De Helling (5) – Het ‘Grote Verhaal’, tussen mythe en waarheid

De zomerstop is voorbij; jij terug uit het Noorden, ik uit het Zuiden; onze discussie kan verdergaan.

De Franse filosoof Lyotard verkondigde in 1979 het einde van de Grote Verhalen en stond daarmee aan de wieg van het postmodernisme. Hij bedoelde dat het Westen zijn vertrouwen had verloren in de politieke en filosofische ‘metaverhalen’ die onze maatschappelijke ontwikkelingen altijd hebben beïnvloed en gelegitimeerd. Zo’n Groot Verhaal is bijvoorbeeld het communisme/marxisme (dat in Frankrijk veel later verworpen is dan elders in het Westen), maar ook de Verlichting en het liberalisme. Lyotard’s verkondiging doet inmiddels wat cliché aan; we zijn gewend geraakt aan relativisme, aan 1001 meningen zonder waarheidspretenties, aan de anything-goes-moraal van onze maatschappij, maar omdat jij het Grote Verhaal ter sprake brengt als iets wat jou aan de politiek bindt, ga ik er graag op in. Je bent niet de enige die naar de Grote Verhalen teruggrijpt omdat je de scepsis en het morele vacuüm beu bent. Het egocentrische verhaal van het kapitalisme heeft ons in een karige, van zin verstoken wereld achtergelaten.

>> Lees verder op de site van De Helling >>

Daniel en Claire lezen de krant

NRC Handelsblad – Donderdag 2 augustus & Vrijdag 3 augustus 2012

Op de voorpagina een foto van Syrische vluchtelingen. Een tekst geeft uitleg over welke buurlanden tentenkampen hebben geopend: Jordanië, Libanon, Turkije. Direct daaronder een kleurrijke advertentie van NRC-reizen: “Unieke bootreis Athene, Istanbul & de Zwarte Zee.” Ik sla de pagina snel om.

“What’s that about Lisbon?” Daniel leest geen Nederlands, wel krantenkoppen.
“It’s about how the Portuguese perceive the Olympics during the crisis, according to a Dutch correspondent.”
“Never mind.”

“What’s a ‘hoer’?”
“Sorry, this article actually seems interesting – I have to read it, so I can’t do any ironic simultaneous translations for you. It’s something about Brussels and the harassment of women.”

Het stukje over het broodje-kip-protest vertaal ik integraal: tegenstanders van het homohuwelijk in de VS steunen de Christelijke directeur van Chick-fil-A door in rijen voor de deur te staan en zijn broodjes te consumeren. Homoactivisten roepen op om naar de filialen te komen om daar te gaan zoenen. “What a great marketing technique,” zegt Daniel.

Een foto van een Nederlandse onderzeeër met een piratenhoofd erop. Een foto van een protestkamp van Somaliërs. Op de wetenschapspagina staat iets over de luiaard en zijn evenwichtsorgaan. Dan de cultuurpagina’s. Bij een artikel over een toneelgroep die zijn subsidie verliest, is een foto geplaatst van een man in een te groot mouwloos hemd, die in zijn oog staat te wrijven met een lampenkap op zijn hoofd. “Is this newspaper trying to say it’s a good thing – to cut off the arts?” vraagt mijn man geschokt.

“Meer dan de helft van Amerika is uitgeroepen tot rampgebied…” lees ik in het Engels voor.
Daniel: “What’s new?”

Wanneer ik de voorpagina van het Cultureel Supplement zie met de raadselachtige kop “Batavierenrock, Nederlandse folkmetal van Heidevolk” blader ik razendsnel terug naar pagina 2  en laat ik mijn man de top tien beste films aller tijden raden – als ik de naam van de regisseur noem en het jaartal waarin de film verscheen, raadt hij er zeven goed.

Mijn tante ontvangt slechts twee kranten per week – daar ben ik blij om.

Institut Néerlandais per 1 januari 2015 gesloten?

