Cinq à Sept

Gisteren waren mijn man en ik uitgenodigd voor een Cinq à Sept in een atelier nabij Nation. Een Cinq à Sept is een term die ze in Quebec gebruiken om een feestje aan te duiden, dat als een aperitief voor het diner plaatsvindt. Eenmaal aangekomen leerden wij, dat de term Cinq à Sept in Frankrijk juist wordt gebruikt om een bezoek aan een maîtresse te benoemen. In ons geval ging het echter om een legitiem feestje, een feestje dat werd gegeven te ere van de Prins van Montreal. Deze prins (manager, festivalorganisator, muziekfan) was maar zo kort in Parijs dat zijn gastvrouw geen andere oplossing zag om hem al zijn zakencontacten en vrienden te laten ontmoeten, dan een Cinq à Sept op de vooravond van zijn vertrek.

Maar de taalverwarring ging nog even door, want we ontmoetten er een jong stel, dat recent was ingevlogen uit Los Angeles. De man was een tweetalige Canadees die Nederlands sprak, omdat hij in Den Haag op de middelbare school had gezeten. De vrouw was eveneens behept met meer dan één vocabulaire en grammatica; met een Poolse moeder en een Franstalige vader, was ze in het Duitstalige deel van Zwitserland opgegroeid. Blij verrast met zoveel talen om onze conversaties in te kunnen voeren, spraken we uiteindelijk Franglais met elkaar, want dat bleek de echte lingua franca van de avond te zijn.

Ver na de afgesproken eindstreep van zeven uur gingen mijn man en ik  op weg naar een restaurant, waar we heel gewoon met drie Fransen zouden eten, maar waar we via een gesprek over kernreactoren en haikuschema’s, uiteindelijk verloren gingen in de Japanse betekenis van drie, vijf en zeven. De Cinq à Sept die we ons hadden voorgenomen, veranderde daardoor al snel in een Cinq à Deux, die na thuiskomst zowaar een Cinq à Trois bleek te zijn.

Vandaag hebben we dus maar veel geslapen om morgen zonder uur- en taalverwarring weer met een frisse week te kunnen beginnen.

Straatangst

– Mag ik met u oversteken?
Ik kijk op. Naast me staat een vrouw van een jaar of veertig.
Zonder blindenstok.
– Natuurlijk mevrouw, antwoord ik.
We staan op de stoeprand van Rue de Vaugirard.
Het voetgangerslicht is rood.
Ik kijk nogmaals opzij.
Geen kruk of andere instrumenten die een handicap kunnen verraden.
Wanneer het licht op groen springt, grijpt de vrouw mijn elleboog. We lopen het zebrapad op. Een auto nadert met een behoorlijke vaart en remt pas laat af. De vrouw knijpt hard in mijn arm. Op de stoep aan de overkant laat de vrouw me weer los.
– Dank u wel, zegt ze.
– Geen dank, antwoord ik.

Het lijkt me knap lastig straatangst te hebben in een stad als Parijs.

Buitenwijkse avonturen

Ik woon in het zesde arrondissement van Parijs. Een witte en rijke wijk, als ik het samen moet vatten. De enige immigranten zijn de nounou’s (de vrouwen die voor de kinderen van anderen zorgen), de kassières en de vuilnismannen. Soms schaam ik me, dat ik in deze wijk woon, omdat ik er nog niet aan toe ben mezelf als bourgeois te zien, maar meestal vind ik het wel prettig. Het is er namelijk ook erg rustig en veilig, want met de ambassades en ministeries  links van ons en de Sorbonne en het Pantheon rechts van ons, wordt dit stukje Parijs goed bewaakt.

Toch heb ik wel eens het gevoel dat ik iets mis, vooral na het lezen van kleurige verhalen over de andere wijken van mijn stad. De multiculti hutspot, het ontdekken van uitheemse culturen direct om de hoek. Behalve een couscousrestaurant op Cherche Midi is het zesde klassiek Frans. Dus toen ik eindelijk een reden had (ik was uitgenodigd voor de avant-première van een Zwitserse choreografe) om eens een ander stuk Parijs te zien  (St. Ouen, net over de périférique en officieel dus niet eens Parijs meer), verheugde ik me erop.

Bij aankomst, rond 19.30, was het nog licht. Toch liep ik lichtelijk nerveus over de straten bij Porte de Clignancourt. Het leek of alle ogen op mij gericht waren. Ik was niet de enige vrouw op straat, maar wel de enige blanke. Mijn leren tas had ik natuurlijk thuis moeten laten, bedacht ik. En ook gympen waren beter geweest dan Italiaanse laarzen. Tegelijk ergerde ik me eraan dat ik me niet op mijn gemak voelde, want er gebeurde niets bedreigends. Had ik dan toch zoveel vooroordelen? Of voelde ik instinctief aan dat er woede, frustratie en armoede over deze straten waaiden?

