Blog: Diary of a Bad Year by Coetzee

In Diary of a Bad Year, Coetzee narrates the story of an elderly writer who meets a young woman in the communal laundry room and asks her to type out his essays. The book itself is interlaced with these essays and the young woman comments on them.

The first series of essays is mostly political. The second series deals with topics like writing, birds and Bach –  often with a personal undertone. The young woman prefers the second series and when I first read the book I disagreed with her: the political essays are far more urgent. After reading the book for the second time, I must agree with her: the humanist essays are far more memorable.

Coetzee about ageing:
“My hip gave such pain that today I could not walk and could barely sit. Inexorably, day by day, the physical mechanism deteriorates. As for the mental apparatus, I am continually on the qui vive for broken cogs, blown fuses, hoping against hope that it will outlast its corporeal host. All old folk become Cartesians.”

Black Dogs

I’m reading Black Dogs from Ian McEwan, trying to proceed slow, be attentive; his prose deserves it. Still, I’m hurrying toward the scene in which the dogs will appear – not only the title, also the storyteller has promised me it will be the novel’s crucial scene. On page 60 the author teases me, makes me believe it’s coming up right now, yet he holds back. I read on, and on, getting more excited, reading faster, trying to slow down my mind; the psychological insights deserve it. When I finally reach the scene taking place in the gorge, the black dogs closing in, on page 144,  disappointment sets in. Is it a bad scene? Not at all – I’m just sad because there’s only thirty pages left of this novel.

Waren de oude Grieken kleurenblind?


De epische gedichten van Homerus zijn al eeuwen een geliefd onderwerp voor academici. Bibliotheken zijn erover vol geschreven. Dus toen de Engelse professor en staatsman William Gladstone zeventienhonderd pagina’s over de Ilias en de Odyssee publiceerde, keek niemand raar op.
Wel raar, vond men wat hij te zeggen had. Hoe briljant en belezen Gladstone ook was, en hoeveel vlijmscherpe inzichten hij ook wist op te pennen, er zaten een paar hoofdstukken in die studie van hem die de gemoederen lang heeft bezig gehouden. Vooral de conclusie die hij trok uit een analyse van Homerus’ kleurbeschrijvingen, is eerst met verve verworpen en vervolgens met passie omarmd.
Een man die de zee wijnachtig noemt, schapenvachten als violet bestempelt en de Griekse luchten en zeeën nooit de kleur ‘blauw’ toedicht, kan niet anders dan kleurenblind zijn, vond Gladstone. Terwijl sommigen Homerus’ beschrijvingen juist dichterlijke vrijheid noemden, begonnen anderen geïntrigeerd onderzoek te doen. Op basis van een paar experimenten en heel veel veronderstellingen concludeerde ene Lazarus Geiger dat onze gevoeligheid voor kleuren waarschijnlijk pas in de laatste twee millennia is ontwikkeld. Door onze ogen te trainen, en die training op miraculeuze wijze door te geven aan onze kinderen, konden we de regenboog volgens hem steeds beter zien.
Darwin, die in die tijd zijn theorie over natuurlijk selectie publiceerde, sprak dit soort conclusies uiteraard fel tegen, maar linguïsten luisterden liever niet naar hem: hoe kon je anders verklaren dat de kleurbeschrijvingen van Homerus zo tekortschoten terwijl zijn vocabulaire op andere gebieden zo verfijnd was?
Het antwoord kwam pas toen wetenschappers de kleurgevoeligheid van de nobele wilden gingen testen. En wat bleek? Inboorlingen in Afrika konden de Westerse kleurstaafjes feilloos categoriseren – ze hadden alleen geen woorden om al die diverse kleuren te benoemen.

Guy Deutscher schreef het boek Through the language glass (2010) waarin hij zich afvraagt of de taal de spiegel is van de samenleving en of een taal kan beïnvloeden hoe je denkt; zeer interessant voor iemand die buiten haar taal woont en weleens in een andere dan haar moedertaal schrijft. Maar het boek geeft helaas weinig antwoorden. Gelukkig bevat het wel grappige en goed gedocumenteerde verhalen zoals het bovenstaande. Ik zal de Odyssee een volgende keer met andere ogen lezen.

Nederland leest: Het leven is vurrukkulluk

Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert stond op de literatuurlijst van mijn middelbare school. Ik ontdekte de niet zo aantrekkelijke Lijsters-uitgave van het boek onderin de kast van mijn broer en las het in een middag uit. Ik was niet onder de indruk.

