Moeten we religies bestuderen om te begrijpen wie we zijn of wie we denken wie we zijn? Moet de politiek beter naar de wetenschap luisteren alvorens beslissingen te nemen of heeft de wetenschap te sterk haar eigen agenda? Zes op de tien Nederlanders vinden bezuinigingen op cultuur geen enkel probleem – hebben zij ongelijk?
Over deze en andere onderwerpen gingen gisteren drie knappe koppen op mijn alma mater met elkaar in debat; een theoloog, een wetenschapsfilosoof en een literatuurwetenschapper. Als een van de twee aanwezige alumni vertegenwoordigde ik de praktijk, al werd er uiteraard weinig over het schrijven van romans gesproken. Wel hadden we het over ethiek – waar haal je morele richtlijnen vandaan nu God voor velen in de samenleving dood is? (Het onderwerp van mijn eerste roman ‘De onfeilbare’)
Het zaaltje zat bomvol met bachelor studenten die overwogen een master cultuurwetenschappen te gaan volgen en ik was positief verrast door hun aandacht en kritische vragen. Deze generatie leek niet verlegen te zijn en gaat studeren vanuit oprechte interesse.
Uiteraard werd het debat besloten met enkele conclusies; zoals dat zowel de politiek als de wetenschap meer zouden moeten doen om samen te werken. Maar de vraag wat het verschil was tussen hoge en lage kunst, tussen literatuur en vermaak werd niet beantwoord – niemand durfde zijn handen aan een definitie te branden. Dat cultuur desalniettemin gesubsidieerd moest worden, daar waren we het denk ik wel allemaal over eens, maar goed, wij zaten daar dan ook in naam van die cultuur en diens wetenschap. Na een glas rosé of bier waren de plannen van Wilders gelukkig op slag weer vergeten.
Intermezzo (Tilburg)
Roland Holst Huis – Bergen (1)
Met de hogesnelheidstrein van Parijs naar Amsterdam. Vandaar met een gewone trein (hoe romantisch zou het zijn als ik hier kon schrijven: boemeltrein) naar Alkmaar en vandaar met de bus naar Bergen.
Ik ben er nooit eerder geweest. Alles wat ik van Noord-Holland ken zijn de havenplaatsjes aan de Oostkant: Monnickendam, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik. Als kind bracht ik mijn zomervakanties door op de boot van mijn vader, die meestal in de Zeeuwse wateren voer, maar soms ook wel op het IJsselmeer. Nu ik hier een maand verblijf, wil ik (naast lange dagen schrijven) de plaatsen van mijn jeugd bezoeken in de hoop dat ik ze herken.
Herhaaldelijke blootstelling (Ibiza 2010)
Begin juli vlogen mijn man en ik voor het derde achtereenvolgende jaar naar Ibiza.
Rond middernacht werden we vanaf het vliegveld in een jeepachtig voertuig genaamd Betsy opgehaald door MD, de chef en regelneef van Huize Henry. Hij reed ons linea recta naar KM5 waar een deel van de crew 2010 bij de orkabar op ons wachtte.
Omdat de villa waarin we logeren direct gelieerd is aan een opnamestudio, verblijven er ieder jaar andere muzikanten en songwriters. Dit jaar maakte ik kennis met een blonde krullenbol en Australiër, die zijn debuutalbum aan het opnemen was en met de Spaanse engineer die eerder achter de knoppen zat voor Michael Jackson. Verder liep er nog een Amerikaanse vriend van MD rond, die later in de armen zou belanden van de Russische Schone uit Zweden, die pas een week later zou arriveren. Te midden van dit zooitje ongeregeld dronken we onze eerste cocktails.
De avond zette de toon voor de rest van de vakantie, die overigens pas echt begon toen onze vrienden uit Stockholm en Rotterdam arriveerden. Overdag reden we met de Mini naar het strand, waar we onder de parasol lagen en zwommen in het kwallenvrije water van de Middellandse Zee. ’s Avonds aten we in de ons bekende restaurants en bestelden we onze favorieten van nimmer veranderende menukaarten: zeewiersalade bij Bambuddha, biologische salade bij La Paloma, vegetarische tapas bij Destino. En in de tussentijd hingen we op het terras voor het huis rond, zogenaamd om te roken en te wachten, maar toch vooral om te lachen en elkaar te leren kennen.
