Optimisme in de praktijk

Het is 1 januari en met zijn vieren zitten we in een met Tl-buizen verlicht lokaal vol kitscherige kerstversiering. Van buitenaf had dit restaurant ons een redelijke optie geleken. Versuft staren we naar een apparaat in de vorm van een ouderwetse kassa waarop een besneeuwde heuvelrug van plastic is gemonteerd. De mond van het apparaat braakt iedere paar seconden een minuscule skiër uit, die vervolgens zijn benedenwaartse parcours langs bomen en huisjes aflegt. Onophoudelijk.

We hebben de middag doorgebracht in een gesloten, druilerige stad vol naargeestigheid. Zelfs het bezoek aan de kathedraal heeft onze zielen niet kunnen verheffen. Glas in lood laat zich vooral bewonderen wanneer het zonlicht filtert en de zon heeft zich sinds onze aankomst nog niet laten zien. Het is alsof er een stolp op deze stad ligt waaronder alles wat leeft door een miniem maar geniepig zuurstoftekort verstikt raakt. De straten zijn in een eentonig grijs gedompeld. Creativiteit slaat dood.

Wanneer de ober de menukaart brengt, veren we enigszins op. Voedsel maakt serotonine vrij, al weten we inmiddels dat de culinaire praktijken waar Belgen elders in uitblinken, in deze stad achterblijven. Frieten en klodders mayonaise – die zijn volop te krijgen, ze weten er zelfs een simpele salade mee te verpesten. Ondanks onze katers, bestellen we wijn. Wijn komt van buiten deze stad. In wijn gloort de hoop.

We wachten een paar zwijgende minuten, vouwen ons servet open en dicht en zuchten. Met de wijn eindelijk op tafel, heffen we het glas. Maar waar moeten we op proosten? ‘Dat we hier hopelijk nooit hoeven terugkeren!’ probeert mijn echtgenoot, maar de regisseur, de man voor wiens werk we hier zijn verzameld, schudt zijn hoofd. ‘Nee,’ zegt hij. ‘Op Luik! De stad die een jonge actrice heeft voortgebracht die in mijn ogen de enige is die deze rol in onze film had kunnen spelen. Op Luik! De stad waarin een theater is gebouwd dat precies lijkt op het theater in New York waar we om budgettaire redenen niet naartoe konden. Op Luik! De stad waarin we het jaar hebben mogen verwelkomen waarin onze film in première zal gaan!’

Vier glimlachjes breken door op vier paar lippen. ‘Op Luik!’ echoën we, en we stoten onze wijnglazen tegen elkaar. De pizza’s die vervolgens geserveerd worden, zijn best te versmaden.

Kappersaversie

Vrouwen houden van kappers. Ze vinden het lekker, al dat gefrutsel, en ze komen er met een beetje geluk mooier vandaan. Mannen houden ook wel van kappers, maar doorgaans om andere redenen. Vrouwen vinden het al verwennerij als een paar stevige herenhanden hun schedel masseren en hun hoofd met shampoo omtoveren tot het evenbeeld van een ingesopte poedel. Zodra de millimeters haar eraf zijn geknipt genieten ze van de föhn, die nu eens door een ander wordt bediend, en van hun reflectie in de spiegel, die met iedere verdampte waterdruppel lijkt op te bloeien.

Goed, ik generaliseer. Niet alle vrouwen houden van kappers. Ik houd helemaal niet van ze en er zullen vast meer uitzonderingen zijn. Haten gaat me te ver  – kappers oefenen ook maar gewoon een beroep uit – maar ik heb wel een aversie tegen wat ik in een doorsnee kapsalon moet ondergaan. Het wachten in een oververhitte ruimte, het opsnuiven van synthetische parfums en haarverfchemicaliën, het dom achterover liggen met je nek op de rand van een harde bak, en dan het getut en geneuzel met kammen en borstels en klemmen…

Maar het menselijk lichaam heeft nu eenmaal onderhoud nodig. Nagels moeten worden gekort, oksels gewassen en haren geknipt. Tot voor kort had ik die laatste taak aan mijn man toebedeeld. Dat dunne, steile haar van mij was een bezoek aan een kapsalon nauwelijks waard en omdat we allebei zo ongeduldig als nerveuze eekhoorns zijn, was zo’n echtelijke sessie met de keukenschaar zo gepiept.

