De chemie van moraliteit: empathie en sociale media

Voor mijn volgende roman, met als werktitel DT, heb ik de afgelopen weken artikelen gelezen over altruïsme en de redenen die mensen kunnen hebben om elkaar te helpen. Veel goede daden blijken bij nadere inspectie op één lijn te liggen met ons eigenbelang.

We komen bijvoorbeeld voor onze familieleden op vanwege de bloedband. Via onze genen zijn we voorgeprogrammeerd om onze naasten te assisteren. Ook schijnen we zeer getraind te zijn om de goede daden van anderen te onthouden: altruïsme is vaak op wederkerigheid gebaseerd. Westerse donaties aan liefdadigheidsinstellingen zijn wellicht niets anders dan schamele vergoedingen voor koloniale exploitaties.

Afgelopen week kwam ik een voor mij nog onbekende invalshoek tegen: de chemie van moraliteit. In zijn TED Talk vertelt Paul Zak over het hormoon oxytocin en hoe dat ons gedrag beïnvloedt. Oxytocin is een molecuul dat alleen in zoogdieren voorkomt en vooral bekend is om de rol die het speelt in de binding tussen moeders en pasgeboren kinderen. Maar de aan- of afwezigheid van oxytocin in het bloed blijkt het gedrag van mensen ook op andere gebieden te sturen. In diverse psychologische testen, waarin mensen economisch geprikkeld werden, is aangetoond dat je de betrouwbaarheid van anderen hoger inschat en zelf guller bent, wanneer je veel oxytocin in je bloed hebt. Testosteron heeft daarentegen het tegenovergestelde effect.

Volgens Adam Smith, grondlegger van de economie en moraalfilosoof, zijn mensen sociale dieren. Onder gewone omstandigheden doen wij een ander liever geen pijn, omdat we de pijn van die ander ook zelf kunnen voelen. Alleen psychopaten zijn immuun voor de emoties van anderen. Ik vermoed dat Smith het uiterst interessant zou hebben gevonden, dat het ‘bewijs’ van onze empathie misschien in onze biologie gevonden kan worden.

Maar wat moeten we met deze informatie doen? Paul Zak meent dat we zouden kunnen proberen de armoede te bestrijden door het ‘wereldniveau’ van oxytocin te verhogen. In welvarende landen bestaat er namelijk meer wederzijds vertrouwen dan in arme landen en wederzijds vertrouwen is goed voor de economie. Hij pleit er daarom voor het oxytocin niveau met het volgende middel op te krikken:  acht omhelzingen per persoon per dag. Regelmatig dansen schijnt ook goed te zijn, evenals erotische handelingen uitvoeren en sportmassages ondergaan. Verrassend genoeg noemt hij ook deze, wat minder fysieke activiteit: vrienden op sociale netwerken ontmoeten. Tien minuten twitteren kan je oxytocin in je bloed verdubbelen. Sociale media vergroten je empathie? Laten we het hopen.

Polisse – de film

De speelfilm die in mei 2011 de Prix de Jury op het Cannes filmfestival won, is vorige week in Frankrijk in première gegaan. Wie er tegen kan zich twee uur in een rauwe werkelijkheid te laten onderdompelen en niet bang is voor beelden en dialogen die je doen zweten of rillen van verontwaardiging, moet Polisse absoluut gaan zien. Wie vreest te teergevoelig te zijn, kan beter eerst een scout naar de bioscoop sturen.

Polisse is een film over kindermishandeling en pedofilie en over de agenten die dag in dag uit met deze misdrijven in aanraking komen. Via talloze vignetten, die aan een documentaire doen denken, wordt er een beeld geschetst van een team in het Noorden van Parijs. We zien hoe zij verdachten verhoren en de ervaringen van slachtoffers zo nauwkeurig mogelijk optekenen. En we zien hoe ze zich tot elkaar verhouden en hun persoonlijke levens ontsporen.