In februari besloot het Institut Néerlandais te stoppen met de programmering van maatschappelijke debatten en literatuur avonden. Bezuinigingen maakten het noodzakelijk de activiteiten in te krimpen. Ik was toen verontwaardigd en teleurgesteld. Dit weekend ontving ik een e-mail met het bericht dat het instituut per 2015 zal worden opgeheven – een besluit van demissionair minister Rosenthal en zijn op reces zijnde parlement.

Pardon? Wat een gehaaste, idiote gang van zaken! Even tussen neus en lippen door (demissionair, reces) zo’n besluit nemen – is dat rechtsgeldig, democratisch? De Raad van Toezicht van het instituut is meteen opgestapt en de directie heeft besloten een bezwaarschrift in te dienen. Ze vragen, heel terecht, om de uitvoering van het besluit op te schorten tot na de verkiezingen, want volgens hen is onvoldoende vastgesteld waarom opheffing noodzakelijk is. Naar aanleiding van de aangekondigde bezuinigingen had het instituut juist een eigen beleid opgesteld met  alternatieve oplossingen en het (deels al in uitvoering zijnde) plan zich verder te professionaliseren wat betreft fondswerving. Dat culturele activiteiten in New York en Berlijn vanuit de Nederlandse ambassade worden georganiseerd is geen goed argument om een onafhankelijk cultureel huis dat sinds 1957 veel internationaal aanzien heeft in Parijs te sluiten. Ambassades opereren veel meer onder invloed van de politiek – gedurfde exposities of debatten zie ik daar niet georganiseerd worden. Daarnaast is het instituut meer dan een doorgeefluik van cultuur. Margot Dijkgraaf schrijft (op Facebook, maar wellicht ook in het NRC): “Het heeft ook een makelaarsfunctie waarbij Franse en Nederlandse organisaties aan elkaar worden gekoppeld en wederzijds ervaringen worden uitgewisseld en know how gedeeld. En het Institut is de ontmoetingsplaats voor kunstenaars, beleidsmakers, historici, academici – maar vooral voor de gewone Fransman en de gewone Nederlander.” Dat laatste kan ik beamen; veel van mijn contacten in Frankrijk heb ik dankzij het instituut ontmoet.

Ik hoop van harte dat aan het bezwaarschrift gehoor wordt gegeven en een nieuw kabinet deze herfst overtuigd kan worden van het belang van het Institut Néerlandais. Bezuinigingen zijn noodzakelijk, maar dat is geen reden om een culturele koningin respectloos de kop af te hakken.

Schoonheid

Een wakkere zaterdagmiddag vol ongenadige zon. Mijn lief en ik leggen met moeite de pennen neer en sjokken op sandalen naar het Jardin du Luxembourg. We durven het niet aan om een driedaags weekend binnen te blijven met dit weer; de zon zou zich eens beledigd kunnen gaan voelen.

Het park is bezaaid met picknickende stedelingen en gidsbestuderende toeristen. Vlakbij een drinkwaterfonteintje  vinden we twee luie stoelen op een verhoging met een bries. We zinken neer en openen onze lectuur. Hij: The Virgin Suicides (Jeffrey Eugenides). Ik: Light Years (James Salter). Bij iedere derde zin die ik lees, moet ik aan mijn eigen roman denken en maak ik een potloodnotitie in het speciaal daarvoor meegenomen schriftje. Wanneer je in een schrijfbui gaat zitten lezen, kun je namelijk niet lezen; dan schrijf je gewoon via de woorden van anderen verder.

Na een half uur geef ik het op en maak ik een wandeling, mijn lief in zijn stoel achterlatend. Schreeuwende stemmen lokken me naar het hek toe aan de kant van het Pantheon. ‘Moordenaar,’ roepen de stemmen. Dichterbij hoor ik wie er volgens hen een moordenaar is: AirFranc-KLM. Dat klinkt als een intrige waar ik meer van wil weten.

