Praatstad

buttes1
Mijn broer en ik doorkruisen de stad. Van Montparnasse naar Hôtel de Ville en Places de Vosges. Of we zijn ambitieuzer en wandelen vanaf de linkeroever eerst naar het park Monceau en vervolgens over de lange boulevard Hausmann naar het park Buttes Chaumont. De zon verwarmt onze ruggen en schijnt ons soms recht in het gezicht, maar de handschoenen blijven aan.

In gedachten zijn we op een boot in Zeeland of in een keuken of een tuin, want herinneringen domineren onze gesprekken. Parijs blijft daardoor een decor. De statige huizen, uitbundige kerken en gevels vol kleuren en letters verdwijnen op de achtergrond. Een goed decor dringt zich niet op.

Soms sta ik stil en knijp in zijn arm. ‘Kijk eens,’zeg ik dan en zijn ogen gaan open. We staan voor de Notre Dame of steken een beroemde laan over. Hij geniet en ik ook: al woon ik al tien jaar in deze stad, ik blijf hem bewonderen. Zodra een van ons het woord herneemt, schikt de omgeving zich weer naar zijn positie. We raken heel lang niet uitgepraat.

Oponthoud

Als schrijver heb ik het recht me uit de wereld terug te trekken om me te concentreren op mijn werk. Tegelijk voel ik de plicht met de wereld in contact te staan omdat schrijven anders wel heel solipsistisch kan worden. De balans tussen me terugtrekken en in contact staan heb ik nog niet gevonden.
Vanmorgen bijvoorbeeld. Vol goede moed ga ik op weg naar het Institut Neerlandais om daar in de bibliotheek te schrijven, maar halverwege het 7e arrondissement mag ik niet verder. Op kruispunten wordt het verkeer door agenten geregeld, gewapende wachten staan op iedere hoek, boven mijn hoofd cirkelen helikopters, busjes van de gendarmerie staan op de stoep en overal klinken sirenes.
‘Il y a un problème?’ vraag ik in al mijn naïviteit.
Een agent geeft me een kort en nors antwoord. Er blijkt een cordon aan te komen waarvoor de halve wijk is afgezet en ik durf niet te vragen voor wie of waarom. Ik zal het vanavond wel weer in de krant kunnen lezen.

Tijdloos

Tien jaar geleden, toen ik van Parijs niet meer gezien had dan Place du Tertre en Le Tour Eiffel, was ik zo brutaal me in te schrijven voor een semester aan de Sorbonne. Wie filosofie studeerde, moest in het land van de Verlichting zijn, vond ik. Na mijn examens over Descartes en Rousseau zou ik met een opgepoetste ratio weer vertrekken. Ik had er geen rekening mee gehouden dat Parijs voor sommigen een Hotel California is: You can check out anytime you like, but you can never leave.
Parijs nam bezit van me en steeds opnieuw verlengde ik mijn verblijf. Er waren hindernissen in de vorm van woningnood, student-onvriendelijke prijzen en een Kafkaëske bureaucratie, maar de stad had mij betoverd en weerloos voegde ik me naar mijn nieuwe habitat. De plannen die ik voor de toekomst had gemaakt en waarin ik een proefschrift zou schrijven en naar Afrika zou reizen werden uitgesteld en uiteindelijk vergeten. Mijn leven was hier en ik leefde het alsof ik dat altijd al had geweten.
Soms herken je een verhaal dat je nog nooit hebt gehoord, staar je in het vertrouwde gezicht van een iemand die je nog nooit hebt ontmoet of voel je heimwee naar een plaats waar je nog nooit bent geweest. Déjà-vu noemen sommigen dat en er zijn talloze wetenschappers en denkers die er hun tanden op hebben stuk gebeten. Parijs was voor mij een déjà-vu dat niet meer ophield, alsof ik alles wat ik in die stad deed al eens eerder had gedaan. Of in ieder geval, alsof ik in de voetsporen van anderen trad.
In de nieuwbouwwijk waarin ik ben opgegroeid, en daarna in de arbeidersstad die ik niet begreep, vulde ik mijn agenda van morgen tot avond met vergaderingen, hobbycursussen, sportafspraken, culturele activiteiten en etentjes. Pas achteraf begreep ik dat het een poging was de leegte te vullen en mijn bestaan betekenis te geven. Want blijkbaar was bestaan alleen niet genoeg – ik voelde mij nergens mee verbonden.
Dankzij de werken van Mircea Eliade heb ik vermoeden gekregen waardoor dat komt. Voor de moderne mens lijkt de tijd een rechte lijn, van geboorte en groei, naar veroudering en dood. Voor de aarde is de tijd een cirkel, van dag naar nacht, van seizoen tot seizoen, een eeuwigdurende kringloop. Het is deze tegenstelling die volgens Eliade voor vervreemding kan zorgen. De primitieve mens leefde in het ritme van de natuur en had geen oog voor geschiedenis – hij vierde het nieuwe jaar om het oude weg te wassen. De moderne mens ontleent zijn betekenis aan het verleden en viert het nieuwe jaar om de toekomst te verwelkomen. Een toekomst die zonder plannen angstaanjagend leeg kan zijn.
Zodra ik me in Parijs had genesteld, voelde ik me opgenomen in een traditie die het overbodig maakte mijn leven vol te proppen, want mijn toekomst lag hemelsbreed niet zo ver af van het verleden van deze stad. Mensen hadden hier al tientallen eeuwen geleefd en mijn leven verschilde niet wezenlijk van dat van hen. Parijs was tijdloos, antiek, klassiek en modern tegelijk, maar ook: zich herhalend. De geschiedenis toonde, dat wat was geweest, kon terugkeren, en weer verdween. Parijs was in andere woorden niets nieuws onder de zon en juist daarom voelde ik me er thuis.
Resultaat was dat de concrete tijd me ontglipte en Parijs zelf soms naar de achtergrond verdween. De stad weerkaatste mijn leven, en de statige boulevards met hun prachtige gevels bleven onopgemerkt. Wanneer ik schreef, zweeg Parijs. Alleen als ik bezoek had of op een toevallige zondag een lange wandeling maakte, drong de schoonheid van de stad weer tot me door. En zo kwam het dat één kort semester ongemerkt tien jaar werd.
In het verleden zijn het onze herinneringen die de duur aangeven. In de toekomst zijn het onze verwachtingen. Maar in het heden is het onze aandacht die bepaalt hoe lang iets duurt. Parijs is voor mij een magistrale en tegelijk vanzelfsprekende dag waar geen einde aan komt.