Jaren ging het goed, totdat het gebrek aan kniptalent in ons huis zo begon op te vallen dat mensen me erop aan spraken. En omdat ik me helaas nog steeds iets aantrek van wat anderen vinden, besloot ik een kapper te zoeken zonder zogenaamde verwennerij, een kapper die mijn haar zou knippen zoals mijn man dat deed, maar dan met wat meer stijl.

Na een rondvraag onder vrienden kwam ik bij Antoine terecht aan de Rue St. Honoré. Alle kappersdiensten zijn bij hem beschikbaar, maar ze zijn wel optioneel – zo lang ik met pas gewassen haren binnenstap, hoeft er aan mij niet geplukt te worden en knipt hij mijn haar droog en razendsnel. Ondertussen hoort hij me niet uit over mijn belevenissen en vult hij mijn oren evenmin met buurtroddels. Ideaal.

Het enige wat bij deze kapper nog beter kan, is zijn punctualiteit; wachten is ook hier een realiteit, maar gelukkig hield ik daar rekening mee en nam ik een opschrijfboekje mee waarin ik dit stukje kon noteren. Voor de komende drie maanden ben ik er gelukkig weer vanaf.

Lieve vrede

Schoonfamilie, daar kun je onderhoudende verhalen over vertellen. Zeker wanneer ze nogal radicale opvattingen propageren en zich uiterst curieus gedragen. Toch schrijf ik zelden over het bijzondere gezin waarin ik eens per jaar infiltreer, al doe ik dat inmiddels al ruim een decennium. Waarom ben ik zo terughoudend?

Invalshoeken genoeg. Ik kan vertellen over de Republikeinse klachten van een gepensioneerde ingenieur die de aandelen van zijn eigen bedrijf zo zag kelderen, dat zijn met bloed-zweet-en dominantie opgebouwde imperium plotsklaps een mislukking leek en over hoe hij het Amerikaans socialisme daarvoor aansprakelijk acht. Of ik kan schrijven over hoe wij na ieder bezoek aan een gigantische supermarkt thuis onder auspiciën van de vrouw des huizes alle artikelen met een in alcohol gedrenkt lapje desinfecteren, omdat smetvrees nu eenmaal niet bestaat en bacteriën wel. Maar ik houd me in. Uit respect? Of uit angst mijn dekking te verliezen?

Je zou denken dat ik veilig was door in het Nederlands te schrijven. Mijn schoonfamilie spreekt en verstaat enkel Engels (een paar woorden Spaans uitgezonderd). Bovendien houden ze niet van internet – geen van hen heeft ooit deze website gezien. Het bestaan van Google Translator gekoppeld aan het bevrienden van tantes en neven op Facebook maken mijn woorden in principe wel toegankelijk, en het is een toegankelijkheid waarvan volgens mijn statistieken soms gebruik wordt gemaakt. Wanneer ik hier iets publiceer, moet ik er dus rekening mee houden dat de boodschap in enigszins verdraaide vorm bij mijn directe schoonfamilie terecht kan komen.

En wat dan nog? Onlangs verscheen hier een stukje over autobiografisch schrijven en over de noodzaak met de beste bedoelingen meedogenloos te zijn. Valt het schrijven over je schoonfamilie onder een andere categorie? Natuurlijk niet. En bovendien: ik hecht aan openheid. Ik heb er doorgaans geen bezwaar tegen wanneer anderen weten hoe ik over hen denk. Het is voor mij geen enkel probleem om aan tafel te zitten met mensen die andere overtuigingen hebben, met hen te discussiëren en verschillen of gedeelde gronden te vinden. Ik word niet boos of verdrietig wanneer mijn schoonzus zichzelf niet in de ogen durft te kijken wanneer ze op zondag de kerkdienst mist. Het is haar leven – voor mij blijft ze een tamelijk irrationele maar altijd zeer sympathieke vrouw.