De agenten lijken afgestompt door al het misbruik dat ze dagelijks op hun bord krijgen, en kunnen bot reageren op jonge meisjes, die met hun eigen seksualiteit te koop lopen, of op een dakloze moeder, die haar zoon wil afstaan in de hoop dat hij zo een beter leven zal krijgen. Tegelijk toont ieder van hen zich van zijn of haar gevoelige kant wanneer een specifiek verhaal te dichtbij lijkt te komen. Er wordt niets verteld over de achtergrond van de agenten, over hoe hun jeugd was of waarom zij voor dit beroep hebben gekozen, maar er wordt gesuggereerd dat er parallellen bestaan tussen hun levens en dat van de kinderen die ze proberen te helpen.

Soms leek het of de regisseuse en auteur van de film, Maïwenn, met een lijstje heeft bijgehouden of alle onderwerpen aan bod waren gekomen. Zigeuners die hun kinderen tot stelen aanzetten. Check. Man die zijn dochter wil uithuwelijken. Check. Vrouw die uit angst voor haar man nauwelijks durft te bekennen wat hij hun dochter aandoet. Check. En tegelijk besefte ik, dat je zo’n speelfilm misschien niet anders kunt maken dan met zo’n lijstje: als je een realistisch beeld wilt geven van de situatie, moet je aan zoveel mogelijk casussen aandacht besteden.

De levens van de agenten zelf weerspiegelen de pijn waarmee ze beroepsmatig geconfronteerd worden: veel gebroken gezinnen, veel echtelijke ruzies, veel eenzaamheid en frustraties. Heel af en toe zie je wat collegiale warmte of klinkt er een positieve noot door in de manier waarop de agenten het voor elkaar opnemen. Vaker vraag je je als kijker wanhopig af hoe mensen het volhouden zoveel voor anderen te doen wanneer ze zelf zoveel liefde tekort komen.

Polisse is een film die niet abstraheert. Verwacht geen filosofische gedachten over het slechte in de mens. Geen dialogen over schuld en boete. Polisse is een opeenstapeling van concrete, individuele verhalen, die zich niet terzijde laten schuiven. Na afloop besefte ik sterk mijn eigen, uiterst veilige positie. Ik heb geen kinderen over wie ik mij zorgen kan maken. Ik hoef niet dagelijks te zien waartoe mensen in staat zijn. Uit naïviteit of onmacht. Uit wreedheid of geldbejag. Ik schrijf alleen, over een wereld waar ik (als ik dit zie) nauwelijks deel van uitmaak – maar waar ik, dankzij films als deze, weer bij betrokken raak.

Meer informatie over Polisse op IMDB

Eeuwige kermis (7) – Idealisme

Betrokkenheid
Alleen willen zijn – is dat egoïstisch? Of kan het verlangen naar eenzaamheid waarover ik maandag een stukje schreef, samengaan met het naïeve verlangen de wereld te verbeteren?

Het lijkt een tegenstelling: het afgezonderde individu, dat niet in haar gedachten gestoord wil worden, en het betrokken individu, dat zich het lot van anderen aantrekt. Maar in werkelijkheid gaan die twee nogal eens samen. Connie Palmen drukt het als volgt uit: “Uiteindelijk staat de eenzaamheid van kunst, cultuur en wetenschap in dienst van de samenleving, en is het onmaatschappelijke, ijdele, competitieve individualisme van de enkeling die zich van de gemeenschap afzondert, de drijvende kracht achter de ontwikkeling van diezelfde gemeenschap.” (uit: Het geluk van de eenzaamheid) Eenzaamheid en betrokkenheid sluiten elkaar dus lang niet altijd uit.

Het cynisme van de antiheld
Maar is het genoeg je met de problemen in de wereld bezig te houden en anderen die te laten oplossen? Julia Hollander meent eerst van wel. Via haar documentaires wil zij de realiteit tonen en het is dus niet aan haar om die te veranderen. Bovendien wat kan zij doen? De ellende stroomt onophoudelijk bij haar naar binnen, via satellieten en breedbandverbindingen of ouderwets via de krant, maar ze is niet in staat het lijden te verlichten. De wereld is zo gecompliceerd geworden dat naïeve aalmoezen soms zelfs averechts werken: door een muntstuk in de hand van een invalide kleuter te drukken, draag je bij aan een praktijk waarin volwassenen kinderen verminken om hun bedelen lucratiever te maken.