Ik loop het park uit en de demonstratie in. Niet meer dan tien mensen met megafoons roepen hun boodschap naar ongeïnteresseerde voorbijgangers. Ik spreek een jongen aan met roze haar, neusringen, tatoeages. Hij staat me uiterst vriendelijk te woord en overhandigt me een tweetalige flyer. Air France-KLM vervoert laboratoriumdieren en brengt grote hoeveelheden apen uit Mauritius naar Europese martelhuizen. En daar moeten ze mee stoppen, vindt hij. Ik knik meelevend – als vegetariër draag ik dierenrechtenactivisten een warm hart toe.

Een minuut later neem ik afscheid van de moordernaarroepende minimeute en vervolg mijn wandeling, nu mijmerend over laboratoriumdieren. Is Air France-KLM schuldig aan het misbruiken en doden van dieren? Als ze het vervoer zouden stopzetten, neemt een andere compagnie het geheid over. Beter dus om de laboratoriums zelf tot boeman te maken. Maar die zullen de schuldvraag graag nog een stap verleggen en beweren dat het aan de overheid en de consumenten ligt. De overheid staat immers geen medicijnen toe die niet zijn getest en de consumenten willen graag schoon zijn – daarom kopen ze allerlei cosmetische prut. Als er geen vraag is, zal er ook geen aanbod meer zijn, is de redenering.

Ik kijk naar de consumenten in het park: dat wij ziek worden en medicijnen nodig hebben is niet altijd onze schuld, maar waarom willen we allemaal graag zo schoon zijn? Het antwoord volgt snel: omdat de media ons een ideaalbeeld voorspiegelt. Aha! Dus de media zijn de moordenaars! Maar zijn de media niet gewoon spreekbuizen? Spreekbuizen van glamour en glorie. Van Hollywood. Als Hollywood wat vaker gewone mensen zou casten en geen sterren zou produceren, zouden wij allemaal niet zo schoon hoeven zijn. Maar dan kom ik op gevaarlijk terrein, want wie maakt Hollywood? De schrijvers. Zonder schrijvers, geen films. Bijna iedere film die ik tegenwoordig zie is gebaseerd op een roman. Ben ik als schrijver een moordenaar van apen? Er moet een fout in mijn redenering zijn geslopen.

Vertwijfeld ga ik weer bij mijn lief zitten, in een luie stoel. ‘Wie is er nou toch schuldig,’ vraag ik hem, nadat ik hem mijn dilemma uit de doeken heb gedaan. Hij glimlacht geruststellend: ‘Het is de schoonheid zelf, lieverd. Wij mensen kunnen er niets aan doen. Het is altijd het idee zelf.’ Ik knik, het is acceptabel en begrijpelijk, maar wie gaat het de apen uitleggen?

De Helling (4) – Emotionele politiek

Mijn reactie op ‘Waar dumpen we ons geboorteoverschot‘ van Hagar Roijackers.

Optimisme versus egoïsme

Een discussie over overbevolking – dat is wat ik wilde. Maar het lijkt alsof het blijft steken in de vraag of het probleem überhaupt wel bestaat. Jij verwees naar Juffermans’ e-boek, waarvoor dank. Henk Daalder vond dat de aarde nog veel meer mensen aan kan, zolang we maar zuiniger worden; een debat is volgens hem niet nodig. Ook op jouw stukje reageerden betrokkenen verdeeld. Zoals altijd zijn de data van demografen en andere wetenschappers op verschillende manieren te interpreteren. Het enige waarover we het eens lijken te zijn: met de huidige consumptiepatronen en een bevolkingsgroei raakt de aarde overbelast.
Ik wil best meegaan in de veronderstelling dat de aarde in theorie nog miljarden meer mensen kan dragen. Maar tussen theorie en praktijk gaapt een groot gat. In de praktijk zijn wij Westerse mensen namelijk egoïstisch. Natuurlijk zou het geweldig zijn als we allemaal zuiniger werden, een superoplossing, maar ik vind hem wat optimistisch. Want zolang het niet verboden is plofkippen te eten of je televisie dag en nacht aan te hebben, doen de meeste mensen gewoon waar ze zin in hebben. Als we onze voetafdruk zonder vrijheidinperkende wetten onvoldoende kunnen verkleinen, moeten we toch eens kijken naar het aantal Nederlanders. Want: verbruik = voetafdruk x aantal inwoners.