Te veel seks, of in ieder geval, te veel aandacht voor seksuele spanningen, verleidingen en spelletjes, en de eindeloze dialogen over frivole zaken irriteerden me. Op de achterkant van de uitgave stond dat een serieuze lezer het boek zou lezen als ‘een satirisch portret van een verloren generatie’. Mensen die minder zwaar op de hand waren, zouden het boek eerder opvatten als ‘een luchtige zomeridylle waar om gelachen mag worden.’ Ik vrees dat ik in die tijd zwaar op de hand was, maar te onrijp om tot de satirische lagen door te kunnen dringen. Ik interpreteerde Het leven is vurrukkulluk dus tandenknarsend als een zomeridylle die diepgang miste.

Onlangs las ik het boek opnieuw, in de trein van Rotterdam naar Parijs. Dit keer met een haast verliefde glimlach. De personages zijn aandoenlijk, naïef en toch wijs, en ook al worden ze schijnbaar stereotiep weggezet, hun handelingen en beslissingen blijven verbazen.

Ik houd vooral van het hoofdstuk waarin de dichter Boelie samen met de welopgevoede Etta bij de buren inbreekt en zij hem haar jaloezie voor de gewone ‘echte’ mens bekent. ‘Wat een rust moet het geven om niet wakker te worden in de protserige uitstalling van eigen beterweten, maar in de smakeloosheid van een hotelkamer die niet elke ochtend het onmogelijke van je eist, die je niet elke ochtend met al z’n mooie voorwerpen toeroept wat voor mens je ook deze dag weer geacht wordt te zijn: iemand uit de bevoorrechte klasse van de mensen met goede smaak.’ En Boelie’s antwoord daarop, een paar bladzijden later: ‘Wat zijn dat, echte mensen? Arbeiders, boeren? Denk je dat die beter of slechter zijn dan wij? Je zou het geen uur met ze uithouden.’

Maar met Campert en zijn novelle uit 1961 hield ik het prima twee-en-een-half uur uit. Ben benieuwd wat de rest van Nederland vindt.

Freedom – Jonathan Franzen

Recensies, interviews en blogstukjes, over Freedom van Jonathan Franzen is heel veel geschreven. De meeste oordelen waren positief en terecht. Freedom is een roman die je ondanks zijn 562 pagina’s in één keer wilt uitlezen. Met humor en precisie toont de auteur hoe levensechte personages denken, voelen en handelen, hoe ze spontane beslissingen nemen en deze vervolgens betreuren.

Freedom is een verhaal over een huwelijk in verval, onwelkome seksuele verlangens, ingrijpende ouder-kind-problemen en teleurstellende carrièrekeuzes tegen een achtergrond van overbevolking en bedreigde biodiversiteit. Kort gezegd: Franzen toont hoe de contemporaine Westerse mens zijn vrijheid benut en hoe dat uiteindelijk iedereen in de problemen brengt.

Want de grenzeloze vrijheid die zo wordt aanbeden, brengt de last van wroeging met zich mee, de wetenschap dat je verschillende mogelijkheden had en de verkeerde hebt gekozen. Bijna alle personages zijn geobsedeerd door het verlangen ‘goed’ te zijn en toch slaagt vrijwel niemand erin te zijn wie ze willen zijn. Het is blijkbaar onvermijdelijk vergissingen te begaan of vuile handen te maken. En dat onvermogen en de daaruit voortkomende wroeging creëert een woede die de notie van die zogenaamde vrijheid reduceert tot het recht op een leven zonder verantwoordelijkheden.

Ergens aan het slot van het boek toont Franzen ons een miserabele bijfiguur, die drie gebroken huwelijken achter de rug heeft waaruit vijf kinderen zijn voortgekomen die hun vader nauwelijks kennen. Het is een figuur die nergens in geïnteresseerd is, zich nergens iets van aan trekt en precies doet waar hij zin in heeft, een opstandige tiener in het lichaam van een gebroken vijftiger, die zijn dagen met een blikje bier begint. En over die man wordt gezegd: ‘You’re a free man.’ Waarop de miserabele bijfiguur antwoord: ‘That I am.’

Gelukkig toont de roman ook de veerkracht van de gemiddelde mens. De problemen die de personages voor zichzelf creëren, worden in de meeste gevallen ook weer opgelost – niet altijd op de efficiëntste manier, maar wel op een wijze die je uiteindelijk voor ieder van hen inneemt.

