Waren de oude Grieken kleurenblind?


De epische gedichten van Homerus zijn al eeuwen een geliefd onderwerp voor academici. Bibliotheken zijn erover vol geschreven. Dus toen de Engelse professor en staatsman William Gladstone zeventienhonderd pagina’s over de Ilias en de Odyssee publiceerde, keek niemand raar op.
Wel raar, vond men wat hij te zeggen had. Hoe briljant en belezen Gladstone ook was, en hoeveel vlijmscherpe inzichten hij ook wist op te pennen, er zaten een paar hoofdstukken in die studie van hem die de gemoederen lang heeft bezig gehouden. Vooral de conclusie die hij trok uit een analyse van Homerus’ kleurbeschrijvingen, is eerst met verve verworpen en vervolgens met passie omarmd.
Een man die de zee wijnachtig noemt, schapenvachten als violet bestempelt en de Griekse luchten en zeeën nooit de kleur ‘blauw’ toedicht, kan niet anders dan kleurenblind zijn, vond Gladstone. Terwijl sommigen Homerus’ beschrijvingen juist dichterlijke vrijheid noemden, begonnen anderen geïntrigeerd onderzoek te doen. Op basis van een paar experimenten en heel veel veronderstellingen concludeerde ene Lazarus Geiger dat onze gevoeligheid voor kleuren waarschijnlijk pas in de laatste twee millennia is ontwikkeld. Door onze ogen te trainen, en die training op miraculeuze wijze door te geven aan onze kinderen, konden we de regenboog volgens hem steeds beter zien.
Darwin, die in die tijd zijn theorie over natuurlijk selectie publiceerde, sprak dit soort conclusies uiteraard fel tegen, maar linguïsten luisterden liever niet naar hem: hoe kon je anders verklaren dat de kleurbeschrijvingen van Homerus zo tekortschoten terwijl zijn vocabulaire op andere gebieden zo verfijnd was?
Het antwoord kwam pas toen wetenschappers de kleurgevoeligheid van de nobele wilden gingen testen. En wat bleek? Inboorlingen in Afrika konden de Westerse kleurstaafjes feilloos categoriseren – ze hadden alleen geen woorden om al die diverse kleuren te benoemen.

Guy Deutscher schreef het boek Through the language glass (2010) waarin hij zich afvraagt of de taal de spiegel is van de samenleving en of een taal kan beïnvloeden hoe je denkt; zeer interessant voor iemand die buiten haar taal woont en weleens in een andere dan haar moedertaal schrijft. Maar het boek geeft helaas weinig antwoorden. Gelukkig bevat het wel grappige en goed gedocumenteerde verhalen zoals het bovenstaande. Ik zal de Odyssee een volgende keer met andere ogen lezen.

The Marriage Plot – Jeffrey Eugenides

When you start reading a novel with the highest expectations, chances are you will be disappointed when you turn the last page. Unfortunately, this was the case with The Marriage Plot, a novel I have looked forward to before its title was even announced. Perhaps I might have been less critical, if an unknown author had written The Marriage Plot, and I might have even checked out this unknown author’s earlier works. In other words: The Marriage Plot is not a bad novel. But it was written by the author of Middlesex, a book I so thoroughly enjoyed and admired, that I entered the experience of reading its sequel with a good deal of anticipation.

That one novel creates expectations for another novel, that a book is not solely judged for what it is, might seem unfair, but it is surely something that Jeffrey Eugenides could have foreseen. Having chosen semiotics as one of his themes, he must have realized that books refer to other books, and that human experiences are similarly related: we experience life through the accounts of the experiences of others. What we read, hear and see in advance, influences how we perceive reality and how we judge our own experiences. Everything makes us think of something else, reminds us of what has been noted before. In short: we live in a pre-experienced world.

Eugenides is playing with this concept throughout his novel. His chosen motto is from La Rochefoucauld: ‘People would never fall in love if they hadn’t heard love talked about.’ He often describes objects with popular references (‘black iron fences like those in a Charles Addams cartoon or a Lovecraft story’). He even lets one of his characters state that his goal in life is ‘to become an adjective’, to create a unique universe to which others can refer by using your name. Like Kafkaesque or Tolstoyan. To say that The Marriage Plot was not Eugenidesean enough, could therefore also be interpreted as a compliment.

But what was so disappointing? I loved the utterly American setting (a college on the Northeastern coast in the early nineteen eighties), I marveled at the style (‘What exquisite guilt she felt, wickedly enjoying narrative!’) and I was interested in reading about manic depression and Christian mysticism. The novel is also very engaging; Eugenides does not miss one detail to bring you back into a time and place. He quotes the movies his characters watch, describes the food they crave, mention the tracks they play in the bar and the photos they have framed on their walls. On top of that, the novel provided me with the joy of recognition: Derrida, Barthes and their delicious incomprehensibility. It could have been all so entertaining.

