De Helling (2) – Tussen revolutie en interpretatie

Wil ik een revolutie? Dat vroeg jij mij vorige week en daar moest ik even over nadenken. Een revolutie is een plotselinge verandering in een bestaande toestand (1) of een gewelddadige wisseling van de politieke macht (2). Een revolutie in de eerste betekenis is vaak illusoir: veranderingen zijn zelden plotseling – wanneer we een omwenteling waarnemen is er meestal een lang en onzichtbaar proces aan vooraf gegaan. Een revolutie in de tweede betekenis heeft zelden het gewenste verloop of de beoogde resultaten; het werkelijke veranderingsproces moet dan namelijk nog plaatsvinden. Dus, nee, ik wil geen revolutie. De werkelijkheid is in mijn ogen te complex en te onbuigzaam om ingrijpende metamorfosen met radicale instrumenten af te kunnen dwingen. Ik richt mij liever op de perceptie van de werkelijkheid.

Schrijven is waarnemen en analyseren; schrijven is de manier waarop ik contact heb met de wereld. Marx meende…  >>> lees verder >>>

Bezuinigingen en het Institut Néerlandais

Gisteravond was ik aanwezig bij wat misschien de (voorlopig) laatste literaire avond is geweest van het Institut Néerlandais in Parijs. Het was al langer bekend dat ook deze culturele organisatie de bezuinigingen van het kabinet Rutte niet zou kunnen ontlopen, maar vrijwel niemand wist nog waar gekort zou worden. Totdat Ariejan Korteweg zijn artikel in de Volkskrant publiceerde en bekend maakte dat het instituut  flink moet inleveren, waardoor de taalafdeling met opheffen wordt bedreigd en literaire avonden en debatten waarschijnlijk tot het verleden behoren.

Mij werd gevraagd of ik dat erg vond en het antwoord was natuurlijk ‘ja’. Maar waarom precies?

In de ruim tien jaar dat ik in Parijs woon, ben ik zeker een paar honderd keer naar het instituut gegaan. Meestal was dat om gebruik te maken van de bibliotheek, die een rustige werkplek biedt, een zeer uitgebreide collectie kunstboeken bevat en veel Nederlandse tijdschriften op de planken heeft staan. Toch was ik ook minstens een paar keer per jaar te vinden op de literaire avonden, want de gasten en onderwerpen waren vaker dan niet te boeiend om aan me voorbij te laten gaan. Tijdens het informele gedeelte, na het interview of gesprek, dat eerst nog gepaard ging met hapjes en drankjes en later alleen nog met een drankje, heb ik veel auteurs ontmoet. Het formele gedeelte riep altijd wel een vervolgvraag op die een gemakkelijke insteek bleek om mensen aan te spreken, ook als die Adriaan van Dis, Cees Nooteboom of Oek de Jong heetten. Soms voelde ik mij op die avonden zelfs onderdeel worden van het literaire wereldje – geen onaangename ervaring voor een auteur die buiten de grenzen van haar moedertaal leeft. Voor mij  zal de opheffing van de afdeling die dit allemaal organiseert, dus zeker een gemis zijn.

Erger is het uiteraard voor het instituut en de medewerkers, die wellicht te maken krijgen met gedwongen ontslagen of lijden onder een gevoel van verslagenheid: tientallen jaren hebben talloze mensen met elkaar samengewerkt om een reputatie op te bouwen, die nu met een pennenstreek wordt afgeschreven. Mijn sympathie gaat uit naar de direct betrokkenen.

En hoe jammerlijk is het voor de rest van Nederland? Voor Frankrijk? Het Institut Néerlandais is het grootste Nederlandse culturele instituut in het buitenland. Het vervult een rol als ambassadeur van de kunst; het is een cultureel gezicht van ons land. Op dit moment blijven de kunstbibliotheek en de expositieruimte gelukkig gespaard – misschien omdat Nederland beter bekend staat als een land van architectuur en moderne kunst, dan als een land van letteren. Maar als het instituut Nederlandse literatuur niet langer kan promoten en Franse bezoekers derhalve niet langer kan interesseren voor onze auteurs, wat zal er dan gebeuren met de  bekendheid van de Nederlandse letteren in Frankrijk?