Alleen… zo denkt zij er niet over. Zij zal er ‘s nachts wakker van liggen wanneer we overdag van mening verschillen over het Christendom. Dus houd ik me in. Aan tafel en op papier. Indien ik zou schrijven hoe ik werkelijk over mijn schoonfamilie denk, zou ik aan mezelf moeten toegeven, dat ik hier wel degelijk de schone schijn ophoud. Voor twaalf dagen per jaar is de lieve vrede me meer waard dan het authentieke conflict. Waarom? Omdat het uiteindelijk toch mijn familie niet is, denk ik. Een zekere mate van onechtheid zit me daarom minder dwars. Maar afgaande op de zojuist geschreven woorden, lijkt het alsof ze wel steeds meer mijn familie aan het worden zijn.

Leven tussen de woorden

Ik leef niet echt, klaag ik weleens, en daarmee begint de ellende. Want wat bedoel ik precies wanneer ik dat zeg? Ik adem, ik eet, ik lach, ik huil. Volgens de definitie van het woord leef ik wel degelijk.

Goed, ik maak niets mee, verbeter ik mezelf. Maar wat zou ik dan mee willen maken? Het leven van alledag moet je niet met een speelfilm vergelijken waarin altijd iets spannends gebeurt. De gemiddelde mens overkomt uiteindelijk heel weinig. Ik wil toch geen brand, beroving of busongeval over me afroepen?

Het hoeft ook niet spannend te zijn, beweer ik dan. Maar andere mensen maken van alles mee, die zitten niet hele dagen thuis, aan hun bureau, die trekken de wereld in. En daar komt de aap uit de mouw. Andere mensen. De wereld. De raderen van mijn verbeelding worden in werking gesteld. Wie zou ik zijn als ik tot die andere mensen behoorde, in die tumultueuze wereld?

Ik bedenk een scenario waarin ik in Amsterdam woon en na mijn studie voor een interessante organisatie of innovatief bedrijf ben gaan werken. Iets cultureels of dynamisch. Bij een schouwburg of reclamebureau, als organisator van dit, of een pr-medewerker van dat. Ik stel me voor dat ik gezellige en intelligente collega’s heb met wie ik op maandag zowel het weekend als de politiek doorneem en met wie ik op bedrijfsuitjes in binnen- en buitenland kattenkwaad uithaal of kansloos verdwaal. Vijf keer per week vroeg opstaan is vast niet zo erg, want iedereen doet het. Samen trotseren we deadlines en chagrijnige opdrachtgevers. Samen maken we ons sterk voor een gloedvol product. Ik ontken het niet, dat lijkt me wel wat – maar zou ik gelukkiger zijn?

In een ander scenario ben ik uiteraard moeder geworden. Aan die gedachte ontkom je niet op mijn leeftijd. Ik stel me voor dat ik met de kinderen van alles onderneem. Naar een dierentuin, een park, wie weet een museum. En het wachten in de rijen is vast niet zo erg, want die kleintjes amuseren zich uitstekend en hebben nooit op lastige momenten een schone luier nodig of een banaan. Ik bedenk dat ik in het weekend smultafels zal dekken voor een oergezellig ontbijt en ’s avonds uitgebreid met mijn gebroed in bad ga. En ja, dat plaatje is soms wel aantrekkelijk – maar zou ik gelukkiger zijn?

In een derde poging om mij een levendiger leven voor te stellen, overschrijd ik de realistische grenzen. Stel dat ik met wie-dan-ook kon ruilen – wie zou ik dan willen zijn? Ik verlang niet per se naar roem of geld, maar soms zou ik wel wat meer invloed willen hebben. Zou ik bijvoorbeeld de directeur van het MoMA in NY willen zijn? Een leven leiden waarin ik geen saaie, eenzame minuut meer zal kunnen tellen? Meestal dringt het dan wel tot me door: ook al kon ik met wie-dan-ook ruilen, het zou altijd een schrijver zijn, een schrijver met een wat groter publiek, dat wel, maar nog altijd een schrijver die het merendeel van zijn of haar tijd aan het bureau doorbrengt.