Hoe dan ook, zonder incidenten kwam ik na een kwartier lopen op de locatie aan waar ik zijn moest en ik nam me voor na afloop een taxi te nemen. De vriendin die ik daar trof, en die wat meer aan andere wijken gewend was, omdat ze in St. Denis haar proefschrift schreef, lachte om mijn voornemen: er kwamen geen taxi’s in St. Ouen en we konden gerust de bus nemen, slechts twee minuten lopen.

De dansuitvoering was interessant (wellicht bericht ik daar later over) en na afloop (rond 22.00) liepen we naar de halte, waar de bus klaar stond om te vertrekken. Alleen: de chauffeur was verdwenen. Verderop in de straat stonden politiewagens met zwaailichten en een agent zette een gebied met plastic linten af.  We wilden juist aan iemand vragen wat er aan de hand was, toen we schoten hoorden, waarop we uiteraard hard weg renden.

Volgens mijn vriendin konden we via een alternatieve route binnen een kwartier naar metro Garibaldi lopen. Onderweg werd zij nerveus – twee jaar geleden is ze op straat beroofd en in elkaar geslagen. We begonnen nog sneller te lopen en bleven om ons heen kijken, totdat er… zagen we dat nou goed?… een taxi aan kwam rijden, die toevallig een verkeerde afslag moest hebben genomen. Opgelucht stapten we in. Weer thuis dacht ik: het zesde is zo gek nog niet.

Bonjour Paris!

Met de administratie achter de rug en de zon buiten de deur, verliet ik vanmiddag mijn huisje op zoek naar Parijs. Een stad moet je, net als de natuur, welwillend tegemoet treden denk ik.  Een huis aan de rand van het dorp waardeer je ook pas wanneer je lange wandelingen maakt, over weilanden naar de horizon staart en naar de vogels luistert.
Mijn eerste stop was in de Jardin du Luxembourg waar ik een crêpe at onder de bomen en naar de voorbijtrekkende toeristen keek. Mijn favoriete plaatje van de welopgevoede kinderen die rondom de fontein met zeilbootjes speelden, was vandaag helaas vervangen door een chaotische film vol jengelende en rondrennende schoffies.
Via de boulevard Raspail liep ik naar mijn volgende stop: Cimetière Montparnasse. Lang niet zo mooi als de begraafplaats in het Noordoosten van Parijs (Père Lachaise) en toch een fijne plek om te vertoeven. De melancholische rust die er hing, deed me goed, maar het idee dat ik me het meest thuis voelde waar de doden rustten, zat me dwars. Ik was jong: ik moest van de levende stad genieten!
Op weg naar huis nam ik me voor om de websites van mijn favoriete musea te bezoeken en te zien welke exposities ik in september niet wilde missen. Onwillekeurig wierp ik een blik in de etalage van een ‘dégriffé’ en verdomd: daar hing een heel aardig jasje. Nu moet er wel meer dan een ‘aardig jasje’ in een winkel aanwezig zijn om iemand die in principe niet van winkelen houdt naar binnen te kunnen lokken, maar toch ging ik overstag: om mijn zeer modegevoelige echtgenoot te verrassen, zou ik mijn herfstgarderobe alvast een update geven. Een uur later stond ik met een volle tas weer buiten. Bonjour Paris!