Is het bedroevender dat een theatergroep in Amsterdam wordt opgeheven of dat wij hier onze literaire avonden verliezen? Is het beter een ondergeschoven kindje te helpen of de broer te steunen die ook zonder hulp overeind kan blijven? Ik kan geen oordeel vellen over wie subsidie het hardste nodig heeft of het meeste verdient – daarvoor heb ik simpelweg te weinig informatie. Het zou natuurlijk fijn zijn helemaal nergens te hoeven bezuinigen, maar die optie hebben we niet, tenzij we straks een andere regering verkiezen. Hella Haasse, die gisteren op het instituut werd geëerd met een vertoning van een documentaire en met een scherp en liefdevol debat, heeft haar hele leven geprobeerd om geen zwart-wit meningen te verkondigen en altijd de nuance te bewaren. Daar neem ik graag een voorbeeld aan.

(Lees ook: Zwanenzang van het Franse huis voor schrijvers uit de Pays-Bas, in NRC)

De Helling (1) – Waarom staan we (niet) aan de zijlijn?

Vandaag een blog van Hagar Roijackers en mij op de site van De Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks.

Waarom staan we (niet) aan de zijlijn?

Hagar: “De zijlijn past niet bij me. Ik vervloek de dag dat het dagelijkse nieuws me niet meer aangrijpt. Dat ik nonchalant word over oneerlijkheid, vervuiling, corruptie en misbruik. Blijkbaar is het een hardnekkige identificatie, die ik deel met veel GroenLinksers: het willen bestrijden van wat schade toebrengt aan mensen en aan de natuur.” Het vervolg >>

Claire: “Ik sta aan de zijlijn, want ik hoor niet graag bij een groep. Politieke partijen hebben naast standpunten waarmee ik instem ook altijd standpunten waarmee ik niet instem. Als ik lid zou worden, ben ik gedwongen me aan te passen en compromissen te sluiten. Daar houd ik niet van.” Het vervolg >>

Met het oog op goed leven

Universiteiten hebben een hoge status, daarover lijken we het allemaal wel eens te zijn. Maar hebben ze ook nut?

Dit weekend ontving ik een boekje van mijn alma mater, die toen ik daar begon te studeren de Katholieke Universiteit Brabant heette en nog tijdens mijn studie werd omgedoopt tot Universiteit van Tilburg. Inmiddels is Tilburg University de officiële naam, een naam die (terecht) ambitie uitdrukt.

Het boekje is geschreven door Professor Erik Borgman, een auteur die gek genoeg niet op het omslag vermeld staat, en draagt de titel Met het oog op goed leven, Cobbenhagen en onze universitaire cultuur. Uit het voorwoord van de voorzitter van het college van bestuur maak ik op dat het boekje onder andere gaat over ‘de waarden die wij als instelling willen koesteren en uitstralen’ en ik het als alumnus heb ontvangen, omdat het iets zegt ‘over hoe wij hopen dat zij in hun verdere leven omgaan met wat wij hun mee geven.’

Tot zover had ik nog niet echt de behoefte om verder te lezen, maar ik wilde het appèl op mijn verantwoordelijkheid als afgestudeerde van deze goedbedoelende universiteit niet negeren, en dus las ik door. Over het toegewijd zoeken naar het licht van inzicht en over de universiteit als een huis waar de hele wereld woont. Ik leerde dat kennis overbrengen alleen onvoldoende is en dat studenten gevormd moeten worden tot vakmensen die iets aan de maatschappij kunnen bijdragen. Ook stond er zwart op wit dat wetenschap wel degelijk een maatschappelijk belang heeft, zelfs als het directe nut niet onmiddellijk zichtbaar is. Zeer vernieuwend allemaal. Het stukje geschiedenis, waarin het gedachtegoed van Martinus Cobbenhagen (grondlegger van de Handelshogeschool die later Tilburg University zou worden) gekoppeld werd aan dat van Wilhelm von Humboldt en John Henry Newman, was in deze context ronduit enerverend.

