Zwarte Piet / Black Pete

It’s Sinterklaastijd in Holland. Literally this means “The period of Saint Nicolas” – not to be confused with Santa Claus. In reality it’s an excuse for throwing all dietary restrictions out of the window. Children and adults alike are consuming unbelievable amounts of high-sugar and high-fat products like kruidnoten, taaitaai and marzipan. The Easter Bunny with its chocolate eggs can’t even compete.

A big favorite in Sinterklaastijd is the chocolate letter. As the Dutch excel in making things personal and educational, most stores are equipped with endless shelves on which they display the 26 letters of the alphabet – each letter exists in different flavors, so you are not limited to buy someone the first letter of their name, but you can also show that you know them a little by choosing the milk, pure or white variety.

Last week a journalist from Rotterdam brought me one of those letters, and as she had read my novel, in which the main character is a health-and-environmental minded person, she had chosen a Fairtrade version with reasonably pure ingredients. The journalist had assumed (not incorrectly) that my novel contained autobiographical elements, and that I would be happy to receive chocolate that was free of slave-labor and bad additives.

The letter, however, did display a small figurine recognizable as the head of Zwarte Piet (Black Peter), and I explained that it would tickle a chuckle out of my American husband, who perceives the Dutch tradition, in which we surround an old white man with dark skinned servants, as rather racist. When my husband saw the chocolate letter, he indeed made a comment, and when he saw me cutting a piece off my C, he asked: “Are you going to eat Black Peter?”
As I had already studied the ingredients of this particular chocolate piece and had noticed the E-nummers, I answered, a little too quickly: “No, I won’t. Too many colorants.”
My husband just looked at me baffled, thinking: “I rest my case”.

Call and answer – the pure joy of discovering a magic trick

It’s a sunny day in the Jardin du Luxembourg. I’m walking on one of the raised balustraded terraces along a row of tall trees. Up in a branch, a bird is calling out. It is hidden from sight by the first spring leafs, but its two-tonal call sounds bright and clear.

Seconds later, it is answered by a second bird. Their dialogue continues, with short and regular pauses in between their exchanges. I’m imagining a romantic pursuit, although they might as well be sending out territorial warnings.

As I pass the birds, I notice that the answer doesn’t originate in a treetop, but comes from close to the ground. I scan the gravel surface around me. I’m curious to see which bird is making this distinct sound.

Underneath the tree, on a park bench, sits an older African man.  I look at him, while waiting for the birds to cry out. The call sounds, and when the African moves his lips in synch with the answer, I feel an intense rush of happiness. To my ears, he has mimicked the bird’s two-tonal call perfectly. I send him a warm smile, hoping that it resembles that of a child who experiences the pure joy of discovering a magic trick.

He looks up at the tree, and then returns to me. His eyes ask: do you think the bird has figured it out yet?

My Days Inside

At nine in the morning, the sky above Paris is blue. Great, I think, today I can make a sunny walk on Boulevard Raspail. From my past experiences in trying to find sunlight, I know that this street guarantees unobstructed radiation from eleven till two. Skies in Paris might be cloudless, but with all the narrow streets and tall buildings, the winter sun is eluding.

By ten thirty the clouds have moved in. Too bad, I think, but I could go out later for a pleasant round in the park. No sun, but also no traffic. It’s a second winter favorite.

Around two my stomach is growling. When I am writing, it is often impossible to tear myself away from my book. I decide to have lunch first and go out later, but before I’ve finished my salad, it starts to rain. I comfort myself with the thought that it won’t last all day.

I continue my writing again and get absorbed in my story. In the back of my mind, I must notice that the rain has stopped and patches of blue are calling me. Still, I’m not willing to let this chapter go unfinished.

At five thirty I make some tea and realize: it’s now or never. Within an hour the sun will set and the whole point of the walk, receiving some daylight, will be obliterated. I open the door and stick my head out. The temperature is mild, the clouds are dark. New rain is eminent. I sigh and close the door. This is why I spend my days inside.

The Bureau for Unfulfilled Weekends

HE
I had so much fun with you this weekend.

SHE
That’s the added bonus of leaving – when you return,
we are overly excited to see each other.

HE
But I feel the weekend should not be over yet.

SHE
Sorry, honey. Reality is hard. Monday will be here tomorrow.

HE
But my weekend did not start until Saturday afternoon.
Friday night was taken from me, I sacrificed it to my work.
Therefore: my weekend was incomplete.

SHE
But it’s the quality that counts. You just mentioned how much fun we had.