Julia Hollander vertrouwt dus op instanties en Moeder Theresa’s om het urgente werk op te knappen en gelooft eigenlijk nauwelijks meer dat die iets kunnen bewerkstelligen. Dat de wereld maakbaar is, daar gelooft na het echec van het communisme namelijk niemand meer in. Het is water naar de zee dragen. De tijd van revolutionairen is voorbij. Maar uiteindelijk breekt dit cynisme haar op, want Julia voelt zich steeds nuttelozer worden. Haar documentaires geven haar onvoldoende betekenis. In haar ogen speelt ze geen enkele rol in het wereldgebeuren – haar leven als antiheld voltrekt zich buiten de geschiedenis – en omdat zij gelooft dat ze nergens invloed op kan uitoefenen, groeit de wanhoop.

Geschiedenis maken
Kunnen heroïsche prestaties dan nog verricht worden? Veel mensen leiden een leven dat niets met de wereldpolitiek te maken lijkt te hebben en blijven enkel met de wereld verbonden door het nieuws te lezen. Wie geen generaal is of directeur van een grote corporatie, heeft weinig kans in zijn leven iets te doen dat in de geschiedenisboeken terecht komt. We kunnen onze stem uitbrengen en bepaalde producten kopen of juist boycotten. Daar houdt onze invloed op de wereld wel zo’n beetje op. Misschien dat wij daarom vanuit het Westen niet alleen met angst maar ook met een zekere jaloezie naar de Arabische lente hebben gekeken: daar werd geschiedenis gemaakt en je kon er deel van uit maken!

Een middenweg
De reactie op deze onmacht, deze positie van buitenstaander, is divers. Sommigen worden er nog onverschilliger door en blijven het zwijgzaam oneens zijn met de wereldpolitiek. Anderen vluchten via verslavingen in een nieuwe dimensie. Weer anderen komen (tegen beter weten in) in actie, omdat zij tenminste willen tonen dat ze het ergens niet mee eens zijn, ook als het niets uithaalt.

In Eeuwige kermis stuit Julia Hollander op haar eigen oplossing: schaalverkleining. Zij accepteert dat ze misschien nooit een rol zal vervullen op het wereldtoneel, maar wat zij in haar dorp doet, kan zowel voor haar als die kleine gemeenschap betekenis hebben, ook als het nooit in de geschiedenisboeken terecht komt. Brandweermannen en hulpverleners moeten eenzelfde filosofie aanhangen; de wereld zullen ze misschien nooit verbeteren, maar ze kunnen wel het leven redden van enkele individuen. Tussen het tirannieke geweten van de wereldidealist en de onverschilligheid van de cynicus bestaat dus een middenweg: de middenweg van de lokale held die ervoor kiest om te doen wat binnen zijn of haar mogelijkheden ligt.

Aflevering 8: euthanasie

P.S. Sinds gisteren is deze serie stukjes ook op Zinweb te lezen: zinweb.nl

Eeuwige kermis (5) – Tijd versus geld, de consumptiemaatschappij

Comfort en luxe
Ik ben een brave burger van de consumptiemaatschappij. Laat ik er niet omheen draaien. Ik koop nieuwe schoenen wanneer mijn oude laarzen nog best een jaar mee zouden kunnen en ik bezit meer crèmes dan er dagen in de week bestaan. Dat laatste is vanwege mijn eczeemhuid, vertel ik mezelf, maar stiekem is het ook omdat ik een nieuwe crème als een luxe ervaar, die ik mezelf niet graag ontzeg. Ik koop dus voor comfort en niet om aan een basisbehoefte te voldoen en dat maakt mij tot een echte consument.

Maar de laatste jaren heb ik met steeds meer weerzin mijn koffer ingepakt wanneer ik weer eens een lang weekend naar Nederland ging. Had ik dit echt allemaal nodig, vroeg ik me af. Kon ik niet zonder deodorant, elektronische muziekspelers, een etui vol grut? Hoe kwam het dat ik zo behoeftig was en belangrijker: hoe kwam ik er weer vanaf?

Reclame en het creëren van behoeften
Alsof mijn weerzin door het universum was opgemerkt, raakte juist in die periode de serie Madmen in zwang en met miljoenen anderen smulde ik van de jaren vijftig avonturen van de advertentiemannen en –vrouwen in hun prachtige kostuums. Mijn nostalgische verlangen werd bevredigd en ik leerde ook nog eens iets over hoe het ooit allemaal begon: het creëren van behoeften aan producten die niemand nodig heeft.