Freedom is geen puntgave roman – ik begrijp de kritiek die hij krijgt op de vertelstem van Patty, die te veel op de vertelstem van Franzen lijkt en daarom afdoet aan de authenticiteit van de autobiografie – maar geen van de zwakkere kanten die critici noemen, hebben me voldoende geïrriteerd om op het moment dat ik de laatste bladzijde las niet weer opnieuw te willen beginnen.

La carte et le terroir

Ik lees La carte et le terroir, de nieuwe Houellebecq, want mijn lieve buurvrouw was zaterdag in de boekhandel en zag dat deze roman vervroegd was uitgebracht, schijnbaar vawege de massale staking vandaag, en kocht twee exemplaren.
Ik heb pas 120 pagina’s gelezen, maar denk dat dit  zijn beste roman tot nu toe is – over de kunst en zijn critici, de rol van de markt en de consumenten en over de aantrekkingskracht van het Franse platteland. Later waarschijnlijk meer hierover!

P.S. NRC blijft grappig genoeg stug volhouden dat het boek pas morgen verschijnt. Ik ben inmiddels bijna op de helft…

Vlaminck

Hoe langer ik uit Nederland weg ben (inmiddels al tien jaar), hoe meer ik romans waardeer die met ongebruikelijke woorden strooien. Alles om mijn eigen woordenschat op peil te houden, denk ik.
Uit het boek Suikerspin van de Vlaming Erick Vlamick tekende ik de volgende prachtige reeks op: maniakken, serpenten, aankwakkelen, middenstandersgezicht, sukkelaar, driest, mismeesteren, schuinmarcheerder, spektakelattributen, lampions, gootvolk, kaliber, lamentabel en reutemeteut.  Om je vingers bij af te likken.

Lectuur

Op mijn bureau wordt de stapel boeken steeds hoger. Zeker sinds ik mezelf de regel heb opgelegd om de boeken die ik graag wil lezen daar te laten liggen tot ik ze gelezen heb.
Onderaan ligt Don Quichot, waarin ik zes maanden geleden ben begonnen. Ik vond het natuurlijk een prachtige roman in een prachtige vertaling (van Barber van de Pol), maar blijkbaar is het geen boek om in een keer uit te lezen; in het tempo waarop ik nu lees, zal het pas over zes maanden naar een kast verhuizen.
Boven Don Quichot liggen drie boeken die ik in de afgelopen maanden cadeau heb gekregen: Hemelse Golven van Pearl Abraham, En de Liefde van Joke Hermsen en The Master and Margarita van Mikhail Bulgakov. Ik kan ze geen van drieën in verband brengen met de roman die ik op dit moment zelf aan het schrijven ben en daarom zijn het goede kandidaten voor mijn lectuur tijdens de laatste fase.
Maar daar bovenop liggen weer de nieuwe werken van David Mitchell en Jonathan Franzen – romans waarin ik gisteren al had willen beginnen, maar die ik van mezelf nog niet mag openen, omdat ik twee andere boeken, Ton Lemaires De val van Prometheus en Geert Maks De eeuw van mijn vader nog niet uit heb.
Er staat mij dit weekend dus maar een ding te doen: lezen, lezen en nog eens lezen. Heb ik überhaupt nog tijd om te schijven?

Willem Frederik Hermans

Het verbaast mij steeds weer hoeveel ik nog niet gelezen heb.
Op de middelbare school dacht ik nog: als ik straks achttien ben, zal ik de klassieken kennen. Die illusie hield niet lang stand. En de universiteit, waar ik toch echt zes jaar lang heb rondgelopen en waar ik meer heb gelezen dan mij werd opgedragen, verliet ik zonder Mann of Proust te kennen. Dostojevski, Nabokov en Tolstoj waren wel aan bod gekomen, al bleef het bij ieder van hen bij één roman.
Inmiddels is het duidelijk: hoe meer ik lees, hoe meer ik besef hoe weinig ik gelezen heb. Het orakel van Delfi had natuurlijk gelijk toen het Socrates de wijste noemde, want deze filosoof had immers gezegd: ik weet dat ik niets weet.