HE
Yes, but I could have had more fun, if the weekend had been longer.
I feel unfulfilled.

SHE
Okay. Then you should file a complaint.

HE
Yes. I’ll do that. Anyone would agree that a weekend without a Friday night is unsatisfying. I need an extra day to complete it.

SHE
I don’t think the Bureau will agree with you. Generally they only compensate for weekends that were ruined by natural disasters
like volcano eruptions or the flu.

HE
Of course they’ll agree! The Bureau for Unfulfilled weekends will recognize the necessity of the Friday night for the experience of a Full Weekend.

SHE
Like I said: file a complaint and we’ll see.
I bet you tomorrow is still Monday.

Schoonheid

Een wakkere zaterdagmiddag vol ongenadige zon. Mijn lief en ik leggen met moeite de pennen neer en sjokken op sandalen naar het Jardin du Luxembourg. We durven het niet aan om een driedaags weekend binnen te blijven met dit weer; de zon zou zich eens beledigd kunnen gaan voelen.

Het park is bezaaid met picknickende stedelingen en gidsbestuderende toeristen. Vlakbij een drinkwaterfonteintje  vinden we twee luie stoelen op een verhoging met een bries. We zinken neer en openen onze lectuur. Hij: The Virgin Suicides (Jeffrey Eugenides). Ik: Light Years (James Salter). Bij iedere derde zin die ik lees, moet ik aan mijn eigen roman denken en maak ik een potloodnotitie in het speciaal daarvoor meegenomen schriftje. Wanneer je in een schrijfbui gaat zitten lezen, kun je namelijk niet lezen; dan schrijf je gewoon via de woorden van anderen verder.

Na een half uur geef ik het op en maak ik een wandeling, mijn lief in zijn stoel achterlatend. Schreeuwende stemmen lokken me naar het hek toe aan de kant van het Pantheon. ‘Moordenaar,’ roepen de stemmen. Dichterbij hoor ik wie er volgens hen een moordenaar is: AirFranc-KLM. Dat klinkt als een intrige waar ik meer van wil weten.

Ik loop het park uit en de demonstratie in. Niet meer dan tien mensen met megafoons roepen hun boodschap naar ongeïnteresseerde voorbijgangers. Ik spreek een jongen aan met roze haar, neusringen, tatoeages. Hij staat me uiterst vriendelijk te woord en overhandigt me een tweetalige flyer. Air France-KLM vervoert laboratoriumdieren en brengt grote hoeveelheden apen uit Mauritius naar Europese martelhuizen. En daar moeten ze mee stoppen, vindt hij. Ik knik meelevend – als vegetariër draag ik dierenrechtenactivisten een warm hart toe.

Een minuut later neem ik afscheid van de moordernaarroepende minimeute en vervolg mijn wandeling, nu mijmerend over laboratoriumdieren. Is Air France-KLM schuldig aan het misbruiken en doden van dieren? Als ze het vervoer zouden stopzetten, neemt een andere compagnie het geheid over. Beter dus om de laboratoriums zelf tot boeman te maken. Maar die zullen de schuldvraag graag nog een stap verleggen en beweren dat het aan de overheid en de consumenten ligt. De overheid staat immers geen medicijnen toe die niet zijn getest en de consumenten willen graag schoon zijn – daarom kopen ze allerlei cosmetische prut. Als er geen vraag is, zal er ook geen aanbod meer zijn, is de redenering.

Ik kijk naar de consumenten in het park: dat wij ziek worden en medicijnen nodig hebben is niet altijd onze schuld, maar waarom willen we allemaal graag zo schoon zijn? Het antwoord volgt snel: omdat de media ons een ideaalbeeld voorspiegelt. Aha! Dus de media zijn de moordenaars! Maar zijn de media niet gewoon spreekbuizen? Spreekbuizen van glamour en glorie. Van Hollywood. Als Hollywood wat vaker gewone mensen zou casten en geen sterren zou produceren, zouden wij allemaal niet zo schoon hoeven zijn. Maar dan kom ik op gevaarlijk terrein, want wie maakt Hollywood? De schrijvers. Zonder schrijvers, geen films. Bijna iedere film die ik tegenwoordig zie is gebaseerd op een roman. Ben ik als schrijver een moordenaar van apen? Er moet een fout in mijn redenering zijn geslopen.