In Parijs

beemen_inparijsEnige tijd geleden hoorde ik dat er een boek zou worden gepubliceerd over de stad waarin ik woon van een auteur die een paar jaar jonger is dan ik:  In Parijs, van Olivier van Beemen.

Wanneer ik over een nieuwe uitgave hoor, vraag ik me altijd af of het een boek is dat ik
A) meteen moet lezen
B) misschien moet lezen
C) niet hoef te lezen.
In dit geval lag mijn oordeel ergens tussen B en C in. Ik neigde naar C omdat ik mij afvroeg wat ik kon leren van een boek dat geschreven was door een jonkie over een stad waarin ik zelf al tien jaar woonde. En ik neigde naar B omdat ik meteen nieuwsgierig was naar de ervaringen van iemand van ongeveer mijn leeftijd, in plaats van naar die van bijvoorbeeld Philip Freriks, een naam die je overigens niet moet noemen in aanwezigheid van sommige jonge correspondenten in Parijs als je verhitte discussies wilt vermijden.
Op het moment dat ik las dat het boek bij mijn oude uitgever Balans was verschenen, besloot ik Van Beemen spontaan te feliciteren met zijn debuut, wat me een uitnodiging voor een dinertje bij hem thuis opleverde. Het boek, dat tussen ons in op tafel lag, werd natuurlijk al gauw een A.

Van Beemen beschrijft op een prettig lichte toon de recente geschiedenis van Parijs zoals ik die ook heb beleefd: de traumatische populariteit van Le Pen, de plotselinge haat van de Amerikanen voor de Fransen inzake Irak, de eindeloze sympathiewegwassende demonstraties van links, de in het buitenland opgeblazen rellen in de banlieu. De gaten in mijn geheugen werden met nauwkeurige feiten opgevuld.
Maar het boek geeft meer, omdat het ook het verhaal van de journalist zelf vertelt: zijn geldgebrek als student, zijn problemen om als buitenlander zonder vast contract een appartement te huren, de plaatsvervangende schaamte die hij voelt voor sommige Fransen die de sociale voorzieningen misbruiken. Juist door deze combinatie van journalistieke kennis en persoonlijke belevenissen is In Parijs een boek dat de lezer laat ervaren hoe het is om in deze wereldstad te wonen.

Het enige wat me af en toe tegenviel, was dat ik de prikkelende making-of te lezen kreeg van een artikel dat niet in het boek was opgenomen. Zo beschrijft Van Beemen levendig hoe hij in een klein plaatsje arriveert en zich zenuwachtig maakt de grote Houellebecq te ontmoeten zonder dat het uiteindelijke interview erop volgt – misschien moet ik daarvoor zijn volgende boek afwachten – maar dat ik na lezing van In Parijs naar meer verlang, kan uiteraard alleen betekenen dat zijn liefdevolle en oprechte portret van de stad me heeft geraakt. Voor iedereen die van Parijs houdt is dit een boek dat je meteen moet lezen.

