Cruel imagination

This morning I found a caterpillar in my plum, and as I had not expected to see it and had almost bitten its head off, I uttered a small shriek.
My husband laughed. “You see, this is why women can’t be presidents. You’re afraid of worms!”
I shot him a vile look, although I recognized the trademarked irony he uses to provoke me. “You know why men can’t be presidents?” I asked.
“No, why?”
“Never mind, I don’t want to hurt your feelings.”
“Oh, come on,” he pleaded. “My imagination is far more cruel than yours.”
‘That’s exactly why I will shut up now.”

Vriendendienst of zakenruil: een hachelijke economie

Zoals veel auteurs lukt het mij (nog) niet om geheel van de pen te leven. Om die reden doe ik er andere klussen naast, zoals het ontwerpen van websites. Het is creatief werk, bij vlagen zelfs inspirerend, en ik breng tijd met interessante mensen door. Toch zou ik het meteen opgeven wanneer mijn financiën dat toelieten. Schrijven is alles wat ik wil.

Deze week ontving ik een verzoek dat me in verlegenheid bracht. Of misschien was het eerder een zakenvoorstel: iemand met wie ik op goede voet sta, maar die ik geen intieme vriendin noem, omdat we elkaar te weinig toevertrouwen, mailde me dat ze een website nodig had en mij in ruil daarvoor een van haar lithografieën wilde schenken. Ze wilde weten of ik dat een eerlijke deal vond.

De persoon in kwestie is een beginnend kunstenares die interessante werken maakt, maar nog geen galerie heeft kunnen vinden om ze te exposeren. Ze heeft een paar exemplaren aan vrienden verkocht en bij ons huwelijk hebben mijn man en ik een afdruk cadeau gekregen. Ik vind het mooi wat ze maakt, maar zit niet om een nieuwe lithografie te springen – ons huis is klein en we hebben nog zoveel in de kast staan wat we zouden willen ophangen. Bovendien: ik ontwerp om mijn inkomen te spekken. Met een ruil ben ik dus alleen geholpen, indien het iets was wat ik echt nodig heb. Ook het bedrag dat mensen mij doorgaans voor een site betalen, zou ik in mijn huidige situatie nooit aan één kunstwerk uitgeven. Voor mij was het dus geen eerlijke deal.

Maar was dat erg? Kon ik niet gewoon een simpele site voor haar maken als gratis vriendendienst en de lithografie als cadeautje beschouwen? Ja, dat zou zeker gekund hebben, als zij haar ruilvoorstel niet had gedaan. Een vriend helpen is een nobele daad en ik voel mij graag nobel. Maar juist omdat zij een ruil had voorgesteld, zag ik de transactie door mijn zakelijke bril en met mijn zakelijke logica wees ik het voorstel af.

Is oprechte dankbaarheid me dus meer waard dan een onevenredige compensatie? Zaken doen met vrienden is een hachelijke economie.

Zilver

Vandaag precies vijfenzestig jaar geleden werd mijn vader geboren. Ik vraag me af hoe hij eruit had gezien als hij nog in leven was geweest.
Toen hij als jongvijftiger ziek werd, had hij nog het voorkomen van een halfveertiger: een dikke bos donkere krullen, guitige ogen, nauwelijks rimpels en vooruit een beginnend buikje. Tevergeefs probeer ik me hem voor te stellen met grijs haar of een kalende schedel. Mijn opa, de vader van mijn vader, ken ik bijna uitsluitend van één foto, die sinds mijn jeugd op een bijzettafeltje in het huis van mijn oma staat. Zijn gezicht helpt me niet om mijn vader de ouderdom in te denken.
Gebruind zou hij in ieder geval wel zijn geweest, want inmiddels zou hij al een paar jaar op zijn boot op de Middellandse Zee hebben gevaren. Minimaal een paar maanden per jaar, schat ik. Als beginvijftiger had hij al reikhalzend naar zijn vroegpensioen uitgezien. Zuid-Franse tomaten smaakten volgens hem beter dan de tomaten van eigen bodem, omdat ze tijdens de groei meer zon hadden kunnen opnemen.
Misschien hadden Daniel en ik dit Pinksterweekend wel de trein naar Perpignan genomen om een weekend met hem mee te varen. Hoe zouden ze met elkaar zijn omgegaan? Hun liefde voor muziek en The Beatles zou hen hebben verbonden. En verder? Zou mijn vader Daniel een verwend kind hebben gevonden? Zou Daniel kriebelig zijn geworden van mijn vaders bescheidenheid? En wat dan nog?
Ineens zie ik ze voor me, hoe ze na een dag zeilen rozig van de wind op een terras gaan zitten, een glas (wat mijn vader zou voorstellen), nee een fles (waarop Daniel zou aandringen) rosé bestellen en samen een schaaltje olijven leeg eten. Mijn vader draagt een spierwit T-shirt met boothals en een dunne spijkerbroek – daarin heb ik hem vaak gezien. Zijn ogen glunderen, ook die zijn niet veranderd, maar wat is dat? Zijn zwarte krullen zijn prachtig zilver geworden.