Vertwijfeld ga ik weer bij mijn lief zitten, in een luie stoel. ‘Wie is er nou toch schuldig,’ vraag ik hem, nadat ik hem mijn dilemma uit de doeken heb gedaan. Hij glimlacht geruststellend: ‘Het is de schoonheid zelf, lieverd. Wij mensen kunnen er niets aan doen. Het is altijd het idee zelf.’ Ik knik, het is acceptabel en begrijpelijk, maar wie gaat het de apen uitleggen?

Aardbewoners: de mens

Een oude man loopt op het trottoir met zijn blik op de tegels gericht. Zijn aangelijnde hond trippelt onopgemerkt achter hem aan en snuffelt dat het een lieve lust is. Steeds wanneer het beest zijn poot heft om te plassen, trekt de achteloze man hem omver. Pas aan het einde van de straat lukt het de hond een straal tegen een lantaarnpaal te piesen.

Op de fel verlichte bar van een buurtrestaurant maken de kok en de serveerster na sluitingstijd een nummertje. Toevallige passanten blijven geamuseerd staan of lopen gegeneerd door. Totdat de vrouw op de bar bemerkt dat de rolluiken nog niet gesloten zijn en ze met een zwaai van haar arm de stekker uit de verlichting trekt.

Tussen de goedgevulde rekken van een supermarkt staan een man en een vrouw boos tegen over elkaar. De man draagt een chique maatpak en de vrouw heeft uren besteed aan het stileren van haar kapsel en het aanbrengen van haar masker van make-up. Ze maken ruzie over welk merk mosterd ze zullen kopen.

Een zonnige dag in het park met tientallen jonge gezinnen. Moeders roepen sussende woorden naar hun kroost. Rustig-aan, schreeuw-niet-zo, gedraag-je. Dan komt er een vader aanrennen met drie kinderen. Hij flappert met zijn lange jas alsof hij een eend is die wil opvliegen. Binnen no time heeft hij een schare joelende kinderen achter zich verzameld. En alle moeders kijken goedkeurend toe.

‘Uit bovenstaande alledaagse observaties kunnen we concluderen dat we het begrip “overlevingsinstinct” ruim moeten opvatten om de diversiteit aan menselijk gedrag te kunnen begrijpen.’ (Uit de studie Aardbewoners per soort, hoofdstuk 7 ‘De Mens’)

Lucifers

Op vrijdag 30 maart hebben we een bijzondere man begraven. Een man die een onvernietigbare levenskracht bezat en toch sterfelijk bleek te zijn. In een eenvoudige houten kist hebben we hem naar een gat in de grond gedragen, waar we hem onder het zand hebben bedolven.

Hij was een man vol tegenstrijdigheden. Duizenden boeken las hij, in het Nederlands, Frans, Duits, Engels en Hebreeuws – hij hield van woorden en vertalen, maar wanneer hij zelf iets schreef, bleef het bij een zin of twee. Zijn e-mails en instructies waren zo bondig mogelijk. Ook in het gesproken woord kwam die dubbelzinnigheid terug; aan de keukentafel of op de bank kon hij uren vertellen en discussiëren, maar had je hem aan de telefoon dan speelde hij de rol van haastige zakenman; zodra de noodzakelijke informatie was uitgewisseld, hing hij op. Hij hield van reizen en nieuwe ervaringen en toch had hij een hekel aan veranderingen; hij was trouw aan zijn boot, aan zijn chocolademerken, aan zijn verschoten tasje. Iets weggooien? Onmogelijk. In zijn huis was dertig jaar niets gewijzigd.

Afgelopen zondag liep ik door dat huis, waarschijnlijk voor de laatste keer. Samen met mijn moeder en zijn kinderen, keek ik naar alles wat deze man verzameld had. Behalve whiskyglazen, vintage strikjes en een berenjas vonden we tassen met shampooflesje en hotelzeepjes, dozen met plastic verpakkingen en elastiekjes, laden vol vergeelde paperassen, verroeste munten en verstofte stukken speelgoed. Wat konden we bewaren en wat moest er weg?

Ik vulde een zakje met luciferdoosjes die uit allerlei hoeken van de wereld kwamen. Zonde om weg te gooien, dacht ik toen. Weer thuis in Parijs legde ik de doosjes in de la waar de aansteker ligt. Die avond gebruikte ik een lucifer uit Israel om de kaarsen aan te steken en dacht aan de man van wie ik zoveel gehouden heb. Een traan en een glimlach. Mijn eigen behoudzucht heeft ervoor gezorgd dat ik mijn kamer nog jarenlang met een gedachte aan hem zal kunnen verlichten.