Parijs (1/4) – In de zomer

Verdwaasde toeristen in korte broeken sjokken over de boulevards. In hun hand een flesje lauw water en een plattegrond. Teleurgesteld vegen ze het verstofte zweet van hun voorhoofd. De schoonheid die hen is beloofd verschuilt zich achter de hitte van het asfalt. Geen parfum stijgt uit boven de urinegeuren en het in de zon gefermenteerde vuilnis. Iedere zeebries ontbreekt.
Banketbakkers, schoonheidsspecialisten en boetiekeigenaren laten hun rolluiken neer en sluiten hun winkels voor minimaal een maand. Het aanzien van residentiële wijken is desolaat. Réouverture fin août. Wanneer het leeuwendeel van de klandizie op vakantie is, kun je maar beter hun voorbeeld volgen. De winkeliers die blijven, zitten zuchtend met een sigaret op de stoep in de hoop op een vriendelijk woord.
De zakenlui en bureaucraten die nog niet naar het Zuiden zijn gevlucht, waar hun landhuis met zwembad op hen wacht, nemen extralange lunchpauzes in de weinige restaurants waar een airco blaast. Werktijden zijn altijd relatief. Openingstijden en bereikbaarheid dus ook. De bewoners van de banlieues die zich een vertrek niet kunnen veroorloven, komen de binnenstad in en strekken zich uit op de oevers van Paris Plage. Volgens de burgermeester is het water van de Seine weer schoon genoeg om in te zwemmen.
Door de verlaten straten van het zevende arrondissement, die doorgaans bevolkt worden door diplomaten en ambtenaren, loop ik van mijn atelier nabij Saint Placide naar het Institut Néerlandais aan de Rue de Lille. Ik werk er vaak om aan de stem van mijn echtgenoot te ontkomen, die via allerlei kanalen met zijn creatieve partners in Londen, Stockholm en LA communiceert. De bibliotheek van het instituut, die op drukke dagen zo’n vijf bezoekers telt, is leeg. Het raam staat open, al is er geen luchtstroom om verkoeling te brengen. Alleen de verkeersgeluiden van Saint Germain glippen naar binnen.
Bij gebrek aan concentratie verplaats ik mij in gedachten naar andere delen van de stad waar vast en zeker lange rijen staan. Voor de musea en de Notre Dame. Voor de bioscopen en de Eiffeltoren. Er is te weinig schaduw om alle belangstellenden te kunnen beschermen. Slimmeriken zoeken daarom een terras op onder de bomen totdat de zon achter de hoge huizen is verdwenen. Zij slaan hun slag bij het Louvre op avonden dat de galerieën er tot negen uur ’s avonds geopend zijn.
Ik staar nog eens uit het raam en tel de dagen tot ik naar Nederland vertrek. De hele maand augustus zal ik in het Roland Holst Huis verblijven in Bergen om te werken aan mijn vierde roman die diep in de Hollandse polder speelt. Ik verlang naar de duinen, de Noordzee, de bossen. Parijs is een wereldstad, een lichtstad, een flaneerstad, ja, een prachtstad is het. Maar Parijs in de zomer is niet mijn favoriet.

Deze column is geschreven voor de website van Caspar Visser ‘t Hooft, auteur van enkele verhalenbundels. Zijn debuutroman ‘Koningskinderenverschijnt in de herfst van 2010.

Zomer

Een vrouw in een zuurstokroze jurk staart naar de blanke pagina van haar opschrijfboekje. Een fransmager meisje zit op schoot bij een amerikaanszware jongen. Drie toeristen met bierblikjes worden door een parkwachter van het gras afgefloten. En ik heb medelijden met niemand, want de zomer is ook voor hen aangebroken.

Toerist in eigen stad

Moeder in Parijs. Stop. Rijen voor Musée d’Orsay en uitgeweken naar La Durée. Stop. Ik raad vooral de macaron met champagnesmaak aan. Stop. Regen in Versailles, maar verliefd geworden op de tuinen van Marie-Antoinette. Stop. Vandaag staat het Palais de Tokyo op het programma. Stop. Is dat de zon?

Galette de Sarrasin

Bij mijn favoriete crêperie bestel ik een galette de sarrasin (oftewel een boekweitpannekoek) met artisjokbodems, ei en zongedroogde gemarineerde tomaten, zoals altijd. Maar dit keer hebben ze helaas geen artisjokbodems meer – of ik niet eens iets anders wil proberen? Ik bekijk de lange lijst die vrijwel uitsluitend bestaat uit vleesproducten en me dus weinig keus laat. Goed, zeg ik, doe er maar een met rucola en geitenkaas.
Hoe vaak ik het ook aanschouwd heb, het blijft een plezier de vakkundige handelingen van de chef te volgen;  hij smeert het beslag flinterdun uit en keert de crêpe op precies het juiste moment om zonder hem te scheuren. Daarna belegt hij hem royaal, zo royaal dat ik protesteer: zoveel kaas kan niemand toch eten!
Maar ik heb te zacht en bovendien te laat gesproken. De enorme blokken geitenkaas liggen al te smelten en voor ik het weet houd ik een hete met servetten omwikkelde maaltijd in handen waarmee ik naar het Jardin du Luxembourg wandel. Daar zoek ik een stoel in de zon en begin ik te eten, of beter gezegd: daar begin ik de strijd. Want hoe eet je een galette met lange slierten groen en enorme door kaas aan elkaar klevende happen? Ik probeer het voorovergebogen, met de benen uit elkaar en werk de rucola naar binnen zoals kinderen spaghetti slurpen.
Het blijft niet onopgemerkt. Op een afstandje leggen twee fotografen aan en nemen me onder vuur. ‘Merci!’ roep ik, in mijn trots gekrenkt. Ik mag hopen dat ze volgende keer gewoon weer artisjokbodems hebben.