Samenwerken, kinderen verzorgen, leiding geven – ik zou het prachtig vinden voor een week, een maand, een jaar misschien, maar ik zou er niet de luxe van mijn rust voor willen opgeven. Er bestaan schrijvers met nevenfuncties, schrijvers met kinderen, schrijvers met scholastieke carrières en schrijvers met topbanen. Maar ik denk dat ik tot het schrijverssoort behoor, dat zich het liefste terugtrekt om zoveel mogelijk te kunnen lezen en schrijven. Daar word ik gelukkig van. Dus ik moet gewoon niet zeuren dat mijn leven wat minder levendig is. Het zijn mijn personages, die ik de wereld in stuur. Mijn leven voltrekt zich tussen de woorden. En daar ben ik dankbaar voor.

Een dag uit het leven van een figurant


Silence Partout. Moteur Demandé. Ça Tourne. Action!

Om acht uur ’s morgens verzamelen vijftig figuranten en ongeveer evenveel productiemedewerkers zich in een café in de buurt van Pigalle voor de opnames van de scènes 121/123 van de film Populaire.  Terwijl ik mijn formulier invul met bankgegevens en sofinummer, stalt een leger van visagisten en kappers hun gereedschap uit. Binnen drie uur moeten zij vijfentwintig slaperige mannen en vijfentwintig kleurloze vrouwen omtoveren tot geloofwaardige representanten van de jaren vijftig.

Mijn transformatie begint met een vleeskleurige panty, een puntbh en een rode snoepjesjurk met meters tule. Vervolgens gaan de krullen in mijn haar, wordt mijn gezicht onder handen genomen en spuit men een bus lak op mijn hoofd leeg. In gouden muiltjes loop ik zelfbewust, als de prinses die ik niet ben, de eetzaal in, waar we om elf uur lunchen.  Aangezien er enkel vlees op het menu staat, eet ik een bordje haricots verts.

Een half uur later, van nieuwe lipstick voorzien door de meereizende visagisten, neem ik samen met de andere figuranten plaats in een nabijgelegen theater, waar de betreffende scènes zullen worden opgenomen. Op de tafels staan diverse drankjes die we niet mogen aanraken; appelsap in cognacglazen, lambrusco in champagnecoups en water in cocktailglazen die met opgeprikte frambozen of olijven zijn versierd. Ook liggen er pakjes sigaretten klaar en we worden aangemoedigd die juist wel te consumeren, want de asbakken moeten vooral niet leeg zijn.

Dan begint het lange wachten. We wachten op de technici die het licht instellen en de camera tracks opbouwen en afbreken. We wachten op een sein van de cameraman, de regisseur, de eerste assistent of een van de andere mensen die orders roepen of uitvoeren. En we wachten op minder zichtbare zaken die zich achter de schermen voltrekken en daardoor des te interessanter lijken.

We verdrijven onze verveling door om ons heen te kijken, wat soms tot enige jaloezie leidt.  Vooral de jonge en ambitieuze actrices, die zich eigenlijk te goed voelen voor de rol van figurant, vergelijken hun jurken en halskettingen met elkaar en constateren dat een groepje, waartoe ik behoor, buitengewoon gunstig is toebedeeld. Uit de aandacht die de costumière voor ons heeft gehad, leiden ze af dat wij een speciale status moeten hebben. Ook de stoelen die we in het theater hebben gekregen, bevestigen dit: we bevinden ons recht achter de plaats waar de heldin van de film zal gaan zitten, wat garandeert dat onze gezichten hoe dan ook in de uiteindelijke montage terechtkomen. Pas als de regisseur ons persoonlijk gedag komt kussen, begrijpen ze waarop onze status is gebaseerd: wij zijn intimi.

Zodra de acteurs arriveren, beginnen de repetities en leren we wie op welk moment naar wie moet kijken. Aan mijn tafel ontwikkelen we ons eigen repertoire ter voorbereiding: ‘Arrête de briller’ (letterlijk: stop met glanzen, oftewel: dep je voorhoofd droog), ‘Montre nous ton tulle’ (letterlijk: toon ons je tule, oftewel: trek je hesje omlaag zodat je decolleté beter uitkomt) en ‘Va brûler tes doigts’ (letterlijk: verbrand je vingers, oftewel: steek je sigaret aan). Wij letten minutieus op alle details; een regisseur staat er gelukkig nooit alleen voor.