Natuurlijk is zo’n boekje een goed initiatief, ik ben bereid om trots te zijn op het idee, maar ik vrees dat het niet de uitwerking zal hebben die het bestuur beoogde. Als de verscheidenheid aan disciplines zo belangrijk is, het creatieve aspect van de improvisatie, het vertegenwoordigen van pluriforme visies – waarom dan een boekje van één hoogleraar? En dan nog wel een theoloog met een enigszins oubollige, soms ronduit stichtelijke stijl? Waarom zijn er geen dwarse uitspraken van onderling respectvol strijdende onderzoekers opgenomen? Als het de bedoeling is dat er een debat ontstaat, op en buiten de campus, dan zijn stellingen die je met verve zou willen verdedigen of aanvallen wel zo handig. Uiteindelijk kunnen alumni het alleen maar gelaten eens zijn met de strekking van de laatste zin in het boekje, en met de bede die in Tilburg alle officiële academische bijeenkomsten opent:

‘Moge de Geest van wijsheid en barmhartigheid in ons allen groeien en tot volle wasdom komen.’

Mijn barmhartigheid is met dit boekje in ieder geval weer even op de proef gesteld.

De chemie van moraliteit: empathie en sociale media

Voor mijn volgende roman, met als werktitel DT, heb ik de afgelopen weken artikelen gelezen over altruïsme en de redenen die mensen kunnen hebben om elkaar te helpen. Veel goede daden blijken bij nadere inspectie op één lijn te liggen met ons eigenbelang.

We komen bijvoorbeeld voor onze familieleden op vanwege de bloedband. Via onze genen zijn we voorgeprogrammeerd om onze naasten te assisteren. Ook schijnen we zeer getraind te zijn om de goede daden van anderen te onthouden: altruïsme is vaak op wederkerigheid gebaseerd. Westerse donaties aan liefdadigheidsinstellingen zijn wellicht niets anders dan schamele vergoedingen voor koloniale exploitaties.

Afgelopen week kwam ik een voor mij nog onbekende invalshoek tegen: de chemie van moraliteit. In zijn TED Talk vertelt Paul Zak over het hormoon oxytocin en hoe dat ons gedrag beïnvloedt. Oxytocin is een molecuul dat alleen in zoogdieren voorkomt en vooral bekend is om de rol die het speelt in de binding tussen moeders en pasgeboren kinderen. Maar de aan- of afwezigheid van oxytocin in het bloed blijkt het gedrag van mensen ook op andere gebieden te sturen. In diverse psychologische testen, waarin mensen economisch geprikkeld werden, is aangetoond dat je de betrouwbaarheid van anderen hoger inschat en zelf guller bent, wanneer je veel oxytocin in je bloed hebt. Testosteron heeft daarentegen het tegenovergestelde effect.

Volgens Adam Smith, grondlegger van de economie en moraalfilosoof, zijn mensen sociale dieren. Onder gewone omstandigheden doen wij een ander liever geen pijn, omdat we de pijn van die ander ook zelf kunnen voelen. Alleen psychopaten zijn immuun voor de emoties van anderen. Ik vermoed dat Smith het uiterst interessant zou hebben gevonden, dat het ‘bewijs’ van onze empathie misschien in onze biologie gevonden kan worden.

Maar wat moeten we met deze informatie doen? Paul Zak meent dat we zouden kunnen proberen de armoede te bestrijden door het ‘wereldniveau’ van oxytocin te verhogen. In welvarende landen bestaat er namelijk meer wederzijds vertrouwen dan in arme landen en wederzijds vertrouwen is goed voor de economie. Hij pleit er daarom voor het oxytocin niveau met het volgende middel op te krikken:  acht omhelzingen per persoon per dag. Regelmatig dansen schijnt ook goed te zijn, evenals erotische handelingen uitvoeren en sportmassages ondergaan. Verrassend genoeg noemt hij ook deze, wat minder fysieke activiteit: vrienden op sociale netwerken ontmoeten. Tien minuten twitteren kan je oxytocin in je bloed verdubbelen. Sociale media vergroten je empathie? Laten we het hopen.

