My Days Inside

At nine in the morning, the sky above Paris is blue. Great, I think, today I can make a sunny walk on Boulevard Raspail. From my past experiences in trying to find sunlight, I know that this street guarantees unobstructed radiation from eleven till two. Skies in Paris might be cloudless, but with all the narrow streets and tall buildings, the winter sun is eluding.

By ten thirty the clouds have moved in. Too bad, I think, but I could go out later for a pleasant round in the park. No sun, but also no traffic. It’s a second winter favorite.

Around two my stomach is growling. When I am writing, it is often impossible to tear myself away from my book. I decide to have lunch first and go out later, but before I’ve finished my salad, it starts to rain. I comfort myself with the thought that it won’t last all day.

I continue my writing again and get absorbed in my story. In the back of my mind, I must notice that the rain has stopped and patches of blue are calling me. Still, I’m not willing to let this chapter go unfinished.

At five thirty I make some tea and realize: it’s now or never. Within an hour the sun will set and the whole point of the walk, receiving some daylight, will be obliterated. I open the door and stick my head out. The temperature is mild, the clouds are dark. New rain is eminent. I sigh and close the door. This is why I spend my days inside.

Institut Néerlandais per 1 januari 2015 gesloten?

In februari besloot het Institut Néerlandais te stoppen met de programmering van maatschappelijke debatten en literatuur avonden. Bezuinigingen maakten het noodzakelijk de activiteiten in te krimpen. Ik was toen verontwaardigd en teleurgesteld. Dit weekend ontving ik een e-mail met het bericht dat het instituut per 2015 zal worden opgeheven – een besluit van demissionair minister Rosenthal en zijn op reces zijnde parlement.

Pardon? Wat een gehaaste, idiote gang van zaken! Even tussen neus en lippen door (demissionair, reces) zo’n besluit nemen – is dat rechtsgeldig, democratisch? De Raad van Toezicht van het instituut is meteen opgestapt en de directie heeft besloten een bezwaarschrift in te dienen. Ze vragen, heel terecht, om de uitvoering van het besluit op te schorten tot na de verkiezingen, want volgens hen is onvoldoende vastgesteld waarom opheffing noodzakelijk is. Naar aanleiding van de aangekondigde bezuinigingen had het instituut juist een eigen beleid opgesteld met  alternatieve oplossingen en het (deels al in uitvoering zijnde) plan zich verder te professionaliseren wat betreft fondswerving. Dat culturele activiteiten in New York en Berlijn vanuit de Nederlandse ambassade worden georganiseerd is geen goed argument om een onafhankelijk cultureel huis dat sinds 1957 veel internationaal aanzien heeft in Parijs te sluiten. Ambassades opereren veel meer onder invloed van de politiek – gedurfde exposities of debatten zie ik daar niet georganiseerd worden. Daarnaast is het instituut meer dan een doorgeefluik van cultuur. Margot Dijkgraaf schrijft (op Facebook, maar wellicht ook in het NRC): “Het heeft ook een makelaarsfunctie waarbij Franse en Nederlandse organisaties aan elkaar worden gekoppeld en wederzijds ervaringen worden uitgewisseld en know how gedeeld. En het Institut is de ontmoetingsplaats voor kunstenaars, beleidsmakers, historici, academici – maar vooral voor de gewone Fransman en de gewone Nederlander.” Dat laatste kan ik beamen; veel van mijn contacten in Frankrijk heb ik dankzij het instituut ontmoet.

Ik hoop van harte dat aan het bezwaarschrift gehoor wordt gegeven en een nieuw kabinet deze herfst overtuigd kan worden van het belang van het Institut Néerlandais. Bezuinigingen zijn noodzakelijk, maar dat is geen reden om een culturele koningin respectloos de kop af te hakken.

Gepopulariseerd Parijs

Normandië is een prachtige regio waarover ik binnenkort maar eens iets zal schrijven, maar de groene heuvels en hoge kliffen, de sprookjesachtige kastelen en pittoreske dorpen riepen bij de regisseur en de co-scenarist van “Populaire” toch niet hetzelfde enthousiasme me op als de hoofdstad, die we bij thuiskomst aantroffen.

In vrijwel alle kiosken in Parijs hangt sinds gisteren een poster van het cinemablad Premiere, met op het omslag een foto van de twee hoofdrolspelers in de film. Omdat we geen ongeluk wilden veroorzaken door langzaam te rijden en uit ramen te hangen, hebben we de auto uiteindelijk in de Boulevard Raspail aan de kant gezet voor een fotosessie. En vooruit, Deborah en Romain zien er aantrekkelijk uit, maar die man van mij mag er ook wel wezen.