Met behulp van psychologische inzichten werd het in de jaren vijftig steeds gemakkelijker consumenten te manipuleren en met het intrede van de televisie werd het verspreiden van de boodschap op massale schaal ronduit een feest. Marketeers maakten handig gebruik van de wetenschap dat producten prestige verschaften en dat individuen merken gebruikten om hun identiteit vorm te geven. Hoe meer je bezat, hoe succesvoller je in de ogen van anderen was en hoe hoger je status. Producten voldeden niet langer aan behoeften – een toenemend bezit was doel op zich geworden.

Verdedigers van de consumptiemaatschappij beweren wel eens dat mensen vaak niet weten wat ze nodig hebben totdat het betreffende product is uitgevonden, zoals klittenband of instant koffie. En al klinkt dat aannemelijk en hebben bepaalde producten ons leven zeker eenvoudiger of prettiger gemaakt, aan echte behoeften voldoen ze niet. Ik kan me namelijk best voorstellen gelukkig te zijn zonder klittenband en instant koffie.

Toen ik mijn eigen gedrag onder de loep legde, ontdekte ik al snel hoe gemakkelijk ik afhankelijk was geraakt van kleine luxes. Een verfrissende gezichtsspray. Een paar sokken met rubbernopjes. Gewenning creëerde binnen no time een gewoonte en wanneer die kleine luxes niet meer voor handen waren, miste ik ze. Zo had ik dus steeds meer nodig om tevreden te kunnen zijn.

Gevolgen van het consumentisme
Wat is meer waard: een uur vrije tijd of een beetje extra inkomen? Consumenten zijn voortdurend gedwongen die keuze te maken en uit onderzoek blijkt dat veel werknemers onvoorwaardelijk bereid te zijn langer te werken wanneer ze er financieel op vooruit gaan. Want meer inkomen betekent meer koopkracht. Maar wat betekent het om minder tijd te hebben? Natuurlijk: stress en haast. Maar ook: een hoger inkomen noopt tot vaker winkelen – de vrije tijd die nog overblijft, wordt aan consumeren besteed.

In Eeuwige kermis beschrijf ik nergens wat er mis is met het consumentisme op mondiale of ecologische schaal – wie daar meer over wil weten raad ik aan Ton Lemaire’s boek De val van Prometheus te lezen.  Wat ik wilde tonen zijn de gevolgen van het consumentisme voor kleine gemeenschappen en het individu. Want consumeren is meer dan alleen een aanslag op je beurs: het verandert op ingrijpende wijze hoe je met tijd omgaat.

In Paradijssel, het fictieve dorp in Eeuwige kermis, zijn de dorpelingen het niet gewend zich iets van kloktijden aan te trekken. Hun filosofie was dat de uren toch wel voorbij gingen, of ze geteld werden of niet, en dat alles zijn eigen tempo had. Maar zodra het dorp als toeristenlocatie wordt geëxploiteerd, moeten ze op de tijd letten en lijkt er altijd een tekort te zijn. De klokuren raken zelfs zo met het alledaagse verweven, met het opstaan, de lunchpauze, de openingsuren, dat niemand het meer in twijfel trekt dat tijd geld waard is. Tijd als een open ruimte waarin het leven zich voltrekt, bestaat dan niet meer.

Het gevolg voor Paradijssel is groot: de sociale cohesie, de burenpraat, het principe van de wederkerigheid, ze maken plaats voor een economie waarin iedereen zich voor de eigen winst inzet. De verhoogde consumptie is dan niet alleen een symptoom van de groeiende vervreemding, maar ook een compensatie ervoor.