Mag voortplanting politiek zijn?

Jij schreef: “Ik vind het als moeder ook lastig om iets dat zo´n persoonlijke en emotionele kant heeft maatschappelijk of politiek te maken.” Ik begrijp je terughoudendheid, want waar ligt de grens tussen zelfbeschikking en wettelijke bepalingen? Giorgio Agamben heeft de gevaren van een biopolitiek helder beschreven; zodra de overheid zich het recht toe-eigent over leven en dood te beschikken, worden de juridische verschillen tussen een rechtsstaat en een concentratiekamp steeds kleiner. Maar aan de andere kant: Nederland bemoeit zich al lang met leven en dood. We hebben wetgeving over IVF en euthanasie; toch ook emotionele onderwerpen. Waarom mag de politiek zich niet verder met voortplanting bemoeien?

>> Lees verder op de site van De Helling >>

De Helling (3) – Consumentengroei

Clairetown en Hagar-ville bestaan om goede redenen nog niet. Onze zogenaamde utopieën zouden tot tirannie of uitsluiting leiden. De wet van de onbedoelde gevolgen bepaalt, dat wie het goede nastreeft met onvoorziene consequenties te maken kan krijgen en zo onbedoeld het kwade veroorzaakt. Moeten we dan ophouden naar verbetering te streven?

Natuurlijk niet. Ook ik voel de reflex om problemen aan te pakken. Ik geloof alleen niet in definitieve oplossingen of analyses met zekerheidsgaranties. Iedereen maakt fouten. Iemand die nooit een vergissing toegeeft of weleens radicaal een andere weg inslaat, vertrouw ik niet. Je moet jezelf zo nu en dan durven tegenspreken – van misvatting naar misvatting worden we wijzer.

Maar van politieke partijen wordt juist duidelijkheid en standvastigheid verwacht. Waar staan jullie voor? Waar vechten jullie tegen? En gevaarlijker: welke oplossingen worden in het programma opgenomen omdat er draagkracht voor bestaat en welke worden terzijde geschoven omdat ze minder populair zijn?

>> Lees verder op de site van De Helling >>

De Helling (2) – Tussen revolutie en interpretatie

Wil ik een revolutie? Dat vroeg jij mij vorige week en daar moest ik even over nadenken. Een revolutie is een plotselinge verandering in een bestaande toestand (1) of een gewelddadige wisseling van de politieke macht (2). Een revolutie in de eerste betekenis is vaak illusoir: veranderingen zijn zelden plotseling – wanneer we een omwenteling waarnemen is er meestal een lang en onzichtbaar proces aan vooraf gegaan. Een revolutie in de tweede betekenis heeft zelden het gewenste verloop of de beoogde resultaten; het werkelijke veranderingsproces moet dan namelijk nog plaatsvinden. Dus, nee, ik wil geen revolutie. De werkelijkheid is in mijn ogen te complex en te onbuigzaam om ingrijpende metamorfosen met radicale instrumenten af te kunnen dwingen. Ik richt mij liever op de perceptie van de werkelijkheid.

Schrijven is waarnemen en analyseren; schrijven is de manier waarop ik contact heb met de wereld. Marx meende…  >>> lees verder >>>

Bezuinigingen en het Institut Néerlandais

Gisteravond was ik aanwezig bij wat misschien de (voorlopig) laatste literaire avond is geweest van het Institut Néerlandais in Parijs. Het was al langer bekend dat ook deze culturele organisatie de bezuinigingen van het kabinet Rutte niet zou kunnen ontlopen, maar vrijwel niemand wist nog waar gekort zou worden. Totdat Ariejan Korteweg zijn artikel in de Volkskrant publiceerde en bekend maakte dat het instituut  flink moet inleveren, waardoor de taalafdeling met opheffen wordt bedreigd en literaire avonden en debatten waarschijnlijk tot het verleden behoren.