De promo is begonnen. Het is nog wel even wachten voordat we de film mogen zien: 28 november verschijnt hij hier, spoedig daarna elders in Europa, Amerika, Azië en andere landen & continenten. Tot die tijd zal ik hier zo nu en dan schaamteloos mijn eigen marketing doen. Wat mij betreft wordt de hele wereld gepopulariseerd.

Lees hier een preview van het interview met regisseur, producent en hoofdrolspelers (in het Frans)

Schoonheid

Een wakkere zaterdagmiddag vol ongenadige zon. Mijn lief en ik leggen met moeite de pennen neer en sjokken op sandalen naar het Jardin du Luxembourg. We durven het niet aan om een driedaags weekend binnen te blijven met dit weer; de zon zou zich eens beledigd kunnen gaan voelen.

Het park is bezaaid met picknickende stedelingen en gidsbestuderende toeristen. Vlakbij een drinkwaterfonteintje  vinden we twee luie stoelen op een verhoging met een bries. We zinken neer en openen onze lectuur. Hij: The Virgin Suicides (Jeffrey Eugenides). Ik: Light Years (James Salter). Bij iedere derde zin die ik lees, moet ik aan mijn eigen roman denken en maak ik een potloodnotitie in het speciaal daarvoor meegenomen schriftje. Wanneer je in een schrijfbui gaat zitten lezen, kun je namelijk niet lezen; dan schrijf je gewoon via de woorden van anderen verder.

Na een half uur geef ik het op en maak ik een wandeling, mijn lief in zijn stoel achterlatend. Schreeuwende stemmen lokken me naar het hek toe aan de kant van het Pantheon. ‘Moordenaar,’ roepen de stemmen. Dichterbij hoor ik wie er volgens hen een moordenaar is: AirFranc-KLM. Dat klinkt als een intrige waar ik meer van wil weten.

Ik loop het park uit en de demonstratie in. Niet meer dan tien mensen met megafoons roepen hun boodschap naar ongeïnteresseerde voorbijgangers. Ik spreek een jongen aan met roze haar, neusringen, tatoeages. Hij staat me uiterst vriendelijk te woord en overhandigt me een tweetalige flyer. Air France-KLM vervoert laboratoriumdieren en brengt grote hoeveelheden apen uit Mauritius naar Europese martelhuizen. En daar moeten ze mee stoppen, vindt hij. Ik knik meelevend – als vegetariër draag ik dierenrechtenactivisten een warm hart toe.

Een minuut later neem ik afscheid van de moordernaarroepende minimeute en vervolg mijn wandeling, nu mijmerend over laboratoriumdieren. Is Air France-KLM schuldig aan het misbruiken en doden van dieren? Als ze het vervoer zouden stopzetten, neemt een andere compagnie het geheid over. Beter dus om de laboratoriums zelf tot boeman te maken. Maar die zullen de schuldvraag graag nog een stap verleggen en beweren dat het aan de overheid en de consumenten ligt. De overheid staat immers geen medicijnen toe die niet zijn getest en de consumenten willen graag schoon zijn – daarom kopen ze allerlei cosmetische prut. Als er geen vraag is, zal er ook geen aanbod meer zijn, is de redenering.

Ik kijk naar de consumenten in het park: dat wij ziek worden en medicijnen nodig hebben is niet altijd onze schuld, maar waarom willen we allemaal graag zo schoon zijn? Het antwoord volgt snel: omdat de media ons een ideaalbeeld voorspiegelt. Aha! Dus de media zijn de moordenaars! Maar zijn de media niet gewoon spreekbuizen? Spreekbuizen van glamour en glorie. Van Hollywood. Als Hollywood wat vaker gewone mensen zou casten en geen sterren zou produceren, zouden wij allemaal niet zo schoon hoeven zijn. Maar dan kom ik op gevaarlijk terrein, want wie maakt Hollywood? De schrijvers. Zonder schrijvers, geen films. Bijna iedere film die ik tegenwoordig zie is gebaseerd op een roman. Ben ik als schrijver een moordenaar van apen? Er moet een fout in mijn redenering zijn geslopen.

Vertwijfeld ga ik weer bij mijn lief zitten, in een luie stoel. ‘Wie is er nou toch schuldig,’ vraag ik hem, nadat ik hem mijn dilemma uit de doeken heb gedaan. Hij glimlacht geruststellend: ‘Het is de schoonheid zelf, lieverd. Wij mensen kunnen er niets aan doen. Het is altijd het idee zelf.’ Ik knik, het is acceptabel en begrijpelijk, maar wie gaat het de apen uitleggen?