Hoe minder behoeften, hoe vrijer
In Eeuwige kermis speel ik in op het generatieverschil dat ik zelf ervaar met betrekking tot consumptie. Dat mijn oma glimogen krijgt wanneer ze vertelt over haar eerste leren handtas, vind ik prachtig. Dat vrouwen van mijn leeftijd zich beklagen wanneer ze zich de nieuwe Vuitton van het seizoen niet kunnen veroorloven, vind ik triest. Ouderen die in strenge of arme gezinnen zijn opgegroeid en in hun jeugd nauwelijks bezit hebben gekend, lijken gevoeliger te zijn voor reclameboodschappen en appreciëren een zekere overdaad. Jongeren, zoals mijn heldin Julia Hollander, aan wie het in hun jeugd juist aan niets heeft ontbroken, hoeven geen inhaalslag te maken en zouden de echte behoeften daardoor eenvoudiger van valse behoeften moeten kunnen onderscheiden.

Terwijl ik Eeuwige kermis schreef, ben ik kritischer gaan kijken naar mijn eigen consumptiegedrag. Ik leef nog lang niet zo sober als ik zou willen en als voor de wereld wenselijk zou zijn, maar ik leef wel bewuster en eenvoudiger, omdat ik niet afhankelijk wil zijn van mijn eigen consumptiepatronen. Hoe minder behoeften je hebt, hoe vrijer je bent. (Aflevering 6: Verbondenheid versus het verlangen naar eenzaamheid.)

Uitgeholde Prinsjesdag

Ieder jaar vindt er rond Prinsjesdag een enquête plaats over hoe Nederlanders over het huidige kabinet denken. Meestal is dat niet zo best. Maar wat vinden wij eigenlijk van Prinsjesdag?

De columnisten vinden het in ieder geval maar niks. Daniel Samkalden noemt het in De Volkskrant een ‘een peperduur, sadomasochistisch rollenspel‘ en Rob Wijnberg spreekt in NRC Next over ‘de Treunrede van de Keuniging’. Een ander veel gehoorde uitspraak toont eveneens hoe serieus we het allemaal nemen: Prinsjesdag is Hoedjesdag.

Met het oog op wat ik gisteren schreef over rituelen en tradities, denk ik dat het niet te ver gegrepen is Prinsjesdag een uitgeholde gewoonte te noemen. Laten we voor volgend jaar dus iets nieuws verzinnen. Bijvoorbeeld: wie de beste troonrede schrijft, mag hem uitspreken. En om de Koningin niet geheel te passeren, mag zij de voorzitter zijn van de jury. Andere ideeën?

Eeuwige kermis (4) – Traditie en rituelen

Ik verlang naar een jeugd die ik nooit heb beleefd.
Ik ben nostalgisch voor een verleden dat niet van mij is.
Ik heb heimwee naar een tijd die ik nooit heb gekend.
Ik mis een ervaring die ik nog niet heb verzonnen.

Met deze frasen en enkele variaties daarop begon ik ooit een dagboek. Steeds wanneer ik de zinnen herlas voelde ik een gloed van herkenning. Ik had blijkbaar uitdrukking gegeven aan iets dat blijvend in mij resoneerde. Maar wat? Ben ik zo’n naïeve romantica die gelooft dat vroeger alles beter was? Of heb ik zo’n vervelende jeugd gehad dat ik die ik het liefste onder fantasieën verdoezel? Geen van beide.

Ontsnappen in een echtere realiteit
Zoals ik in mijn vorige stukje schreef verlangen volgens mij veel mensen naar iets wat volgens hen verloren is gegaan. Cursussen om te leren hoe je zelf brood kunt bakken zijn populair. Evenals de verkoop van lapjes grond voor het aanleggen van moestuinen en het bezoek aan kinderboerderijen waar je geiten kunt melken. Ambachtelijk, authentiek en traditioneel zijn sleutelbegrippen.

Dit verlangen valt deels samen met de wens in het weekend iets radicaal anders te doen dan doordeweeks. Saai bestaan of niet, we willen ontsnappen uit onze realiteit, en een scherpe lezer merkte al op dat dit iets is van alle tijden. Maar tegenwoordig lijken we niet alleen te willen ontsnappen in een fantasie. We lijken ook, of misschien wel juist, te willen ontsnappen in echtere realiteit. Betekent dit dat ons alledaagse leven niet echt genoeg is en we van de werkelijkheid zijn vervreemd?