Een ander leven

Eeuwige Kermis is opnieuw ingeleverd. De afgelopen twee weken schreef ik vanaf een heuvel in Zwitserland (jolimont 1, jolimont 2) een eerste hoofdstuk, husselde ik diverse paragrafen door elkaar en knipte ik rigoureus. Het resultaat: een versie die lichter verteerbaar is en tegelijk meer gecondenseerd.
Nu kijk ik naar de achterstallige taken op mijn lijst (zoals: ‘blog schrijven’) en vraag ik me af wat het allemaal betekent. Zaken die me weken geleden nog ‘urgent’ leken, hebben sterk aan belang ingeboet. Is het werkelijk noodzakelijk dat ik vergelijkend warenonderzoek uitvoer voor de aanschaf van een nieuwe wasmachine?
Wanneer ik intensief met een roman bezig ben geweest, duurt het altijd even voordat de realiteit me weer interesseert. Mladic, komkommers, Strauss-Kahn. Ik wil er zo weinig mogelijk over horen en heb er niets over te melden. Je zou misschien verwachten dat mijn eigen leven me dan nog zou boeien, maar daar heb ik ook weinig mee op. Boodschappen doen, parkwandelingen maken, administratie. Het leven van mijn personages is veel interessanter.
Er wordt vaak gezegd dat mensen romans lezen om hun horizon te verbreden; dat ze nieuwsgierig zijn naar hoe de wereld er voor anderen uitziet. Ik weet inmiddels dat mijn verlangen om te schrijven deels uit diezelfde nieuwsgierigheid voortkomt: wanneer mijn leven me teleurstelt, verzin ik een ander.

P.S. (Ik vond zojuist een gerustellende quote:)

‘Good artists exist simply in what they make, and consequently are perfectly uninteresting in what they are.’  (Lord Henry in The picture of Dorian Gray, Oscar Wilde)

Hooggespannen verwachtingen

‘Ik wil onderaan van die golven, zoals in een kindertheater. Kartonnen lagen over elkaar heen. Maar ik wil ze niet op iedere pagina.’ Mijn man en ik zitten aan de keukentafel en bladeren door ontwerp- en illustratieboeken die we de vorige dag in Taschen hebben gekocht. Hij heeft een nieuwe website nodig en ik ben de aangewezen persoon om die voor hem te maken.
‘Kijk hoe ze die letters als achtergrond hebben gebruikt,’ zeg ik. ‘Zoiets ben ik van plan met jouw songteksten. Lijkt dat je wat?’

In 2001, toen ik met mijn bul de universiteit verliet en naar Parijs verhuisde, wist ik nog niet wat ik moest gaan doen om geld te verdienen. Dat ik wilde schrijven stond vast, maar omdat dit schrijven me de eerste paar jaren niets zou opleveren, moest ik er iets bij verzinnen. In Nederland zou ik misschien geprobeerd hebben les te geven of had ik gesolliciteerd naar een parttime baan bij een uitgeverij. In Frankrijk waren dat (zeker in het begin) geen reële opties. Ik heb in die periode slechts éénmaal een brief verstuurd en die betrof een functie bij de Nederlandse ambassade, een functie die na een eerste gesprek toch niet zo bij mij bleek te passen.