Polisse – de film

De speelfilm die in mei 2011 de Prix de Jury op het Cannes filmfestival won, is vorige week in Frankrijk in première gegaan. Wie er tegen kan zich twee uur in een rauwe werkelijkheid te laten onderdompelen en niet bang is voor beelden en dialogen die je doen zweten of rillen van verontwaardiging, moet Polisse absoluut gaan zien. Wie vreest te teergevoelig te zijn, kan beter eerst een scout naar de bioscoop sturen.

Polisse is een film over kindermishandeling en pedofilie en over de agenten die dag in dag uit met deze misdrijven in aanraking komen. Via talloze vignetten, die aan een documentaire doen denken, wordt er een beeld geschetst van een team in het Noorden van Parijs. We zien hoe zij verdachten verhoren en de ervaringen van slachtoffers zo nauwkeurig mogelijk optekenen. En we zien hoe ze zich tot elkaar verhouden en hun persoonlijke levens ontsporen.

De agenten lijken afgestompt door al het misbruik dat ze dagelijks op hun bord krijgen, en kunnen bot reageren op jonge meisjes, die met hun eigen seksualiteit te koop lopen, of op een dakloze moeder, die haar zoon wil afstaan in de hoop dat hij zo een beter leven zal krijgen. Tegelijk toont ieder van hen zich van zijn of haar gevoelige kant wanneer een specifiek verhaal te dichtbij lijkt te komen. Er wordt niets verteld over de achtergrond van de agenten, over hoe hun jeugd was of waarom zij voor dit beroep hebben gekozen, maar er wordt gesuggereerd dat er parallellen bestaan tussen hun levens en dat van de kinderen die ze proberen te helpen.

Soms leek het of de regisseuse en auteur van de film, Maïwenn, met een lijstje heeft bijgehouden of alle onderwerpen aan bod waren gekomen. Zigeuners die hun kinderen tot stelen aanzetten. Check. Man die zijn dochter wil uithuwelijken. Check. Vrouw die uit angst voor haar man nauwelijks durft te bekennen wat hij hun dochter aandoet. Check. En tegelijk besefte ik, dat je zo’n speelfilm misschien niet anders kunt maken dan met zo’n lijstje: als je een realistisch beeld wilt geven van de situatie, moet je aan zoveel mogelijk casussen aandacht besteden.

De levens van de agenten zelf weerspiegelen de pijn waarmee ze beroepsmatig geconfronteerd worden: veel gebroken gezinnen, veel echtelijke ruzies, veel eenzaamheid en frustraties. Heel af en toe zie je wat collegiale warmte of klinkt er een positieve noot door in de manier waarop de agenten het voor elkaar opnemen. Vaker vraag je je als kijker wanhopig af hoe mensen het volhouden zoveel voor anderen te doen wanneer ze zelf zoveel liefde tekort komen.

Polisse is een film die niet abstraheert. Verwacht geen filosofische gedachten over het slechte in de mens. Geen dialogen over schuld en boete. Polisse is een opeenstapeling van concrete, individuele verhalen, die zich niet terzijde laten schuiven. Na afloop besefte ik sterk mijn eigen, uiterst veilige positie. Ik heb geen kinderen over wie ik mij zorgen kan maken. Ik hoef niet dagelijks te zien waartoe mensen in staat zijn. Uit naïviteit of onmacht. Uit wreedheid of geldbejag. Ik schrijf alleen, over een wereld waar ik (als ik dit zie) nauwelijks deel van uitmaak – maar waar ik, dankzij films als deze, weer bij betrokken raak.

Meer informatie over Polisse op IMDB

Eeuwige kermis (7) – Idealisme

Betrokkenheid
Alleen willen zijn – is dat egoïstisch? Of kan het verlangen naar eenzaamheid waarover ik maandag een stukje schreef, samengaan met het naïeve verlangen de wereld te verbeteren?