Vervreemding
Anderhalve eeuw geleden sprak Marx al over een ervaring die hij vervreemding noemde (een woord dat hij overigens niet heeft verzonnen, maar wel populair maakte). Arbeid binnen het kapitalisme zou volgens hem geen bevrediging meer geven, omdat de kloof tussen mens en product te groot was. Ook contemporaine Nederlandse filosofen zoals Dohmen en Manschot gebruiken de term vervreemding, al verwijzen zij daarmee eerder naar een gebrek aan betrokkenheid tussen individuen. Met vervreemding in de context van nostalgie bedoel ik vooral het ervaren van onbehagen en onverschilligheid door een gemis aan iets wat we niet altijd precies kunnen uitdrukken. Het woord ‘contact’ komt misschien het dichtste bij.

Onze moderne wereld is een wereld die steeds abstracter wordt. Werken gebeurt op de computer. Winkelen doen we digitaal. Zelfs veel menselijke relaties zijn via sociale media virtueel geworden. Daardoor kunnen we het concrete contact met de wereld (bijvoorbeeld: handen in de aarde) en het contact met elkaar (bijvoorbeeld: samen een monument oprichten) gaan missen. De ware wereld blijft op afstand en dat maakt ons hongerig naar realiteit. (Over de invloed van de economie op onze omgang met elkaar zal ik later nog iets schrijven).

Sensatiezucht en kitsch
Op zoek naar ervaringen die het contact kunnen herstellen, neigen we naar nostalgie en grabbelen we in een reservoir van rituelen. De belevenissen die vroeger voor sociale cohesie hebben gezorgd, worden van stal gehaald om opnieuw betekenis te verschaffen. Maar het is een dunne lijn tussen het verlangen naar realiteit en sensatiezucht, tussen nostalgie en kitsch.

In mijn roman beschrijf ik het authentieke dorp Paradijssel, dat door een samenloop van omstandigheden een populaire toeristenlocatie wordt. Bezoekers zijn op zoek naar ‘het echte leven’, maar onder invloed van diezelfde bezoekers verandert het dorp juist in een oppervlakkige belevenisindustrie, een hyperrealiteit die uiteindelijk niets meer met het ware leven te maken heeft. Zo wordt het ritueel van de dorpsbruiloft van zijn betekenis ontdaan doordat het in een dagelijkse attractie veranderd. Ook het jaarlijkse IJsselfestijn verliest zijn waarde omdat het niet langer de overgang van herfst naar winter inluidt, maar iedere dag met de nodige bombarie wordt gevierd.

Alternatieve rituelen
Rituelen kunnen alleen iets aan ons leven toevoegen wanneer we erin geloven, ze begrijpen en weten hoe ze zijn ontstaan. Het simpelweg herhalen van een ceremonie en er een feest van maken heeft een tegengesteld effect. Een traditie als museumstuk zal de afstand tussen ons en de wereld alleen vergroten. Misschien is het dus vruchtbaarder naar alternatieven te zoeken om samen te komen, contact te maken en het leven te vieren. Om die reden denk ik dat een recent en ludiek initiatief als koekjesdag best navolging verdient. In Paradijssel vinden ze uiteindelijk ook een oplossing, maar die verklap ik nog niet. Aflevering 5: Tijd versus geld, de consumptiemaatschappij.

Nespresso: sustainability or greenwashing?

Nespresso has published a brochure in which they present their ecolaboration program and their newly released Limited Edition coffee. They claim that this coffee is of a 100% triple A sustainable quality, and my first response was: good for them. But what does it actually mean? Triple A proves to be a trademark from Nespresso itself, so what they are telling me, is that they are able to produce a product according to their own quality standards. Bravo. According to some Dutch sources, those standards are unfortunately far below the Max Havelaar Fairtrade standards.

But before I rush out to unsubscribe myself from their club, I’m going to do a little more research, and I will follow the Clooney – Solidair case closely. For anyone who is interested in coffee giant policies, I recommand reading this blog. One particular article I liked, talks about Nespresso’s recycling efforts.

Eeuwige kermis (3) – Nostalgie, toerisme en hyperrealiteit

St. John’s Town Center
Een paar jaar geleden is er in Jacksonville Florida een nieuw winkelcentrum gebouwd in de openlucht. Vóór die tijd bestonden naast honderden kleinere conglomeraties (strip malls) alleen twee gigantische overdekte malls met meerdere verdiepingen. Beide malls waren uiterst populair, maar na opening van het nieuwe centrum, zijn ze zeer snel hun klanten kwijt geraakt. Waarom?

