Parijs in de warme herfst

In zomerjurk op het gras liggen tussen de kastanjes. Een boek met filosofische wijsheden in de hand. Luisterend naar het optreden van een Bigband op het podium.
Glimlachend langs de Medici fontein flaneren. Toeristen die verlegen vragen of je een foto wilt maken. Een crêperie waar je de lunchtrek stilt.

Dit is Parijs in de warme herfst, Luxembourg op zijn best.

Kleine Wereld

Ons huis is te klein. Na twee weken thuiswerken hebben we er genoeg van. Geen zin om te koken en de schrijftafel tot eettafel te verbouwen. Eruit, moeten we!

Het is al half tien als we voordeur achter ons dicht trekken. Onze straat is minder verlaten dan de week ervoor, toen vrijwel alle winkels en restaurants hun deuren gesloten hielden. Her en der zijn eigenaren al van de vakantie teruggekomen en de paar terrassen die open zijn zitten vol. Even doorlopen dus, richting St. Germain.

We slaan een straat in die hard zijn best doet Little Italy te worden. De twee Italiaanse restaurants die er al jaren zitten hebben recentelijk concurrentie gekregen van vier andere restaurants met eenzelfde cuisine. Twee ervan hebben een terras en op een ervan is een tafel vrij. We nemen plaats en bestellen wijn en pasta’s.

Halverwege het diner en midden in ons gesprek over het verloop van een scène in het scenario van mijn lief, komt de eigenaar informeren of het eten ons bevalt. Jazeker, bevestigen wij. Of we in Parijs wonen? Ook dat kunnen we beamen, geen toeristen dus. En dan komt de aap uit de mouw. Of hij zich even mag voorstellen. Leonardo is de naam. Filmproducent. Maar die carrière ligt in zijn verleden. Wat hij dan onder andere geproduceerd heeft? Nou, La Double Vie de Veronique bijvoorbeeld. Ik knik bewonderend – dat is een film die ik tot mijn favorieten reken. Waarom hij gestopt is? Omdat hij regisseur wil worden, en ja het runnen van een restaurant lijkt op het runnen van een filmproductiebedrijf, dus dit doet hij even tussendoor, maar hij heeft een film geschreven, om zelf te kunnen regisseren en of we even willen horen waarover? Natuurlijk, knikken we en we luisteren. Wat leven we toch in een kleine wereld.

De perfecte dag

Gisteren hoorde ik iemands beschrijving van de perfecte dag. ‘Een café au lait sippen op een terras met een krantje erbij, dan langs de Seine wandelen en een boek kopen dat ik niet nodig heb, vervolgens een paar uurtjes door Musée Picasso dwalen en daarna in een bistrot neerstrijken om een fles Bourgogne te bestellen.’

Tja, dacht ik, dat is inderdaad een verdomd fijne dag die ik hier zeven maal per week aan me voorbij laat gaan. Steeds maar weer achter die computer, schrijven aan een nieuwe roman – moest ik niet eens van mijn stad gaan genieten?

Vanmorgen polste ik mijn echtgenoot, of hij geen zin had in een dagje uit in Parijs?
Hij keek gealarmeerd op. ‘Waar wil je naar toe?’
‘Maakt niet uit,’ zei ik, ‘als het maar niet het park is, want daar zijn we iedere dag al.’

‘Goed,’ zei hij en dacht na. ‘Misschien kunnen we beginnen in Musée d’Orsay. Je weet hoe ik van rijen houd en daar staan ’s ochtends altijd de langste. En als we dan na anderhalf uur binnen zijn, hoeven we niet eens een route uit te stippelen: de massa zal ons zo van de ene zaal naar de andere vervoeren. Daarna kunnen we naar de Eiffeltoren – of beter, naar de top van de toren van de Notre Dame. Kunnen we gelijk zo’n Bertillon ijsje eten op het eiland, daar waar de wachttijd minstens een half uur is, want ijsjes waarop je moet wachten zijn nu eenmaal lekkerder. ’s Middags kunnen we dan de Marais in, naar overvolle terrassen kijken en ons in de drukte laten rollen – hoewel we daarvoor natuurlijk ook Quartier Latin in kunnen gaan. Tot slot wil ik dan zo’n boottocht over de Seine, liefst met een diner erbij, zodat we daarna alleen nog likeurtjes van twintig euro per stuk op het terras van Les Deux Magots hoeven te drinken. Lijkt dat je wat?’