Optimisme in de praktijk

Het is 1 januari en met zijn vieren zitten we in een met Tl-buizen verlicht lokaal vol kitscherige kerstversiering. Van buitenaf had dit restaurant ons een redelijke optie geleken. Versuft staren we naar een apparaat in de vorm van een ouderwetse kassa waarop een besneeuwde heuvelrug van plastic is gemonteerd. De mond van het apparaat braakt iedere paar seconden een minuscule skiër uit, die vervolgens zijn benedenwaartse parcours langs bomen en huisjes aflegt. Onophoudelijk.

We hebben de middag doorgebracht in een gesloten, druilerige stad vol naargeestigheid. Zelfs het bezoek aan de kathedraal heeft onze zielen niet kunnen verheffen. Glas in lood laat zich vooral bewonderen wanneer het zonlicht filtert en de zon heeft zich sinds onze aankomst nog niet laten zien. Het is alsof er een stolp op deze stad ligt waaronder alles wat leeft door een miniem maar geniepig zuurstoftekort verstikt raakt. De straten zijn in een eentonig grijs gedompeld. Creativiteit slaat dood.

Wanneer de ober de menukaart brengt, veren we enigszins op. Voedsel maakt serotonine vrij, al weten we inmiddels dat de culinaire praktijken waar Belgen elders in uitblinken, in deze stad achterblijven. Frieten en klodders mayonaise – die zijn volop te krijgen, ze weten er zelfs een simpele salade mee te verpesten. Ondanks onze katers, bestellen we wijn. Wijn komt van buiten deze stad. In wijn gloort de hoop.

We wachten een paar zwijgende minuten, vouwen ons servet open en dicht en zuchten. Met de wijn eindelijk op tafel, heffen we het glas. Maar waar moeten we op proosten? ‘Dat we hier hopelijk nooit hoeven terugkeren!’ probeert mijn echtgenoot, maar de regisseur, de man voor wiens werk we hier zijn verzameld, schudt zijn hoofd. ‘Nee,’ zegt hij. ‘Op Luik! De stad die een jonge actrice heeft voortgebracht die in mijn ogen de enige is die deze rol in onze film had kunnen spelen. Op Luik! De stad waarin een theater is gebouwd dat precies lijkt op het theater in New York waar we om budgettaire redenen niet naartoe konden. Op Luik! De stad waarin we het jaar hebben mogen verwelkomen waarin onze film in première zal gaan!’

Vier glimlachjes breken door op vier paar lippen. ‘Op Luik!’ echoën we, en we stoten onze wijnglazen tegen elkaar. De pizza’s die vervolgens geserveerd worden, zijn best te versmaden.

Kappersaversie

Vrouwen houden van kappers. Ze vinden het lekker, al dat gefrutsel, en ze komen er met een beetje geluk mooier vandaan. Mannen houden ook wel van kappers, maar doorgaans om andere redenen. Vrouwen vinden het al verwennerij als een paar stevige herenhanden hun schedel masseren en hun hoofd met shampoo omtoveren tot het evenbeeld van een ingesopte poedel. Zodra de millimeters haar eraf zijn geknipt genieten ze van de föhn, die nu eens door een ander wordt bediend, en van hun reflectie in de spiegel, die met iedere verdampte waterdruppel lijkt op te bloeien.

Goed, ik generaliseer. Niet alle vrouwen houden van kappers. Ik houd helemaal niet van ze en er zullen vast meer uitzonderingen zijn. Haten gaat me te ver  – kappers oefenen ook maar gewoon een beroep uit – maar ik heb wel een aversie tegen wat ik in een doorsnee kapsalon moet ondergaan. Het wachten in een oververhitte ruimte, het opsnuiven van synthetische parfums en haarverfchemicaliën, het dom achterover liggen met je nek op de rand van een harde bak, en dan het getut en geneuzel met kammen en borstels en klemmen…

Maar het menselijk lichaam heeft nu eenmaal onderhoud nodig. Nagels moeten worden gekort, oksels gewassen en haren geknipt. Tot voor kort had ik die laatste taak aan mijn man toebedeeld. Dat dunne, steile haar van mij was een bezoek aan een kapsalon nauwelijks waard en omdat we allebei zo ongeduldig als nerveuze eekhoorns zijn, was zo’n echtelijke sessie met de keukenschaar zo gepiept.

