader voor je geworden en hebben jullie veel samengewerkt. Hij is ook muzikant, een beroemde zelfs, en jullie delen humor, rock’n roll en moeilijke karakters.
Je schreef een scenario met hem en maakte de eerste opnames van zijn zoon, die inmiddels in een zeer succesvolle band overal ter wereld optreedt. Fijn voor de zoon natuurlijk, maar toen jij twee jaar geleden trouwde en Michael als getuige wilde vragen, was hij op toernee met diezelfde band. Je zag elkaar wanneer het kon – na een concert in Parijs, op doorreis in Duitsland, op je enige vrije dag in L.A.
Eindelijk komt de band van de zoon weer eens naar Nederland – twee concerten in Utrecht en Zwolle en jij hebt een vrouw die in Bergen verblijft;  eindelijk zullen jullie elkaar weer zien. Maar er is nog een festival in België, twee dagen daarvoor, en daar krijgt Michael een fataal hartinfarct.

Mijn man en ik komen net terug van vierentwintig uur Londen waar we samen met de zoon en een besloten groep vrienden Michael hebben herdacht door in zijn favoriete Indiase restaurant te eten, om zijn favoriete stand-up comedian te lachen en daarna zijn favoriete whisky te drinken.
Michael; ik ken je vooral uit verhalen en had graag de tijd gekregen om naar jou te luisteren. Je surrogaatzoon zal je vreselijk missen.

Intermezzo (Tilburg)

Moeten we religies bestuderen om te begrijpen wie we zijn of wie we denken wie we zijn? Moet de politiek beter naar de wetenschap luisteren alvorens beslissingen te nemen of heeft de wetenschap te sterk haar eigen agenda? Zes op de tien Nederlanders vinden bezuinigingen op cultuur geen enkel probleem – hebben zij ongelijk?
Over deze en andere onderwerpen gingen gisteren drie knappe koppen op mijn alma mater met elkaar in debat; een theoloog, een wetenschapsfilosoof en een literatuurwetenschapper. Als een van de twee aanwezige alumni vertegenwoordigde ik de praktijk, al werd er uiteraard weinig over het schrijven van romans gesproken. Wel hadden we het over ethiek – waar haal je morele richtlijnen vandaan nu God voor velen in de samenleving dood is? (Het onderwerp van mijn eerste roman ‘De onfeilbare’)
Het zaaltje zat bomvol met bachelor studenten die overwogen een master cultuurwetenschappen te gaan volgen en ik was positief verrast door hun aandacht en kritische vragen. Deze generatie leek niet verlegen te zijn en gaat studeren vanuit oprechte interesse.
Uiteraard werd het debat besloten met enkele conclusies; zoals dat zowel de politiek als de wetenschap meer zouden moeten doen om samen te werken. Maar de vraag wat het verschil was tussen hoge en lage kunst, tussen literatuur en vermaak werd niet beantwoord – niemand durfde zijn handen aan een definitie te branden. Dat cultuur desalniettemin gesubsidieerd moest worden, daar waren we het denk ik wel allemaal over eens, maar goed, wij zaten daar dan ook in naam van die cultuur en diens wetenschap. Na een glas rosé of bier waren de plannen van Wilders gelukkig op slag weer vergeten.