Meer over het boek: www.inparijs.nl
Weblog van Olivier van Beemen: www.parijsblog.nl

Moeie voeten

Op zoek naar een Halloween kostuum stapte ik gisteren in de metro naar Etienne Marcel van waaruit ik de Marais en het gebied rondom Les Halles zou verkennen. Tientallen winkels later en vele straten verder wilde ik weer naar huis. De straatnamen kwamen me enigszins bekend voor, maar het lukte niet ze in de kaart in mijn hoofd te plaatsen.
Op goed geluk sloeg ik links en rechts, erop vertrouwend dat ik bij het eerst volgende kruispunt wel een metrostation zou tegenkomen. Drie kruispunten verder had ik nog geen station gezien al waren er wel richtingaanwijzers die beweerden dat Place de la République ten Zuiden van me lag. Ten Zuiden? Waar was ik dan in godsnaam? Met behulp van een vriendelijke groenteman, een enigszins geprikkelde ober en een voor rood licht wachtende chauffeur vond ik uiteindelijk een metro die me weer naar mijn linkeroever bracht.
Na tien jaar Parijs is het blijkbaar nog heel goed mogelijk te verdwalen. Mijn voeten zijn er minder verheugd over dan mijn geest.

Wat is er mis met een citroen?

Vanmorgen op de markt was ik het onderwerp van een ruzie. Het ging heus niet alleen over mij, er bestonden vast al spanningen en hoog opgelopen irritaties, maar ik was de spreekwoordelijke druppel.
Omdat het niet druk was, of misschien vanwege mijn vriendelijke lach, werd ik tegelijkertijd door twee kooplui van dezelfde kraam aangesproken. Ik moest kiezen en nam de oudste, die het minst flirterig terug lachte.
Zonder problemen kocht ik mijn bananen en tomaten, maar bij de broccoli ging het mis. De oudere man pakte een stronkje in, dat door de jongere man hoofdschuddend werd uitgepakt: voor deze mademoiselle hadden ze versere groente, die nog in het busje lagen. Ze ruzieden in een taal die ik niet verstond met als resultaat dat ik een felgroene broccoli in mijn tas kon stoppen. Vervolgens kocht ik mijn avocado’s en uien en ieder stuk werd met geduld en aandacht geselecteerd.
Na het afrekenen gaf de oudste me een citroen cadeau en dat had hij nou niet moeten doen. Imbeciel! Gestoorde! Eikel! Of zoiets, want de woorden werden opnieuw uitgesproken in die voor mij onbekende taal. De jongste vervolgde in het Frans: je geeft zo’n meisje toch geen citroen! Wat zal ze niet van ons denken? Een perzik, moet je haar geven of een bakje druiven. Excuses mademoiselle, mag ik u wat vijgen aanbieden? Terwijl ik het fruit aannam, droop de oudere af. Wat is er mis met een citroen, vroeg hij zich af.

Stroperig grijsgeel licht

Ik verkies blauwe boven grijze luchten en toch is Parijs onder een dikke wolkendeken op haar mooist. Vandaag genoot ik van het park. Op ooghoogte is alles nog groen, zodra je omhoog of omlaag kijkt, zie je de herfst. Het licht is getint door de najaarskleuren: geel, oranje, rood en bruin. Rechts van het paleis, naast de Medici fontein, waan ik me in het Parijs van de jaren vijftig. Onder de bomen staan twee schilders opgesteld, ieder in een vaalblauwe overall met een alpinopet op. Ze schilderen wat mij ook zo heeft geraakt: het stroperige grijsgele licht.

La Rentrée

Parijs komt weer tot leven. Vanmorgen op weg naar het park waar ik mijn dagelijkse rondjes loop, zag ik de eerste tekenen: rolluiken zijn opgehaald, ramen worden gelapt en in de etalages dragen de poppen weer kleren.

Parijzenaars die het zich konden veroorloven zijn de hoofdstad ontvlucht om bruin te worden in het Zuiden en keren nu na een lange zomer uitgerust terug. De sfeer is daarom uitermate positief. Het is als een mooie voorjaarsdag die iedereen de straat opjaagt, of als de eerste dag van het nieuwe jaar waarop mensen met goede voornemens de wereld ineens opgewekter tegemoet treden. Boekhandels presenteren de boeken van het seizoen, cafés en restaurants tonen hun nieuwe interieur en theaters bieden kortingen aan voor hun bomvolle programma’s.

Welkom. La Rentrée is hier.