Jaren ging het goed, totdat het gebrek aan kniptalent in ons huis zo begon op te vallen dat mensen me erop aan spraken. En omdat ik me helaas nog steeds iets aantrek van wat anderen vinden, besloot ik een kapper te zoeken zonder zogenaamde verwennerij, een kapper die mijn haar zou knippen zoals mijn man dat deed, maar dan met wat meer stijl.

Na een rondvraag onder vrienden kwam ik bij Antoine terecht aan de Rue St. Honoré. Alle kappersdiensten zijn bij hem beschikbaar, maar ze zijn wel optioneel – zo lang ik met pas gewassen haren binnenstap, hoeft er aan mij niet geplukt te worden en knipt hij mijn haar droog en razendsnel. Ondertussen hoort hij me niet uit over mijn belevenissen en vult hij mijn oren evenmin met buurtroddels. Ideaal.

Het enige wat bij deze kapper nog beter kan, is zijn punctualiteit; wachten is ook hier een realiteit, maar gelukkig hield ik daar rekening mee en nam ik een opschrijfboekje mee waarin ik dit stukje kon noteren. Voor de komende drie maanden ben ik er gelukkig weer vanaf.

Lieve vrede

Schoonfamilie, daar kun je onderhoudende verhalen over vertellen. Zeker wanneer ze nogal radicale opvattingen propageren en zich uiterst curieus gedragen. Toch schrijf ik zelden over het bijzondere gezin waarin ik eens per jaar infiltreer, al doe ik dat inmiddels al ruim een decennium. Waarom ben ik zo terughoudend?

Invalshoeken genoeg. Ik kan vertellen over de Republikeinse klachten van een gepensioneerde ingenieur die de aandelen van zijn eigen bedrijf zo zag kelderen, dat zijn met bloed-zweet-en dominantie opgebouwde imperium plotsklaps een mislukking leek en over hoe hij het Amerikaans socialisme daarvoor aansprakelijk acht. Of ik kan schrijven over hoe wij na ieder bezoek aan een gigantische supermarkt thuis onder auspiciën van de vrouw des huizes alle artikelen met een in alcohol gedrenkt lapje desinfecteren, omdat smetvrees nu eenmaal niet bestaat en bacteriën wel. Maar ik houd me in. Uit respect? Of uit angst mijn dekking te verliezen?

Je zou denken dat ik veilig was door in het Nederlands te schrijven. Mijn schoonfamilie spreekt en verstaat enkel Engels (een paar woorden Spaans uitgezonderd). Bovendien houden ze niet van internet – geen van hen heeft ooit deze website gezien. Het bestaan van Google Translator gekoppeld aan het bevrienden van tantes en neven op Facebook maken mijn woorden in principe wel toegankelijk, en het is een toegankelijkheid waarvan volgens mijn statistieken soms gebruik wordt gemaakt. Wanneer ik hier iets publiceer, moet ik er dus rekening mee houden dat de boodschap in enigszins verdraaide vorm bij mijn directe schoonfamilie terecht kan komen.

En wat dan nog? Onlangs verscheen hier een stukje over autobiografisch schrijven en over de noodzaak met de beste bedoelingen meedogenloos te zijn. Valt het schrijven over je schoonfamilie onder een andere categorie? Natuurlijk niet. En bovendien: ik hecht aan openheid. Ik heb er doorgaans geen bezwaar tegen wanneer anderen weten hoe ik over hen denk. Het is voor mij geen enkel probleem om aan tafel te zitten met mensen die andere overtuigingen hebben, met hen te discussiëren en verschillen of gedeelde gronden te vinden. Ik word niet boos of verdrietig wanneer mijn schoonzus zichzelf niet in de ogen durft te kijken wanneer ze op zondag de kerkdienst mist. Het is haar leven – voor mij blijft ze een tamelijk irrationele maar altijd zeer sympathieke vrouw.

Alleen… zo denkt zij er niet over. Zij zal er ‘s nachts wakker van liggen wanneer we overdag van mening verschillen over het Christendom. Dus houd ik me in. Aan tafel en op papier. Indien ik zou schrijven hoe ik werkelijk over mijn schoonfamilie denk, zou ik aan mezelf moeten toegeven, dat ik hier wel degelijk de schone schijn ophoud. Voor twaalf dagen per jaar is de lieve vrede me meer waard dan het authentieke conflict. Waarom? Omdat het uiteindelijk toch mijn familie niet is, denk ik. Een zekere mate van onechtheid zit me daarom minder dwars. Maar afgaande op de zojuist geschreven woorden, lijkt het alsof ze wel steeds meer mijn familie aan het worden zijn.