The letdown set in fairly early though when I realized that Madeleine, the female protagonist, was not developing into a character for whom I could cheer. The long opening section is written from her point of view and she does not come across as particularly interesting. I hoped this would change once she got over the hangover she presumably had, but that wasn’t the case. Nearly half of the novel is given to her, but as well read and clever as the people around her seem to be, Madeleine herself does not spark. Things just seem to happen to her and she responds haphazardly. Her thoughts are often limited to reflections about her sex life, her looks, her moderate career ambitions and the lack of party-time. Why the two male characters fall in love with her and become obsessed remains a mystery. Perhaps they are not so profound after all, falling for a pretty girl, whose looks are nonetheless never described to be amazing.

By the end, when the male characters take the stage more often, the novel becomes much better, but ultimately The Marriage Plot does not deliver what it promises. From the opening lines of the book, the title and the interest Madeleine has in the role of matrimony in fictional plots, I had expected a story in which the reading of Victorian novels would somehow influence the outcome. I had expected a love story of our times, something to replace the epic and romantic stories of our past. Not necessary with a happy ending, but with something that would show us how we perceive love differently now, because we have read the stories of our past. Perhaps Eugenides realized too late that this replacing love story does not exist. The Marriage Plot is therefore mainly a novel about literature (and its limitations), a metafiction for semiotics to explore, and says too little about life. Or in the thoughts of Madeleine: “If you used your head, if you became aware of how love was culturally constructed and began to see your symptoms as purely mental, if you recognized that being ‘in love’ was only an idea, then you could liberate yourself from its tyranny. Madeleine knew all that. The problem was, it didn’t work.”

More opinions? The NYT is moderately positive, the Guardian is not convinced (‘it certainly doesn’t play to the idiosyncratic strengths of its gifted author’), and the Washington Post calls it ‘exceptionally witty and poignant.’

Nederland leest: Het leven is vurrukkulluk

Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert stond op de literatuurlijst van mijn middelbare school. Ik ontdekte de niet zo aantrekkelijke Lijsters-uitgave van het boek onderin de kast van mijn broer en las het in een middag uit. Ik was niet onder de indruk.

Te veel seks, of in ieder geval, te veel aandacht voor seksuele spanningen, verleidingen en spelletjes, en de eindeloze dialogen over frivole zaken irriteerden me. Op de achterkant van de uitgave stond dat een serieuze lezer het boek zou lezen als ‘een satirisch portret van een verloren generatie’. Mensen die minder zwaar op de hand waren, zouden het boek eerder opvatten als ‘een luchtige zomeridylle waar om gelachen mag worden.’ Ik vrees dat ik in die tijd zwaar op de hand was, maar te onrijp om tot de satirische lagen door te kunnen dringen. Ik interpreteerde Het leven is vurrukkulluk dus tandenknarsend als een zomeridylle die diepgang miste.

Onlangs las ik het boek opnieuw, in de trein van Rotterdam naar Parijs. Dit keer met een haast verliefde glimlach. De personages zijn aandoenlijk, naïef en toch wijs, en ook al worden ze schijnbaar stereotiep weggezet, hun handelingen en beslissingen blijven verbazen.

Ik houd vooral van het hoofdstuk waarin de dichter Boelie samen met de welopgevoede Etta bij de buren inbreekt en zij hem haar jaloezie voor de gewone ‘echte’ mens bekent. ‘Wat een rust moet het geven om niet wakker te worden in de protserige uitstalling van eigen beterweten, maar in de smakeloosheid van een hotelkamer die niet elke ochtend het onmogelijke van je eist, die je niet elke ochtend met al z’n mooie voorwerpen toeroept wat voor mens je ook deze dag weer geacht wordt te zijn: iemand uit de bevoorrechte klasse van de mensen met goede smaak.’ En Boelie’s antwoord daarop, een paar bladzijden later: ‘Wat zijn dat, echte mensen? Arbeiders, boeren? Denk je dat die beter of slechter zijn dan wij? Je zou het geen uur met ze uithouden.’

Maar met Campert en zijn novelle uit 1961 hield ik het prima twee-en-een-half uur uit. Ben benieuwd wat de rest van Nederland vindt.

Diary of a Bad Year – Coetzee

In Diary of a Bad Year, Coetzee narrates the story of an elderly writer who meets a young woman in the communal laundry room and asks her to type out his essays. The book itself is interlaced with these essays and in the story the young woman comments on them.
The first series of essays are mostly political and the second half deals with topics like writing, birds and Bach -  often with a critical undertone.  The young woman in the book prefers the second series and when I first read the book I disagreed with her: the political essays were much more urgent. Now I have read the novel for the second time and I must agree with her: the humanist essays are much more memorable.