Je zou denken dat het nieuwe centrum betere boetiekjes had, maar dat is niet waar – precies dezelfde ketens bieden er precies dezelfde waren aan, met een paar uitzonderingen zoals Louis Vuitton. Heeft de openlucht het dan eindelijk weer van de airconditioning gewonnen? Misschien, maar ik vermoed dat de populariteit van het nieuwe centrum vooral te maken heeft met de naam en zijn pretenties: St. John’s Town Center.

Hoe bedoel je, nep?
Kronkelpaden met groene plantsoenen ernaast, ouderwets aandoende winkelfaçades, een pleintje waar kraampjes staan waarin suikerspinnen en ijsjes worden verkocht; wie de gigantische grijze vlakken van omliggende parkeerplaatsen wegdenkt, kan zich in het centrum van een oud stadje wanen. Maar dan moet je wel goed je best doen, want voor een kritische bezoeker die Europese binnensteden kent, lijkt St. John’s Town Center te sterk op Disneyworld.
– ‘Waarom al die moeite om de illusie te scheppen?’ vroeg ik mijn Amerikaanse schoonmoeder eens, tijdens een jaarlijkse Kerstbezoek. ‘Laat iemand zich door zoveel nep foppen?’
– ‘Hoe bedoel je, nep?’ was haar wedervraag. In haar ogen was het winkelcentrum een heuse stadskern, want mensen kwamen hier ook om te eten, elkaar te ontmoeten en rond te wandelen. Bovendien had de binnenstad van Jacksonville er ooit precies zo uitgezien.
– ‘Maar u weet toch, dat dit allemaal spiksplinternieuw is? Dat er achter de façades identieke betonnen dozen schuilgaan van grote corporaties? Dat hier geen authentiek schoenmakertje tussenzit?’
– ‘Wat is authentiek?’ vroeg ze. ‘De oude binnenstad is door junkies overgenomen. St. John’s Town Center voelt echt en daar gaat het om.’

Illusie van het Echte Leven
Het interesseert mijn schoonmoeder blijkbaar niet dat de werkelijkheid is veranderd. Zij is zo nostalgisch verknocht aan ‘hoe het was’ dat zij een kopie van het verleden als origineel accepteert. Het ware leven is blijkbaar daar, waar de omgeving haar het meest aan dat ware leven herinnert.

Zij staat daarin niet alleen. In onze laatmoderne maatschappij verlangen veel mensen naar iets wat volgens hen verloren is gegaan en ze geven daar uiting aan door naar plaatsen af te reizen waar het echte leven nog wel te vinden zou zijn: schattige bergdorpjes, openluchtmusea, het platteland. Toch bieden die plaatsen soms niet meer dan een illusie van ‘het echte leven’.

In het geval van St. John’s Town Center is er zelfs nooit iets echts geweest. In het geval van Paradijssel, het fictieve dorp in mijn roman, bestaat er een oorspronkelijke kern, maar die dreigt juist door de massale toestroom van toeristen verloren te gaan.

Nabootsing als norm
Wanneer Julia Hollander naar huis terugkeert, is Paradijssel met zijn eeuwige kermis hard op weg een hyperrealiteit te worden, een plaats waar werkelijkheid en fictie niet meer uit elkaar zijn te houden en de virtuele realiteit voor fysieke realiteit wordt aangezien. Er bestaan zoveel films en foto’s waarop het dorp wordt getoond, dat bezoekers al een heel concreet idee hebben van wat ze zullen gaan zien. En wanneer het dorp bij aankomst niet aan hun idee voldoet, raken bezoekers teleurgesteld. Of zoals Julia Hollander het uitdrukt: ‘Ouderwetse reizigers lieten zich nog weleens zonder verwachtingen onderdompelen. Hedendaagse toeristen liepen met een boekje in de hand de attracties af om te verifiëren of het origineel wel even indrukwekkend was als het boekje beloofde.’