Na afloop leefde iedereen op

Gisteren op het Institut Néerlandais was een kleine, maar voorname groep mensen verzameld. Drie schrijvers, Charlotte Mutsaers, Stefan Brijs en Tomas Lieske waren uitgenodigd om te komen praten over…ja, over wat precies? Twee intelligente critici, de een van Le Monde Raphaelle Rérolle, de ander van de NRC Margot Dijkgraaf, waren gevraagd om de schrijvers  te interviewen. In het publiek van pakweg vijftig geïnteresseerden ontwaarde ik onder andere Hugo Brandt Corstius, Henk Pröpper en Hugo Siblesz (onze Nederlandse ambassadeur hier in Parijs).  De verwachtingen waren hoog gespannen.

Het officiële gedeelte van de avond duurde twee uur, twee uur waarin ik wachtte tot het allemaal echt zou beginnen. Hoe kon een avond met zoveel talent zo verzanden in oppervlakkigheden? Dit is geen cynisme, maar oprechte verbazing. Ik begrijp het niet. Lag het aan mij, had ik weer eens te veel verwacht? Of greep niemand daar achter die tafel de kans om iets diepzinnigs te zeggen? Iets waar ze zeker wel toe in staat waren, als ik op de teksten en romans mag afgaan die ze geschreven hebben.

Op eerdere literaire avonden die ik bijwoonde, gebeurde er altijd iets; een schrijver kwam ter plekke tot een bepaald inzicht en deelde dat met het publiek, auteurs gingen – onder de verbaasde blikken van moderatoren – ineens met elkaar in discussie, of er ontstond buiten het geplande thema om een boeiende dialoog tussen auteur en vertaler.

Gisteravond bleef ik wachten. De presentatie van Brijs was onderhoudend en de voorgelezen fragmenten waren mooi en wel gekozen, maar toch veerde ik nergens op. Als iemand de avond gered heeft, was het wellicht Mutsaers die met haar scherpe opmerkingen en laconieke reacties de lachers op haar hand kreeg. En daarna was er Belgisch bier en een buffet en prees mijn Finse buurvrouw, die voor een keer met me mee was gekomen, de gezelligheid van de Nederlanders. Want ja, na afloop leefde iedereen op.

Lenterige lichtheid

spaghettiOp een terras waar meer dan dertig Parijzenaren en toeristen zijn neergestreken, loopt een mager meisje rond met een enorm serveerblad. Op deze onverwacht mooie dag staat ze er alleen voor en van haar illusieloze blikken leid ik af, dat ze het heeft opgegeven om haar cliënten tevreden te  stellen. Alleen voor het hoogst noodzakelijke is ze beschikbaar: bestellingen opnemen, tafels afruimen en gerechten serveren die de keuken heeft uitgespuugd – ze doet het op de automatische piloot zonder te geloven dat iemand er beter van wordt. Verzoeken om waterkaraffen en extra servetten negeert ze. Evenals de klachten over het lange wachten.
Mijn man en ik bestellen twee glazen crianza en twee borden Spaanse soep met spelt en bonen. Haast hebben we met deze lunch niet. Het is weekend, we zitten buiten en hebben gespreksstof genoeg. De wijn is op voordat de soep op tafel staat, een soep die in kleine kommen is geserveerd en op bouillon lijkt. Pas na het oplepelen ervan beseffen we dat het beloofde brood niet is meegekomen. Ondanks onze honger besluiten we niet opnieuw iets te bestellen – we gaan later wel ergens een bakkerij in. Of niet.
De volgende stop blijkt een nieuwe wijnwinkel te zijn, die op deze zonnige zaterdag spontaan besluit tot een proeverij van biologische cuvées.  Uiteraard zeggen we geen ‘nee’, we hebben immers nog steeds geen haast. De eigenaar is uiterst gul met de scheuten alcohol en op de weg terug naar huis lopen we minder recht dan gewoonlijk, al is het nog geen zwalken te noemen.
Voor de deur van onze vaste enoteca staat onze cavist met zijn armen over elkaar – op ons te wachten lijkt het wel. Hij biedt ons een glas prosecco aan dat we niet kunnen weigeren. De lenterige lichtheid van de dag bereikt zijn hoogtepunt als mijn man besluit om thuis de eerste fles rosé van dit voorjaar open te trekken. En daarna maken we maar gauw wat te eten klaar; spaghetti pomodorini met tien tenen knoflook. Zwaar voel ik me voorlopig niet.