Mij werd gevraagd of ik dat erg vond en het antwoord was natuurlijk ‘ja’. Maar waarom precies?

In de ruim tien jaar dat ik in Parijs woon, ben ik zeker een paar honderd keer naar het instituut gegaan. Meestal was dat om gebruik te maken van de bibliotheek, die een rustige werkplek biedt, een zeer uitgebreide collectie kunstboeken bevat en veel Nederlandse tijdschriften op de planken heeft staan. Toch was ik ook minstens een paar keer per jaar te vinden op de literaire avonden, want de gasten en onderwerpen waren vaker dan niet te boeiend om aan me voorbij te laten gaan. Tijdens het informele gedeelte, na het interview of gesprek, dat eerst nog gepaard ging met hapjes en drankjes en later alleen nog met een drankje, heb ik veel auteurs ontmoet. Het formele gedeelte riep altijd wel een vervolgvraag op die een gemakkelijke insteek bleek om mensen aan te spreken, ook als die Adriaan van Dis, Cees Nooteboom of Oek de Jong heetten. Soms voelde ik mij op die avonden zelfs onderdeel worden van het literaire wereldje – geen onaangename ervaring voor een auteur die buiten de grenzen van haar moedertaal leeft. Voor mij  zal de opheffing van de afdeling die dit allemaal organiseert, dus zeker een gemis zijn.

Erger is het uiteraard voor het instituut en de medewerkers, die wellicht te maken krijgen met gedwongen ontslagen of lijden onder een gevoel van verslagenheid: tientallen jaren hebben talloze mensen met elkaar samengewerkt om een reputatie op te bouwen, die nu met een pennenstreek wordt afgeschreven. Mijn sympathie gaat uit naar de direct betrokkenen.

En hoe jammerlijk is het voor de rest van Nederland? Voor Frankrijk? Het Institut Néerlandais is het grootste Nederlandse culturele instituut in het buitenland. Het vervult een rol als ambassadeur van de kunst; het is een cultureel gezicht van ons land. Op dit moment blijven de kunstbibliotheek en de expositieruimte gelukkig gespaard – misschien omdat Nederland beter bekend staat als een land van architectuur en moderne kunst, dan als een land van letteren. Maar als het instituut Nederlandse literatuur niet langer kan promoten en Franse bezoekers derhalve niet langer kan interesseren voor onze auteurs, wat zal er dan gebeuren met de  bekendheid van de Nederlandse letteren in Frankrijk?

Is het bedroevender dat een theatergroep in Amsterdam wordt opgeheven of dat wij hier onze literaire avonden verliezen? Is het beter een ondergeschoven kindje te helpen of de broer te steunen die ook zonder hulp overeind kan blijven? Ik kan geen oordeel vellen over wie subsidie het hardste nodig heeft of het meeste verdient – daarvoor heb ik simpelweg te weinig informatie. Het zou natuurlijk fijn zijn helemaal nergens te hoeven bezuinigen, maar die optie hebben we niet, tenzij we straks een andere regering verkiezen. Hella Haasse, die gisteren op het instituut werd geëerd met een vertoning van een documentaire en met een scherp en liefdevol debat, heeft haar hele leven geprobeerd om geen zwart-wit meningen te verkondigen en altijd de nuance te bewaren. Daar neem ik graag een voorbeeld aan.

(Lees ook: Zwanenzang van het Franse huis voor schrijvers uit de Pays-Bas, in NRC)

De Helling (1) – Waarom staan we (niet) aan de zijlijn?

Vandaag een blog van Hagar Roijackers en mij op de site van De Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks.

Waarom staan we (niet) aan de zijlijn?