Ondertussen spelen zich tientallen dramaatjes af. Zo zijn er kanten handschoenen die niet door de ballotagecommissie komen en in allerijl geruild moeten worden, een elektrische stop die doorslaat, een trompettist die er in een eenvoudige choreografie maar niet in slaagt om de juiste kant op te draaien, een beroemde actrice die onaangekondigd en onuitgenodigd het theater binnen loopt, een acteur die steeds over dezelfde zin struikelt en een figurant die zijn mobiele telefoon op een tafel in beeld heeft laten liggen.

Eindelijk horen we dit: ‘Silence Partout. Moteur Demandé. Ça Tourne. Action!’ En we horen het vaak, want voor iedere deelscène heeft de regisseur twee of drie camera-opstellingen bedacht en omdat er maar één camera aanwezig is en er vanuit iedere opstelling minstens drie opnames nodig zijn, moet alles zo’n tien keer gespeeld worden. Ik ervaar wat er nodig is om drie minuten speelfilm op te nemen en mijn respect voor de productieteams in deze industrie groeit.

Rond zeven uur ’s avonds ben ik gaar. Te veel gerookt, te weinig gedronken en  te lang gezeten. De laatste uren heb ik met verlangen naar de setwerkers gekeken die heen en weer renden en problemen oplosten. Na afloop vraagt de vrouw van de regisseur, die de mooiste jurk van allemaal draagt: ‘En, vond je het leuk?’ ‘Nee,’ antwoord ik lachend, ‘trop de travail.’

(De foto’s zijn op verzoek van de regisseur verwijderd.)

Zwarte Piet – or the problem of Dutch Black Peter.

It’s Sinterklaastijd in Holland. Literally this means The period of Saint Nicolas (not to be confused with Santa Claus). But in reality it’s an excuse for throwing all dietary restrictions temporarily out of the window. Children and adults alike are consuming unbelievable amounts of high-sugar or high-fat products like kruidnoten, taaitaai and marzipan. The Easter Bunny with its chocolate eggs can’t even compete.

A big favorite in Sinterklaastijd is the chocolate letter. As the Dutch excel in making things personal and educational, most stores these days are equipped with shelves on which they display the 26 letters of the alphabet – each in different flavors, so you can not only buy someone the first letter of their name, but you can also prove that you know a little about them by choosing the milk, pure or white chocolate version.

Last week a journalist from Rotterdam brought me one of those letters and as she had read my novel, she had chosen a Fairtrade version with very pure ingredients. The character in my book is often weighed down by her conscience and is quite health orientated, and this journalist assumed, not incorrectly, that I too would stay away from cheap chocolate with E-numbers and other useless additives. The letter, however, did display a small figurine recognizable as the head of Zwarte Piet (Black Peter) and I explained that it would tickle a chuckle out of my American husband, who sees the Dutch tradition of surrounding an old white man with dark skinned servants as rather racist, and believes it encourages backwards thinking.

When my husband saw the chocolate letter, he indeed made a comment, but left it at that. But when he saw me cutting a piece off my C, he asked: ‘Are you going to eat Black Peter?’
As I had already studied the ingredients of this particular chocolate piece and had made up my mind, I answered, a little too quickly: ‘No. Too many colorants.’
My husband looked at me, baffled. ‘I rest my case’, he seemed to think.

Kind of normal

‘What’s wrong?’ my husband inquired. ‘You are frowning more than usual.’
‘I don’t know. I feel empty.’
‘No ideas for your books?’
‘I got plenty of ideas for my books,’ I said. ‘That’s not the problem. I just don’t have any…. personal ideas.’
‘What are those? Aren’t all ideas personal?’
‘Okay, let me phrase that differently: I feel empty because I don’t have any thoughts that pertain to me. I ’m not experiencing anything. My characters are more alive than I am.’
My husband sighs in relief. ‘That’s kind of normal, isn’t it?’