Ik zuchtte. Het was augustus en de stad was niet van ons. Vandaag moest het dus maar weer zo’n perfecte dag worden van schrijven en schrijven en een paar uur lezen in het park.

Cinq à Sept

Gisteren waren mijn man en ik uitgenodigd voor een Cinq à Sept in een atelier nabij Nation. Een Cinq à Sept is een term die ze in Quebec gebruiken om een feestje aan te duiden, dat als een aperitief voor het diner plaatsvindt. Eenmaal aangekomen leerden wij, dat de term Cinq à Sept in Frankrijk juist wordt gebruikt om een bezoek aan een maîtresse te benoemen. In ons geval ging het echter om een legitiem feestje, een feestje dat werd gegeven te ere van de Prins van Montreal. Deze prins (manager, festivalorganisator, muziekfan) was maar zo kort in Parijs dat zijn gastvrouw geen andere oplossing zag om hem al zijn zakencontacten en vrienden te laten ontmoeten, dan een Cinq à Sept op de vooravond van zijn vertrek.

Maar de taalverwarring ging nog even door, want we ontmoetten er een jong stel, dat recent was ingevlogen uit Los Angeles. De man was een tweetalige Canadees die Nederlands sprak, omdat hij in Den Haag op de middelbare school had gezeten. De vrouw was eveneens behept met meer dan één vocabulaire en grammatica; met een Poolse moeder en een Franstalige vader, was ze in het Duitstalige deel van Zwitserland opgegroeid. Blij verrast met zoveel talen om onze conversaties in te kunnen voeren, spraken we uiteindelijk Franglais met elkaar, want dat bleek de echte lingua franca van de avond te zijn.

Ver na de afgesproken eindstreep van zeven uur gingen mijn man en ik  op weg naar een restaurant, waar we heel gewoon met drie Fransen zouden eten, maar waar we via een gesprek over kernreactoren en haikuschema’s, uiteindelijk verloren gingen in de Japanse betekenis van drie, vijf en zeven. De Cinq à Sept die we ons hadden voorgenomen, veranderde daardoor al snel in een Cinq à Deux, die na thuiskomst zowaar een Cinq à Trois bleek te zijn.

Vandaag hebben we dus maar veel geslapen om morgen zonder uur- en taalverwarring weer met een frisse week te kunnen beginnen.

My Days Inside

At nine in the morning, the sky above Paris is blue. Great, I think, today I can make a sunny walk on Boulevard Raspail. From my past experiences in trying to find sunlight, I know that this street guarantees unobstructed radiation from eleven till two. Skies in Paris might be cloudless, but with all the narrow streets and tall buildings, the winter sun is eluding.

By ten thirty the clouds have moved in. Too bad, I think, but I could go for a pleasant round in the park. No sun, but also no traffic. It’s a second winter favorite.

Around two my stomach is growling. As usual when I am writing, it was impossible to tear myself away from my book. Okay, I decide, lunch first and then I’ll go. But before I’ve finished my salad, it starts to rain. I comfort myself with the thought that it won’t last all day.

I start writing again and get absorbed in my story. In the back of my mind, I must notice that the rain has stopped and patches of blue are calling me. But I’m not willing to let this chapter go unfinished.

At five thirty I make some tea and realize: it’s now or never. Within an hour the sun will set and the whole point of the walk, receiving some daylight, will be obliterated. I open the door and stick my head out. The temperature is mild, the clouds are dark. New rain is eminent. I sigh and close the door. This is why I spend my days inside.