Hagar: “De zijlijn past niet bij me. Ik vervloek de dag dat het dagelijkse nieuws me niet meer aangrijpt. Dat ik nonchalant word over oneerlijkheid, vervuiling, corruptie en misbruik. Blijkbaar is het een hardnekkige identificatie, die ik deel met veel GroenLinksers: het willen bestrijden van wat schade toebrengt aan mensen en aan de natuur.” Het vervolg >>

Claire: “Ik sta aan de zijlijn, want ik hoor niet graag bij een groep. Politieke partijen hebben naast standpunten waarmee ik instem ook altijd standpunten waarmee ik niet instem. Als ik lid zou worden, ben ik gedwongen me aan te passen en compromissen te sluiten. Daar houd ik niet van.” Het vervolg >>

Met het oog op goed leven

Universiteiten hebben een hoge status, daarover lijken we het allemaal wel eens te zijn. Maar hebben ze ook nut?

Dit weekend ontving ik een boekje van mijn alma mater, die toen ik daar begon te studeren de Katholieke Universiteit Brabant heette en nog tijdens mijn studie werd omgedoopt tot Universiteit van Tilburg. Inmiddels is Tilburg University de officiële naam, een naam die (terecht) ambitie uitdrukt.

Het boekje is geschreven door Professor Erik Borgman, een auteur die gek genoeg niet op het omslag vermeld staat, en draagt de titel Met het oog op goed leven, Cobbenhagen en onze universitaire cultuur. Uit het voorwoord van de voorzitter van het college van bestuur maak ik op dat het boekje onder andere gaat over ‘de waarden die wij als instelling willen koesteren en uitstralen’ en ik het als alumnus heb ontvangen, omdat het iets zegt ‘over hoe wij hopen dat zij in hun verdere leven omgaan met wat wij hun mee geven.’

Tot zover had ik nog niet echt de behoefte om verder te lezen, maar ik wilde het appèl op mijn verantwoordelijkheid als afgestudeerde van deze goedbedoelende universiteit niet negeren, en dus las ik door. Over het toegewijd zoeken naar het licht van inzicht en over de universiteit als een huis waar de hele wereld woont. Ik leerde dat kennis overbrengen alleen onvoldoende is en dat studenten gevormd moeten worden tot vakmensen die iets aan de maatschappij kunnen bijdragen. Ook stond er zwart op wit dat wetenschap wel degelijk een maatschappelijk belang heeft, zelfs als het directe nut niet onmiddellijk zichtbaar is. Zeer vernieuwend allemaal. Het stukje geschiedenis, waarin het gedachtegoed van Martinus Cobbenhagen (grondlegger van de Handelshogeschool die later Tilburg University zou worden) gekoppeld werd aan dat van Wilhelm von Humboldt en John Henry Newman, was in deze context ronduit enerverend.

Natuurlijk is zo’n boekje een goed initiatief, ik ben bereid om trots te zijn op het idee, maar ik vrees dat het niet de uitwerking zal hebben die het bestuur beoogde. Als de verscheidenheid aan disciplines zo belangrijk is, het creatieve aspect van de improvisatie, het vertegenwoordigen van pluriforme visies – waarom dan een boekje van één hoogleraar? En dan nog wel een theoloog met een enigszins oubollige, soms ronduit stichtelijke stijl? Waarom zijn er geen dwarse uitspraken van onderling respectvol strijdende onderzoekers opgenomen? Als het de bedoeling is dat er een debat ontstaat, op en buiten de campus, dan zijn stellingen die je met verve zou willen verdedigen of aanvallen wel zo handig. Uiteindelijk kunnen alumni het alleen maar gelaten eens zijn met de strekking van de laatste zin in het boekje, en met de bede die in Tilburg alle officiële academische bijeenkomsten opent:

‘Moge de Geest van wijsheid en barmhartigheid in ons allen groeien en tot volle wasdom komen.’

Mijn barmhartigheid is met dit boekje in ieder geval weer even op de proef gesteld.