Het lijkt een tegenstelling: het afgezonderde individu, dat niet in haar gedachten gestoord wil worden, en het betrokken individu, dat zich het lot van anderen aantrekt. Maar in werkelijkheid gaan die twee nogal eens samen. Connie Palmen drukt het als volgt uit: “Uiteindelijk staat de eenzaamheid van kunst, cultuur en wetenschap in dienst van de samenleving, en is het onmaatschappelijke, ijdele, competitieve individualisme van de enkeling die zich van de gemeenschap afzondert, de drijvende kracht achter de ontwikkeling van diezelfde gemeenschap.” (uit: Het geluk van de eenzaamheid) Eenzaamheid en betrokkenheid sluiten elkaar dus lang niet altijd uit.

Het cynisme van de antiheld
Maar is het genoeg je met de problemen in de wereld bezig te houden en anderen die te laten oplossen? Julia Hollander meent eerst van wel. Via haar documentaires wil zij de realiteit tonen en het is dus niet aan haar om die te veranderen. Bovendien wat kan zij doen? De ellende stroomt onophoudelijk bij haar naar binnen, via satellieten en breedbandverbindingen of ouderwets via de krant, maar ze is niet in staat het lijden te verlichten. De wereld is zo gecompliceerd geworden dat naïeve aalmoezen soms zelfs averechts werken: door een muntstuk in de hand van een invalide kleuter te drukken, draag je bij aan een praktijk waarin volwassenen kinderen verminken om hun bedelen lucratiever te maken.

Julia Hollander vertrouwt dus op instanties en Moeder Theresa’s om het urgente werk op te knappen en gelooft eigenlijk nauwelijks meer dat die iets kunnen bewerkstelligen. Dat de wereld maakbaar is, daar gelooft na het echec van het communisme namelijk niemand meer in. Het is water naar de zee dragen. De tijd van revolutionairen is voorbij. Maar uiteindelijk breekt dit cynisme haar op, want Julia voelt zich steeds nuttelozer worden. Haar documentaires geven haar onvoldoende betekenis. In haar ogen speelt ze geen enkele rol in het wereldgebeuren – haar leven als antiheld voltrekt zich buiten de geschiedenis – en omdat zij gelooft dat ze nergens invloed op kan uitoefenen, groeit de wanhoop.

Geschiedenis maken
Kunnen heroïsche prestaties dan nog verricht worden? Veel mensen leiden een leven dat niets met de wereldpolitiek te maken lijkt te hebben en blijven enkel met de wereld verbonden door het nieuws te lezen. Wie geen generaal is of directeur van een grote corporatie, heeft weinig kans in zijn leven iets te doen dat in de geschiedenisboeken terecht komt. We kunnen onze stem uitbrengen en bepaalde producten kopen of juist boycotten. Daar houdt onze invloed op de wereld wel zo’n beetje op. Misschien dat wij daarom vanuit het Westen niet alleen met angst maar ook met een zekere jaloezie naar de Arabische lente hebben gekeken: daar werd geschiedenis gemaakt en je kon er deel van uit maken!

Een middenweg
De reactie op deze onmacht, deze positie van buitenstaander, is divers. Sommigen worden er nog onverschilliger door en blijven het zwijgzaam oneens zijn met de wereldpolitiek. Anderen vluchten via verslavingen in een nieuwe dimensie. Weer anderen komen (tegen beter weten in) in actie, omdat zij tenminste willen tonen dat ze het ergens niet mee eens zijn, ook als het niets uithaalt.

In Eeuwige kermis stuit Julia Hollander op haar eigen oplossing: schaalverkleining. Zij accepteert dat ze misschien nooit een rol zal vervullen op het wereldtoneel, maar wat zij in haar dorp doet, kan zowel voor haar als die kleine gemeenschap betekenis hebben, ook als het nooit in de geschiedenisboeken terecht komt. Brandweermannen en hulpverleners moeten eenzelfde filosofie aanhangen; de wereld zullen ze misschien nooit verbeteren, maar ze kunnen wel het leven redden van enkele individuen. Tussen het tirannieke geweten van de wereldidealist en de onverschilligheid van de cynicus bestaat dus een middenweg: de middenweg van de lokale held die ervoor kiest om te doen wat binnen zijn of haar mogelijkheden ligt.

Aflevering 8: euthanasie

P.S. Sinds gisteren is deze serie stukjes ook op Zinweb te lezen: zinweb.nl