De nabootsing is blijkbaar de norm geworden: films en foto’s tonen de wereld niet alleen, ze zijn de wereld geworden, zodat de werkelijkheid aan het kortste eind trekt en verborgen blijft achter de voorstellingen waaraan bezoekers de voorkeur geven. Want in een poging aan de verwachtingen te voldoen, past het dorp zich steeds meer aan, zodat het uiteindelijk niets anders zal tonen dan een fantasie, een vals beeld van een ideaal dorp dat nooit heeft bestaan.

Maar wat mij misschien nog het meest interesseert: waarom zijn we zo nostalgisch? Wat missen we in onze huidige maatschappij dat we met een schamel kopie van het verleden genoegen nemen? Aflevering 4 verschijnt eind deze week: traditie en rituelen.

Schrijven en engagement: wat te doen met 9/11

Als ik er niet over schrijf, ontken ik dat het onderwerp me bezig houdt.
Als ik er wel over schrijf, draag ik bij aan de overdreven aandacht ervoor.
Als ik er niet over schrijf, lijk ik te bevestigen wat ik zou willen ontkennen.
Als ik er wel over schrijf, ben ik gedwongen mijn standpunt te verwoorden.

In het artikel van Rob Schouten – ‘Nederlandse schrijvers mijden maatschappelijk engagement’ (Trouw, 4/9/11) – voelde ik mij aangesproken. Ik ben immers een Nederlandse schrijver en ik heb niet over de aanslagen in New York geschreven. Maar is dat het bewijs dat ik maatschappelijk engagement mijd?

‘Misschien achtten Nederlandse schrijvers zich wel ontslagen van de plicht er ook zoveel aandacht aan te besteden, nu hun Amerikaanse collega’s het onderwerp zo nadrukkelijk uitputten,’ schrijft Schouten. Ik kan dat niet beamen. Ik kies doorgaans een onderwerp waarover ik iets kan en wil zeggen en waartoe ik mij geroepen voel. De publicatie van een stapel andere romans over precies hetzelfde onderwerp houdt mij dan niet tegen, want ik vertrouw erop dat niemand precies hetzelfde zal schrijven.
Maar dat ik niet over 9/11 heb geschreven wil niet zeggen dat ik de gebeurtenissen per se vermijd. Het wil alleen zeggen dat andere onderwerpen voorrang kregen. Soms schrijf ik ergens over uit eigen preoccupatie, dat geef ik toe, maar soms ook in de hoop dat een goed geschetst portret bijdraagt aan het zelfbegrip van een generatie of gemeenschap.
Politiek-maatschappelijke betrokkenheid kan zich op allerlei manieren tonen. De afwezigheid van een grote Nederlandse post 9/11 roman bewijst niet dat schrijvers navelstaarders zijn. En dat het voor een Amerikaan (en dan zeker een New Yorker) urgenter is om over de aanslagen te schrijven, lijkt me evident. Ik ben niet de eerste die betwijfelt of 9/11 ook voor Europa een echte breuklijn is.

Zoals wel vaker was het artikel gelukkig genuanceerder dan de kop. Tot slot erkent Schouten dat het ‘laten zien dat het kwaad niet alleen van buiten komt en dat wij zelf ook niet vrij van smetten zijn’ gezien kan worden als een bescheiden spoor van 9/11. Maar dan vraag ik: die boodschap hebben we toch ook voor 9/11 al gehoord?

Clooney, Nespresso and the need for Fair Trade Coffee

The Swiss organization Solidar has set up a campaign to get Nestlé to switch its Nespresso Coffee to Fair Trade. A noble cause.
They do this by means of a public appeal to Mr. George Clooney: ‘[…] promoting a company that does nothing to stop the exploitation of coffee pickers is really not right. I would therefore like to ask you make Nestlé choose: either fair trade coffee or no more George Clooney in the Nespresso commercials.’

I watched the accompanying video yesterday and thought: that’s a pretty bold way to address someone. Wouldn’t Clooney respond more favorably if he had just received a direct request from Solidar? (Even if his contracts might prevent him from making any immediate changes?) But then I realized: if it hadn’t been so bold, no one would have shared the request or written about it.

A minute after I posted this blog and tweeted it, I received a reply from Nespresso on Twitter. They must really be concerned about the power of social media. This is their response.

P.S. I do sometimes drink Nespresso and I know little of Nestlé’s policies concerning Fair Trade. But thanks to Solidar, I will pay more attention to it in the future…