This is what Coetzee writes about ageing:
“My hip gave such pain that today I could not walk and could barely sit. Inexorably, day by day, the physical mechanism deteriorates. As for the mental apparatus, I am continually on the qui vive for broken cogs, blown fuses, hoping against hope that it will outlast its corporeal host. All old folk become Cartesians.”

Freedom – Jonathan Franzen

Recensies, interviews en blogstukjes, over Freedom van Jonathan Franzen is heel veel geschreven. De meeste oordelen waren positief en terecht. Freedom is een roman die je ondanks zijn 562 pagina’s in één keer wilt uitlezen. Met humor en precisie toont de auteur hoe levensechte personages denken, voelen en handelen, hoe ze spontane beslissingen nemen en deze vervolgens betreuren.

Freedom is een verhaal over een huwelijk in verval, onwelkome seksuele verlangens, ingrijpende ouder-kind-problemen en teleurstellende carrièrekeuzes tegen een achtergrond van overbevolking en bedreigde biodiversiteit. Kort gezegd: Franzen toont hoe de contemporaine Westerse mens zijn vrijheid benut en hoe dat uiteindelijk iedereen in de problemen brengt.

Want de grenzeloze vrijheid die zo wordt aanbeden, brengt de last van wroeging met zich mee, de wetenschap dat je verschillende mogelijkheden had en de verkeerde hebt gekozen. Bijna alle personages zijn geobsedeerd door het verlangen ‘goed’ te zijn en toch slaagt vrijwel niemand erin te zijn wie ze willen zijn. Het is blijkbaar onvermijdelijk vergissingen te begaan of vuile handen te maken. En dat onvermogen en de daaruit voortkomende wroeging creëert een woede die de notie van die zogenaamde vrijheid reduceert tot het recht op een leven zonder verantwoordelijkheden.

Ergens aan het slot van het boek toont Franzen ons een miserabele bijfiguur, die drie gebroken huwelijken achter de rug heeft waaruit vijf kinderen zijn voortgekomen die hun vader nauwelijks kennen. Het is een figuur die nergens in geïnteresseerd is, zich nergens iets van aan trekt en precies doet waar hij zin in heeft, een opstandige tiener in het lichaam van een gebroken vijftiger, die zijn dagen met een blikje bier begint. En over die man wordt gezegd: ‘You’re a free man.’ Waarop de miserabele bijfiguur antwoord: ‘That I am.’

Gelukkig toont de roman ook de veerkracht van de gemiddelde mens. De problemen die de personages voor zichzelf creëren, worden in de meeste gevallen ook weer opgelost – niet altijd op de efficiëntste manier, maar wel op een wijze die je uiteindelijk voor ieder van hen inneemt.

Freedom is geen puntgave roman – ik begrijp de kritiek die hij krijgt op de vertelstem van Patty, die te veel op de vertelstem van Franzen lijkt en daarom afdoet aan de authenticiteit van de autobiografie – maar geen van de zwakkere kanten die critici noemen, hebben me voldoende geïrriteerd om op het moment dat ik de laatste bladzijde las niet weer opnieuw te willen beginnen.

La carte et le terroir

Ik lees La carte et le terroir, de nieuwe Houellebecq, want mijn lieve buurvrouw was zaterdag in de boekhandel en zag dat deze roman vervroegd was uitgebracht, schijnbaar vawege de massale staking vandaag, en kocht twee exemplaren.
Ik heb pas 120 pagina’s gelezen, maar denk dat dit  zijn beste roman tot nu toe is – over de kunst en zijn critici, de rol van de markt en de consumenten en over de aantrekkingskracht van het Franse platteland. Later waarschijnlijk meer hierover!

P.S. NRC blijft grappig genoeg stug volhouden dat het boek pas morgen verschijnt. Ik ben inmiddels bijna op de helft…

Vlaminck

Hoe langer ik uit Nederland weg ben (inmiddels al tien jaar), hoe meer ik romans waardeer die met ongebruikelijke woorden strooien. Alles om mijn eigen woordenschat op peil te houden, denk ik.
Uit het boek Suikerspin van de Vlaming Erick Vlamick tekende ik de volgende prachtige reeks op: maniakken, serpenten, aankwakkelen, middenstandersgezicht, sukkelaar, driest, mismeesteren, schuinmarcheerder, spektakelattributen, lampions, gootvolk, kaliber, lamentabel en reutemeteut.  Om je vingers bij af te likken.