Straatangst

- Mag ik met u oversteken?
Ik kijk op. Naast me staat een vrouw van een jaar of veertig.
Zonder blindenstok.
- Natuurlijk mevrouw, antwoord ik.
We staan op de stoeprand van Rue de Vaugirard.
Het voetgangerslicht is rood.
Ik kijk nogmaals opzij.
Geen kruk of andere instrumenten die een handicap kunnen verraden.
Wanneer het licht op groen springt, grijpt de vrouw mijn elleboog. We lopen het zebrapad op. Een auto nadert met een behoorlijke vaart en remt pas laat af. De vrouw knijpt hard in mijn arm. Op de stoep aan de overkant laat de vrouw me weer los.
- Dank u wel, zegt ze.
- Geen dank, antwoord ik.

Het lijkt me knap lastig straatangst te hebben in een stad als Parijs.

Buitenwijkse avonturen

Ik woon in het zesde arrondissement van Parijs. Een witte en rijke wijk, als ik het samen moet vatten. De enige immigranten zijn de nounou’s (de vrouwen die voor de kinderen van anderen zorgen), de kassières en de vuilnismannen. Soms schaam ik me, dat ik in deze wijk woon, omdat ik er nog niet aan toe ben mezelf als bourgeois te zien, maar meestal vind ik het wel prettig. Het is er namelijk ook erg rustig en veilig, want met de ambassades en ministeries  links van ons en de Sorbonne en het Pantheon rechts van ons, wordt dit stukje Parijs goed bewaakt.

Toch heb ik wel eens het gevoel dat ik iets mis, vooral na het lezen van kleurige verhalen over de andere wijken van mijn stad. De multiculti hutspot, het ontdekken van uitheemse culturen direct om de hoek. Behalve een couscousrestaurant op Cherche Midi is het zesde klassiek Frans. Dus toen ik eindelijk een reden had (ik was uitgenodigd voor de avant-première van een Zwitserse choreografe) om eens een ander stuk Parijs te zien  (St. Ouen, net over de périférique en officieel dus niet eens Parijs meer), verheugde ik me erop.

Bij aankomst, rond 19.30, was het nog licht. Toch liep ik lichtelijk nerveus over de straten bij Porte de Clignancourt. Het leek of alle ogen op mij gericht waren. Ik was niet de enige vrouw op straat, maar wel de enige blanke. Mijn leren tas had ik natuurlijk thuis moeten laten, bedacht ik. En ook gympen waren beter geweest dan Italiaanse laarzen. Tegelijk ergerde ik me eraan dat ik me niet op mijn gemak voelde, want er gebeurde niets bedreigends. Had ik dan toch zoveel vooroordelen? Of voelde ik instinctief aan dat er woede, frustratie en armoede over deze straten waaiden?

Hoe dan ook, zonder incidenten kwam ik na een kwartier lopen op de locatie aan waar ik zijn moest en ik nam me voor na afloop een taxi te nemen. De vriendin die ik daar trof, en die wat meer aan andere wijken gewend was, omdat ze in St. Denis haar proefschrift schreef, lachte om mijn voornemen: er kwamen geen taxi’s in St. Ouen en we konden gerust de bus nemen, slechts twee minuten lopen.

De dansuitvoering was interessant (wellicht bericht ik daar later over) en na afloop (rond 22.00) liepen we naar de halte, waar de bus klaar stond om te vertrekken. Alleen: de chauffeur was verdwenen. Verderop in de straat stonden politiewagens met zwaailichten en een agent zette een gebied met plastic linten af.  We wilden juist aan iemand vragen wat er aan de hand was, toen we schoten hoorden, waarop we uiteraard hard weg renden.

Volgens mijn vriendin konden we via een alternatieve route binnen een kwartier naar metro Garibaldi lopen. Onderweg werd zij nerveus – twee jaar geleden is ze op straat beroofd en in elkaar geslagen. We begonnen nog sneller te lopen en bleven om ons heen kijken, totdat er… zagen we dat nou goed?… een taxi aan kwam rijden, die toevallig een verkeerde afslag moest hebben genomen. Opgelucht stapten we in. Weer thuis dacht ik: het zesde is zo gek nog niet.