Een knipoog van de Eiffeltoren

Het hofje waarin ik woon is meer dan honderd jaar oud. Zo ook het atelier waarin ik  slaap, eet en schrijf.

In aanloop van de wereldexpositie in Parijs van 1889 heeft de Franse staat ateliers laten bouwen voor kunstenaars die bij de mega-tentoonstelling betrokken waren. Overal in de stad, maar vooral rond Montparnasse, verrezen ze; in mijn straat liggen drie hofjes naast elkaar met elk zo’n twaalf ateliers. De meeste zijn inmiddels omgebouwd tot woning, maar een paar zijn nog in oorspronkelijke staat. Eentje is tijdens de oorlog verloren gegaan onder een per ongeluk gevallen Engelse bom.

Als mensen me naar de geschiedenis van mijn woning vragen, zeg ik meestal: de handen die de Eiffeltoren bouwden, zijn ook verantwoordelijk voor mijn atelier. Erg waarschijnlijk is dit niet, maar het had gekund. De Eiffeltoren en mijn atelier zijn in dezelfde creatieve periode ontstaan; ze hebben een zekere band. Bovendien, als ik ’s avonds in de keuken door mijn hoge ramen naar buiten kijk, knipoogt de toren vaak naar me. Het draaiende zoeklicht van de Eiffeltoren is bij heldere hemel goed te zien.

Toen ik de voorjaarseditie van En Route opende om te zien hoe dit blad er met een nieuw concept en na een drastische restyle uitziet, viel mijn oog meteen op het artikel van Eveline Bijlsma over La dame de fer, dat in dit geval niet over Thatcher ging. Zou de toren nog geheimen voor me hebben, vroeg ik me af.

Het ontwerp is niet van Meneer Eiffel zelf, maar van twee medewerkers van zijn kantoor. Dat wist ik. Het plan was om de toren na de expositie af te breken. Ook dat wist ik. Maar waarom de toren behouden bleef of hoe Hitler destijds door de liftbedienden behandeld werd, dat wist ik niet. Met een grote glimlach nam ik alle weetjes tot mij. Want hoe meer ik over de Eiffeltoren wist, hoe fraaier het verhaal over mijn atelier zou kunnen worden. Na lezing besloot ik dat het hoog tijd was de 1665 treden nog eens te beklimmen, of eventueel eens een lift in te stappen – de laatste keer dat ik boven stond, is ruim tien jaar geleden.

Meer weten over mijn hofje? De personages in De verdwijning van Eva Zomers wonen er.

Meer weten over de Eiffeltoren (of over Femke Wolthuis of over het Rhône gebied waar Van Gogh verliefd op was)? De nieuwe En Route met nieuws, recensies en een uitstekende cultuuragenda ligt in de winkel.

Aardbewoners: de mens

Een oude man loopt op het trottoir met zijn blik op de tegels gericht. Zijn aangelijnde hond trippelt onopgemerkt achter hem aan en snuffelt dat het een lieve lust is. Steeds wanneer het beest zijn poot heft om te plassen, trekt de achteloze man hem omver. Pas aan het einde van de straat lukt het de hond een straal tegen een lantaarnpaal te piesen.

Op de fel verlichte bar van een buurtrestaurant maken de kok en de serveerster na sluitingstijd een nummertje. Toevallige passanten blijven geamuseerd staan of lopen gegeneerd door. Totdat de vrouw op de bar bemerkt dat de rolluiken nog niet gesloten zijn en ze met een zwaai van haar arm de stekker uit de verlichting trekt.

Tussen de goedgevulde rekken van een supermarkt staan een man en een vrouw boos tegen over elkaar. De man draagt een chique maatpak en de vrouw heeft uren besteed aan het stileren van haar kapsel en het aanbrengen van haar masker van make-up. Ze maken ruzie over welk merk mosterd ze zullen kopen.

Een zonnige dag in het park met tientallen jonge gezinnen. Moeders roepen sussende woorden naar hun kroost. Rustig-aan, schreeuw-niet-zo, gedraag-je. Dan komt er een vader aanrennen met drie kinderen. Hij flappert met zijn lange jas alsof hij een eend is die wil opvliegen. Binnen no time heeft hij een schare joelende kinderen achter zich verzameld. En alle moeders kijken goedkeurend toe.