De Italiaanse Cavist

Onze cavist is een eigenaardige man. Wellicht iets te eigenaardig om winstgevend te zijn. Een jaar geleden opende hij zijn boetiek bij ons om de hoek, waarin hij niets dan de beste Italiaanse producten verkoopt en het leeuwendeel is wijn. Sindsdien zijn we vaste klant. Goede Italiaanse wijnen zijn in Frankrijk nog tamelijk schaars en na ons huwelijk in Toscane drinken we nauwelijks nog Bordeaux of Côtes du Rhône. Dankbaar voor onze trouwe klandizie, geeft de cavist ons bij iedere aankoop een cadeau: een fles Prosecco, een potje olijven of een voorverpakte ciabatta. Omdat al zijn producten voortreffelijk zijn, kopen we nu ook zijn biologische olijfolie, zijn speltpasta en zijn tapenade. Uitstekende marketing van zijn kant: we worden steeds meer van hem afhankelijk.
Maar zijn voorkeursbehandeling gaat verder: toen wij gisteren zijn winkel binnenliepen, stond er een echtpaar aan de toonbank. Ze wilden zes specifieke flessen kopen, die de cavist hen weigerde. ‘Deze verkoop ik alleen aan vaste klanten,’ zei hij. Het echtpaar werd boos, ze beweerden vaste klant te zijn en wat in de winkel stond, moesten zij kunnen kopen. De cavist hield voet bij stuk en de ruzie liep hoog op. Het echtpaar beweerde nooit meer te zullen komen en al hun vrienden te waarschuwen dat ze bij die Italiaanse idioot uit de buurt moesten blijven. De cavist trok zich er weinig van aan en glimlachte af en toe naar ons. Zodra het echtpaar de zaak had verlaten, bood hij zijn excuses aan ons aan. ‘Ik verkoop deze wijn alleen aan mensen die hem kunnen waarderen. Willen jullie een fles? Een cadeautje.’

On roule pour vous

Het is een eigenaardige traditie, een auteur achter zijn bureau vandaan te vissen, of in dit geval uit zijn reizen te halen, en op een podium te installeren. Auteurs horen niet op een podium, al doet de souplesse waarmee sommige schrijvers zich laten interviewen anders vermoeden. Sommige schrijvers hebben het wezen van de publieke persoon onder de knie, maar de meesten moeten het zonder die gave doen. Zo ook Nooteboom, wat hem in mijn ogen des te charmanter maakt.
Wellicht was Nooteboom in zijn jongere jaren een ware performer, ik weet het niet, want ik zag hem gisteren pas voor het eerst, in het Institut Néerlandais, achter een tafel op een platform met felle lichten op zijn gezicht. Schuchter leek hij niet, wel onwennig en slecht op zijn gemak. Hij sprak Frans, uiteraard, want deze man spreekt zijn talen vloeiend, maar toch liep het gesprek niet lekker. Gevangen tussen de zachte stem van de ondervraagster en de schelle woorden uit de speakers, kon hij de vragen slecht verstaan. Ook zijn eigen eruditie bleef achter. Er is een groot verschil tussen ‘je goed verstaanbaar maken’ en ‘meesterlijk spreken’ en dat verschil was hoorbaar. Steeds wanneer Nooteboom tussen de vragen door een paar woorden Nederlands sprak met zijn vertaler, hoopte ik dat hij in het Nederlands verder zou gaan, want in de man die daar op het podium zat, herkende ik nauwelijks de auteur die zijn eigen taal zo machtig is. Optreden in een vreemde taal is blijkbaar nog compromisvoller dan optreden in eigen land.
Gelukkig werden er wel veel zinnige dingen gezegd, over reizen en schrijven en over de mogelijkheden en beperkingen van vertalen. Zo noteerde ik dat reizen een van de weinige manieren is om alleen en tegelijk geheel in de wereld te kunnen zijn en dat het lezen van Proust in het Engels het voordeel heeft, dat de stijl in nieuwe vertalingen voortdurend gemoderniseerd wordt en de boeken daardoor beter leesbaar blijven.
De humorvolle momenten hebben de avond voor mijn gevoel gered. Nooteboom was weinig welwillend om uit eigen werk voor te dragen. Eerder had hij een verzoek al uitgesteld en nadat hij één gedicht had voorgelezen, durfde men nauwelijks te vragen er nog een te kiezen. Nooteboom leek niet te begrijpen waarom men zo graag wilde dat hij voorlas en haalde zijn schouders op: ‘Natuurlijk kan ik er nog een doen – on roule pour vous’,  zei hij, wat misschien het beste vertaald kan worden met ‘U vraagt, wij draaien.’ De auteur als circusaapje van zijn publiek. Ik hoop dat Nooteboom de komende tijd weer ongestoord kan schrijven.