Wat me de eerste twee jaar zo gestoord had (de bevlooide katten, de stinkende handdoeken, de stapels vaat) bleek overkomelijk, want ik had ervoor gezorgd dat onze slaapkamer een deur kreeg en had eigen handdoeken en lakens meegenomen. En de vaat? Ach, als je niet in de keuken kwam, zag je niets en in de Spaanse hitte had je zelden honger.
Er waren nachten waarop we Rebeka Brown’s Disco Drama bezochten @ Amnesia en backstage met de dansers flirtten. En er waren nachten waarop de motor van Betsy het begaf en we, wachtend op een taxi, stijve nekken kregen van het turen naar de sterren. Daarnaast waren er dagen waarop we bij Sa Caleta gemasseerd werden, het Nederlandse team in een oranje gekleurde Blue Marlin van Spanje zagen verliezen, naar zonsondergang keken bij Es Vedra en giechelden door te veel Sangria de Cava.
Na mijn eerste verblijf op Ibiza beweerde ik: ‘Dit eiland is niets voor mij.’ Na mijn tweede bezoek vond ik dat we het jaar erop beslist ergens anders naartoe moesten. En nu hoop ik dat we er volgend jaar langer kunnen blijven dan twee weken. Na herhaaldelijke blootstelling aan Ibiza ben ook ik verliefd geworden.
Symposium (Jolimont 6)
Or what I took away from the mountain.
The evening began with a fire. Under the doubtful eyes of four city men, our sturdy Swiss host constructed a pyramid of twigs. He showed no fear of the rain clouds overhead. Inside the house, eight pairs of hands were busy preparing and when the flames died down, various meats and vegetables were put on the grill. The fumes of smoke circled up in the air as a sign to the valley-people that life up on the mountain was good. Later, during dinner, stories and invitations flooded the tables and when the glasses were empty, our whole party moved up to the floor where the wine bottles were kept.
The evening began a second time in the music room. The host and his father took up their positions from years ago, facing each other across two grand pianos. They communicated in their own private language that was nonetheless understood by all. Later, a guitarist joined and another, and then some timid drumming was added and some even more timid singing. It all became clear that we hadn’t gathered to eat together – it was for the music, that we were there.
The evening began yet again around an antique table. After the musicians had grown tired and we had all gathered around a plate of Azerbejdżanian baklava, the uncle of the Polish hostess suddenly tapped his glass. “We will all speak!” he decided. “One by one. About what it means to be here.” And for reasons that became obvious to me later, he chose me to begin.
Of course I was nervous, put on the spot like that, but fortunately I had written something about the mountain the day before. So I quickly recounted my story about languages, the privilege to hear people compose, and the lingua franca of music. Before I knew it, my turn had passed and a cynical guest surprised me by opening up about the emotions he had felt earlier that night. As the circle continued, the stories became more and more personal. One guest returned to the guitar, a second spoke about the beautiful glimpses of family life he had envied and yet another confessed how much he missed his friends in his new town.
The more the others spoke, the more I regretted my own words. How presumptuous of me to have mentioned that I was a writer and therefore not trained for public speech, how cold of me to have quoted something I had written before, how rude of me to have forgotten to thank the hosts. The evening had turned into Plato’s symposium and my failure was weighing heavily on me: I had forgotten to use the word love!
For a moment I considered asking for a second chance. I had to prove that I was just as warm-blooded and touched as the others, but before I could gather up the courage, the host and hostess took over; they were intentionally chosen by the uncle to be the last to speak. They thanked us for having come to their mountain and expressed the hope that we would all take something away with us when we left. Something that would help us cherish and pursue our own special gifts.
Their words soothed me instantly. I didn’t need to speak eloquently about love; the others had done so already. I didn’t need to be better at public speaking. After all: I was a writer, which was perhaps less of a presumptuous statement than a plain fact. I could write about love anytime I wanted in any words I choose. All I needed to do was to silence my critical self and observe. And so the evening began once more.
Jolimont (5)
De andere gasten zijn gearriveerd. Een recruiter-vrouw met haar man (arts) en zesjarige dochter uit Polen, een ander Pools koppel (werkzaam in marketing en bankwezen) met hun twee kinderen en een half Amerikaans half Zuid-Afrikaans homostel uit New York die beiden voor satelliettelevisie werken. Zojuist kwamen daar nog een oom en tante uit Frankrijk (in dienst van de VN) en twee vrienden uit Oostenrijk (muzikanten) bij en gezamenlijk zullen we straks een vuur maken en verhalen uitwisselen.