‘Uit bovenstaande alledaagse observaties kunnen we concluderen dat we het begrip “overlevingsinstinct” ruim moeten opvatten om de diversiteit aan menselijk gedrag te kunnen begrijpen.’ (Uit de studie Aardbewoners per soort, hoofdstuk 7 ‘De Mens’)

Parijs in de warme herfst

In zomerjurk op het gras liggen tussen de kastanjes. Een boek met filosofische wijsheden in de hand. Luisterend naar het optreden van een Bigband op het podium.
Glimlachend langs de Medici fontein flaneren. Toeristen die verlegen vragen of je een foto wilt maken. Een crêperie waar je de lunchtrek stilt.

Dit is Parijs in de warme herfst, Luxembourg op zijn best.

Kleine Wereld

Ons huis is te klein. Na twee weken thuiswerken hebben we er genoeg van. Geen zin om te koken en de schrijftafel tot eettafel te verbouwen. Eruit, moeten we!

Het is al half tien als we voordeur achter ons dicht trekken. Onze straat is minder verlaten dan de week ervoor, toen vrijwel alle winkels en restaurants hun deuren gesloten hielden. Her en der zijn eigenaren al van de vakantie teruggekomen en de paar terrassen die open zijn zitten vol. Even doorlopen dus, richting St. Germain.

We slaan een straat in die hard zijn best doet Little Italy te worden. De twee Italiaanse restaurants die er al jaren zitten hebben recentelijk concurrentie gekregen van vier andere restaurants met eenzelfde cuisine. Twee ervan hebben een terras en op een ervan is een tafel vrij. We nemen plaats en bestellen wijn en pasta’s.

Halverwege het diner en midden in ons gesprek over het verloop van een scène in het scenario van mijn lief, komt de eigenaar informeren of het eten ons bevalt. Jazeker, bevestigen wij. Of we in Parijs wonen? Ook dat kunnen we beamen, geen toeristen dus. En dan komt de aap uit de mouw. Of hij zich even mag voorstellen. Leonardo is de naam. Filmproducent. Maar die carrière ligt in zijn verleden. Wat hij dan onder andere geproduceerd heeft? Nou, La Double Vie de Veronique bijvoorbeeld. Ik knik bewonderend – dat is een film die ik tot mijn favorieten reken. Waarom hij gestopt is? Omdat hij regisseur wil worden, en ja het runnen van een restaurant lijkt op het runnen van een filmproductiebedrijf, dus dit doet hij even tussendoor, maar hij heeft een film geschreven, om zelf te kunnen regisseren en of we even willen horen waarover? Natuurlijk, knikken we en we luisteren. Wat leven we toch in een kleine wereld.

De perfecte dag

Gisteren hoorde ik iemands beschrijving van de perfecte dag. ‘Een café au lait sippen op een terras met een krantje erbij, dan langs de Seine wandelen en een boek kopen dat ik niet nodig heb, vervolgens een paar uurtjes door Musée Picasso dwalen en daarna in een bistrot neerstrijken om een fles Bourgogne te bestellen.’

Tja, dacht ik, dat is inderdaad een verdomd fijne dag die ik hier zeven maal per week aan me voorbij laat gaan. Steeds maar weer achter die computer, schrijven aan een nieuwe roman – moest ik niet eens van mijn stad gaan genieten?

Vanmorgen polste ik mijn echtgenoot, of hij geen zin had in een dagje uit in Parijs?
Hij keek gealarmeerd op. ‘Waar wil je naar toe?’
‘Maakt niet uit,’ zei ik, ‘als het maar niet het park is, want daar zijn we iedere dag al.’

‘Goed,’ zei hij en dacht na. ‘Misschien kunnen we beginnen in Musée d’Orsay. Je weet hoe ik van rijen houd en daar staan ’s ochtends altijd de langste. En als we dan na anderhalf uur binnen zijn, hoeven we niet eens een route uit te stippelen: de massa zal ons zo van de ene zaal naar de andere vervoeren. Daarna kunnen we naar de Eiffeltoren – of beter, naar de top van de toren van de Notre Dame. Kunnen we gelijk zo’n Bertillon ijsje eten op het eiland, daar waar de wachttijd minstens een half uur is, want ijsjes waarop je moet wachten zijn nu eenmaal lekkerder. ’s Middags kunnen we dan de Marais in, naar overvolle terrassen kijken en ons in de drukte laten rollen – hoewel we daarvoor natuurlijk ook Quartier Latin in kunnen gaan. Tot slot wil ik dan zo’n boottocht over de Seine, liefst met een diner erbij, zodat we daarna alleen nog likeurtjes van twintig euro per stuk op het terras van Les Deux Magots hoeven te drinken. Lijkt dat je wat?’

Ik zuchtte. Het was augustus en de stad was niet van ons. Vandaag moest het dus maar weer zo’n perfecte dag worden van schrijven en schrijven en een paar uur lezen in het park.