Er zullen altijd schrijvers zijn om te ontdekken. Pamuk en Coetzee lees ik pas sinds een paar jaar.  En gelukkig zullen er ook altijd schrijvers zijn die je herontdekt. Eerder las ik vier romans van Hermans. De eerste verplicht op het gymnasium (Ja, natuurlijk: De donkere kamer van Damocles), de tweede omdat ik ging studeren (Onder Professoren),  de derde toen ik naar Parijs verhuisde en het cadeau kreeg (Au Pair) en de laatste nadat ik geklaagd had over muggen in Italië (Nooit meer slapen). En voor even dacht ik: nu heb ik Hermans gelezen. Ik begreep waarom de man zo gewaardeerd werd zonder dat ik me gedwongen voelde alles van hem te bestuderen.
Een paar dagen geleden las ik een tekst over Hermans’ novelle Het grote medelijden en was ik op slag nieuwsgierig. Op vrijdagmiddag nam ik uit de bibliotheek van het Institut Neerlandais een boek mee (Richard Simmillion – een onvoltooide autobiografie), dat ik de dag erna uitlas. Nu wacht ik tot ik op maandag een paar romans van Hermans kan lenen: mijn zomerboeken zijn gekozen.

Point Omega

point-omega3Er zijn weinig auteurs op wiens boeken ik zit te wachten. Meestal lees ik romans die al een poos in mijn kast staan of die ik toevallig in een boekhandel oppak. Maar zodra ik hoorde dat er een nieuwe Delillo zou verschijnen, hield ik de publicatiedatum in de gaten en sinds ik begreep dat het over tijd zou gaan, heb ik smachtend gewacht tot ik het kon lezen.

Point Omega is qua omvang een novelle, al is het qua diepgang ruimschoots een roman. In 117 pagina’s weet Delillo diverse ideeën over onze huidige samenleving uit te zetten, te verwerpen en opnieuw te etaleren. De kritiek die het boek elders heeft gekregen, dat er te weinig verhaal is of dat de personages uitsluitend ideeën vertolken en nergens tot leven komen, vind ik onterecht. De personages zijn geen eenvoudige mensen die je op iedere straathoek tegen kunt komen, maar met hun summier en tegelijk kundig beschreven trekken zijn ze wel echt.

De roman begint en eindigt met een scène waarin een man naar een videotentoonstelling in een museum kijkt. De film Psycho van Hitchcock wordt er uiterst traag, in precies vierentwintig uur, vertoond. Alleen deze twee stukken, van samen minder dan dertig pagina’s, maken het boek al de moeite van het lezen waard. Ze staan ook zeker niet los van de rest, omdat de drie personages uit het hoofdverhaal deze tentoonstelling eveneens bezoeken en erover spreken: hoe zou ons leven zijn als we het als slow motion zouden kunnen beleven?
Het meedogenloze trage tempo van de film vereist een absolute alertheid van de bezoekers om aan dat tempo recht te doen.  ‘It takes close attention to see what is happening in front of you. It takes work, pious effort, to see what you are looking at.’ En die alertheid geldt ook voor het lezen van deze roman, want de traagheid van de film heeft zijn sporen in de vertelling van Delillo achtergelaten.

Het hoofdverhaal vindt plaats in een huis in de woestijn en draait om een ‘familie’ van drie personen; de conservatieve intellectueel Elster die de overheid adviseerde een Haiku oorlog te voeren met behulp van uiterst herhaalbare woordcombinaties die in het geheugen zouden kunnen blijven hangen als slogans; de rudimentaire filmmaker die deze intellectueel tegen de muur wil zetten en hem zonder vooropgezet plan wil laten spreken; en de in zichzelf gekeerde dochter van Elster die af en toe tegen vreemden praat.
Ze zijn samengekomen, omdat Elster de terreur van de stad wilde ontvluchten, hij de filmmaker als gezelschapsdier koos en de dochter door haar moeder verplicht afstand moest nemen van een mysterieuze man. In de stad, waar de minuten en uren met alles verweven zijn, was het voor Elster onmogelijk om het verstrijken van de tijd te vergeten. Alleen ver weg van het Nieuws en het Verkeer, vertraagt de tijd voor hem.
‘Time becomes blind. I feel the landscape more than see it. I never know what day it is. I never know if a minute has passed or an hour. I don’t get old here.’
En in deze blinde tijd, die uitnodigt tot reflectie, spreken de personages met elkaar en wisselen hun gedachten over het Point Omega zich af met meningen over het huwelijk of de oorlog. Het zijn gesprekken waarin ze zowel toenadering zoeken als zichzelf afschermen.

Maar uiteindelijk haalt de realiteit de filosofie in – het einde van het menselijk bewustzijn lijkt misschien dichtbij als we de wereld theoretisch benaderen. Als we met uiterste concentratie naar de werkelijkheid kijken, ligt het een miljoen jaar van ons af.
Ik sloeg het boek dicht met het verlangen naar meer. Delillo’s Point Omega is een van de meest intrigerende trage ervaringen die ik ooit heb beleefd.