De taalverwarring die, wonend in Frankrijk en getrouwd met een Amerikaan, vaak op de achtergrond aanwezig is, neemt hier interessante vormen aan. Een op een kan ik Frans spreken met de ouders van de Zwitser, Nederlands met de Zuid-Afrikaan, Duits met de vrienden uit Oostenrijk, gebarentaal met de kinderen en Engels met de rest. Maar afhankelijk van de constellatie moet er steeds opnieuw een lingua franca gekozen worden, want geen enkele taal wordt door alle aanwezigen goed gesproken.
Ik ben benieuwd naar wat er vanavond gaat gebeuren als de tongen onder invloed van de vreemde woorden en te veel wodka in de knoop raken. Mijn vermoeden is: muziek maken en zingen; de lingua franca van alle tijden.
Jolimont (4)
Op een heuvel in Zwitserland, vijfhonderd meter boven het dorp Erlach, staat een huis waarin ik sinds donderdag verblijf. Ver van enig verkeer, omringd door bergen en met een uitzicht over akkers, bossen en meren, is dit de ideale plaats om tot rust te komen.
Zoiets moet ook de vader van mijn gastheer gedacht hebben toen hij als jongeman de heuvel opklom, met zijn rug tegen de stam van een boom ging zitten en het huis in zich opnam. De familielegende wil dat hij daar urenlang zat en zijn toekomst droomde. Eindelijk had hij het huis gevonden waarin hij zijn idealen zou kunnen verwerkelijken. Hier zou een muziekschool verrijzen waar moeilijk opvoedbare kinderen met kamermuziek en noestige huisarbeid voor het leven klaargestoomd konden worden.
Halverwege de jaren zestig opende de school zijn deuren en kwamen duizenden leerlingen logeren. Soms voor een week en soms voor zes maanden. Men sprak er Frans, Duits en Italiaans en speelde er fluit, piano en viool. De oprichter trouwde met een van de instructrices en stichtte een gezin met vier muzikale kinderen. Na meer dan dertig gloedvolle jaren werd hij getroffen door een hersenbloeding. Hij herstelde grotendeels, maar begreep niet meer goed wat er om hem heen gebeurde. Vanaf die tijd leefde hij in het verleden, waar alles helder was.
Eerst vond ik zijn geschiedenis tragisch, maar hoe meer ik erover nadenk, hoe mooier ik het ga vinden. Deze man heeft een leven waarin hij maar liefst driemaal zijn gloriedagen mag beleven: eerst als toekomstdroom, dan als realiteit en nu als herinnering. Geen wonder dat hij voortdurend vrolijk is.
(Voor eerdere berichten uit 2009 over Jolimont, lees dit, dit en dit.)
Athene (3)
In het land waar Pallas Athene eeuwenlang is vereerd, buigen de meeste mensen nu hun hoofd voor de heiligen van de Grieksorthodoxe kerk. Nieuwsgierig naar hun praktijken stapte ik, met bedekte schouders, de kathedraal in.
Religies fascineren me. Op psychologisch niveau en door hun symboliek, twee aspecten die uiteraard met elkaar samenhangen. Gewend aan de op de borst en het voorhoofd geslagen kruisjes en de halfslachtige buiginkjes die katholieken elders in Europa maken, was ik verbaasd de toewijding van de Grieken te zien; voor iedere afbeelding of plakkaat bleven ze murmelend staan en gaven er vervolgens een kus op. Geen zoen in de lucht, maar een echte kus. Alle schilderijen van Jezus, Maria en de andere (half)goden gingen derhalve verborgen achter smoezelig glas met lipafdrukken. Ik ben benieuwd wat er gebeurt als er hier een keer een dodelijk griep uitbreekt.
De kerk zelf was ook de moeite waard, met draken, sfinxen en een afbeelding van een vrouw die verdacht veel op Pallas Athena leek (die zelf overigens weer verdacht veel op Isis leek, een Egyptische godin die we tegenwoordig vooral kennen in de vorm van het Vrijheidsbeeld in de haven van New York). Achter het altaar troonde een stralende in goud afgebeelde piramide, hèt embleem van de Illuminati.
Heerlijk zo’n religie, die zich niets aantrekt van waar een god of symbool vandaan komt en alles incorporeert dat tot de verbeelding spreekt. Het enige verschil tussen de oude en nieuwe verhalen is immers de status: een scheppingsverhaal is een geloof zolang er gelovigen zijn. Zodra de laatste ophoudt in het verhaal te geloven wordt het een mythe.