Ondertussen kocht mijn man het destijds zeer populaire programma Flash met het idee een website voor zichzelf te maken. Maar aan het begin van deze eeuw verkeerde de Franse muziekindustrie nog niet in een crisis en had hij zelden een dag vrij om daar mee bezig te zijn. Uit nieuwsgierigheid begon ik zelf met Flash te spelen en uit dankbaarheid dat mijn man voorlopig de huur betaalde en mij liet schrijven aan een roman, maakte ik een unieke en professionele website voor hem.
Het bleek een onverwacht succes. Zijn bands, vrienden en zakencontacten complimenteerden me met het werk en vroegen of ik ook iets voor hen wilde ontwerpen. Die ene website leverde mij opdrachten op voor de tien jaar die volgden.

Nu heb ik een fijne portfolio, maar de markt is veranderd: Flash is uit. Vanwege Apple. Vanwege de tijd die een gemiddelde bezoeker aan een site wil besteden. Om die reden zitten mijn man en ik dus weer aan de keukentafel, precies zoals tien jaar geleden. Maar wat toen een probeersel was met onverhoeds positieve uitkomsten is nu een serieus project met hooggespannen verwachtingen. Kan ik  een site creëren die net zo in de smaak valt als de vorige ? Ik ga het in ieder geval proberen.

Verantwoordelijkheden

In huis ben ik de voedselexpert alias gezondheidsgoeroe. Het nieuws dat schapenkaas meer calcium bevat dan geitenkaas en dus een goede keus is voor mensen die vanwege een lactose-intolerantie weinig zuivel kunnen consumeren, wordt door mij met trots geserveerd bij het ontbijt. Ook literatuur (de Engelse vertaling van de nieuwe Houellebecq verschijnt in september) en rampennieuws (ik had het druk de laatste tijd) vallen onder mijn verantwoording.
Als tegenprestatie neemt mijn man muziek, sterrenkunde en celebrity gossip voor zijn rekening. Tijdens het avondeten hoor ik alles over Charlie Sheen en Dark Matter. Zo hoeven we niet allebei van alles op de hoogte te blijven en dat scheelt tijd.

Maar onlangs heeft mijn reputatie een deuk opgelopen. Een deuk die mij door een virus is aangedaan. Want wie luistert er naar gezondheidsberichten van een boodschapper die tien zakdoekjes per uur volsnuit? Mijn man heeft geen oren naar de kennisgeving dat het eten van grof volkoren gistbrood een negatieve uitwerking op zijn immuunsysteem kan hebben, omdat de niet afgebroken phytaten de zinkabsorptie frustreren en hij er beter aan doet alleen zuurdesembrood te eten. En hij rolt met zijn ogen wanneer ik beweer dat vegetariërs gerust iedere dag een ei kunnen eten. Tussen mijn hoesten en niezen door word ik niet meer serieus genomen.

Wat te doen? Juist ja, excelleren in mijn andere verantwoordelijkheden. Zojuist las ik dat The Marriage Plot van Jeffrey Eugenides in oktober verschijnt. En met koorts gebracht of niet, dat er van deze Pulitzerprijswinnaar een nieuw boek gaat verschijnen is nieuws dat mijn man, samen met zijn ochtendcappuccino, maar al te graag tot zich zal nemen.

Twee werelden

Ik heb het gevoel dat ik in twee werelden leef. In de een kan ik een nacht wakker liggen omdat de slotzin van een hoofdstuk me niet bevalt. In de ander kijk ik sprakeloos naar de metershoge golven die een eiland overspoelen. Natuurlijk: rampen voltrekken zich en het leven van alledag gaat door. Maar het blijft vervreemdend een roman te schrijven waarin een stormvloed plaatsvindt en de vernietiging in de realiteit te zien. De twee werelden hebben niets met elkaar te maken en zijn aan elkaar gelijk.

Op 2 augustus 1914 schreef Franz Kafka in zijn dagboek: ‘Duitsland heeft Rusland de oorlog verklaard. ’s Middags zwemles.’

Naar zijn voorbeeld schrijf ik: ‘In Japan dreigt een kernramp. Vanmorgen mijn roman naar de uitgever gestuurd.’

Beterschap

Ik herschrijf mijn vierde roman.
Ik schrijf proefdialogen voor mijn vijfde roman.
Ik maak notities voor mijn zesde roman, c.q. eerste roman in het Engels.
Ik verzin een peuterboek voor mijn nichtje en een kleuterboek voor mijn neefje.
Ik werk aan een idee dat een lang verhaal kan worden of een scenario of niets.
Ik probeer een essay te schrijven over een centraal thema in mijn vierde roman.
Ik ga verder met een verhaal waaraan ik twee jaar geleden al begon.
En ik vertaal, ontwerp en codeer websites voor drie klanten.

Dus helaas, mijn blog schiet er bij in.
Maar ik beloof beterschap en ik hoop dat het helpt om zo’n belofte te doen.

Vogeltje

Vanmorgen floot er een vogeltje.
Hij zong heel mooi en hoog.
De zon was nog lang niet op, maar dat deerde hem niet.
Hij leek net zo lang te willen fluiten totdat het licht werd.
Een echte volhouder was het.

Nu gebeurt het natuurlijk wel vaker in deze wereld, dat er een vogeltje fluit. Ik sluit niet uit dat dit specifieke vogeltje zelfs iedere morgen zingt. Maar het was voor het eerst dat ik om vijf uur ’s nachts wakker lag met een grote glimlach op mijn gezicht en hem dankbaar was voor zijn concert.

Een afscheid

De uitvaartbegeleider maant ons een rij te vormen. In de aula staat de familie klaar om onze condoleances in ontvangst te nemen. Fluisterend en schuifelend naderen de genodigden de kist. Mijn hart klopt snel en mijn wangen worden rood: ik leef en weet niet wat ik moet zeggen.
Op een paar meter afstand van de familie zie ik haar, mijn rouwende vriendin. Ik durf bijna niet te kijken en voor ik er erg in heb, gaat mijn arm de lucht in. Zij zwaait terug.
Ze staan opgesteld in een halve cirkel rondom de baar: de vader en zijn nieuwe vrouw, de moeder en haar nieuwe man, de twee zussen, de vriendin en hun dochtertje, de ouders van de vriendin als ruggesteun. Ik kan het niet over mijn lippen krijgen, een simpel ‘gecondoleerd’ en daarom zeg ik: ‘mag ik u een kus geven?’ Dat mag en ik voel me al iets meer verbonden. Bij het zien van de moeder schiet ik vol. Zij kijkt me aan met droge ogen. Ik zeg het enige wat ik kan zeggen: ‘Ik wou dat ik de juiste woorden had, dat ze bestonden.’
Mijn vriendin sluit ik in de armen. Ze schokt even, maar heeft het snel weer onder controle. Er staan nog zoveel mensen achter mij die ze een hand moet geven.

Het afscheid begint met het aansteken van de kaarsen op de kist. De vader heeft een toespraak voorbereid en staat met het papier in zijn hand achter de katheder. Zijn stem is onvast, maar duidelijk genoeg. Af en toe klinkt het gebrabbel van het eenjarige dochtertje boven hem uit.
We luisteren naar Bach.
Daarna spreekt mijn vriendin. Zij schuift een stoel naast de kist toe en neemt de microfoon in haar hand. Zo, met haar hoofd dichtbij het lichaam van haar broer, spreekt ze hem toe. Door de speakers klinkt een Frans liedje, “La ballade de gens heureux.”, zijn favoriete automuziek voor op vakantie.
Anderen spreken, ieder op hun eigen manier. Staand voor de banken, zittend naast de kist of achter de katheder. Vrienden vertellen over vroegere jaren. ‘Ik herinner mij als de dag van gisteren…’ Bergbeklimmen, meisjes, kattekwaad.
De laatste woorden zijn van de moeder. Puur en onverbloemd. Het geheim van zijn dood wordt langzaam ontrafeld en roept tegelijk meer vragen op.

De deuren van de aula gaan open en in een stille tocht lopen we achter de kist aan. De hemel is prachtig; koud en helder met een volle maan. Bij het crematorium klinkt er house muziek en na afloop prevelt iedereen een laatste groet.
Binnen staan er tafels met broodjes, koffie en thee. De gesprekken komen weer op gang. Vermoeid en onder de indruk zoekt mijn blik die van mijn vriendin. ‘Dank je, dat ik hierbij aanwezig mocht zijn,’ zeggen mijn ogen. ‘Dank je, dat je er was,’ zeggen die van haar.
Op weg terug naar huis, in de trein van Gouda naar Rotterdam, vraag ik me af waarom we de dood nodig hebben om ons leven te intensiveren. Morgen begin ik weer opnieuw.