Black Dogs

I’m reading Black Dogs from Ian McEwan, trying to proceed slow, be attentive; his prose deserves it. Still, I’m hurrying toward the scene in which the dogs will appear – not only the title, also the storyteller has promised me it will be the novel’s crucial scene. On page 60 the author teases me, makes me believe it’s coming up right now, yet he holds back. I read on, and on, getting more excited, reading faster, trying to slow down my mind; the psychological insights deserve it. When I finally reach the scene taking place in the gorge, the black dogs closing in, on page 144,  disappointment sets in. Is it a bad scene? Not at all – I’m just sad because there’s only thirty pages left of this novel.

Waren de oude Grieken kleurenblind?


De epische gedichten van Homerus zijn al eeuwen een geliefd onderwerp voor academici. Bibliotheken zijn erover vol geschreven. Dus toen de Engelse professor en staatsman William Gladstone zeventienhonderd pagina’s over de Ilias en de Odyssee publiceerde, keek niemand raar op.
Wel raar, vond men wat hij te zeggen had. Hoe briljant en belezen Gladstone ook was, en hoeveel vlijmscherpe inzichten hij ook wist op te pennen, er zaten een paar hoofdstukken in die studie van hem die de gemoederen lang heeft bezig gehouden. Vooral de conclusie die hij trok uit een analyse van Homerus’ kleurbeschrijvingen, is eerst met verve verworpen en vervolgens met passie omarmd.
Een man die de zee wijnachtig noemt, schapenvachten als violet bestempelt en de Griekse luchten en zeeën nooit de kleur ‘blauw’ toedicht, kan niet anders dan kleurenblind zijn, vond Gladstone. Terwijl sommigen Homerus’ beschrijvingen juist dichterlijke vrijheid noemden, begonnen anderen geïntrigeerd onderzoek te doen. Op basis van een paar experimenten en heel veel veronderstellingen concludeerde ene Lazarus Geiger dat onze gevoeligheid voor kleuren waarschijnlijk pas in de laatste twee millennia is ontwikkeld. Door onze ogen te trainen, en die training op miraculeuze wijze door te geven aan onze kinderen, konden we de regenboog volgens hem steeds beter zien.
Darwin, die in die tijd zijn theorie over natuurlijk selectie publiceerde, sprak dit soort conclusies uiteraard fel tegen, maar linguïsten luisterden liever niet naar hem: hoe kon je anders verklaren dat de kleurbeschrijvingen van Homerus zo tekortschoten terwijl zijn vocabulaire op andere gebieden zo verfijnd was?
Het antwoord kwam pas toen wetenschappers de kleurgevoeligheid van de nobele wilden gingen testen. En wat bleek? Inboorlingen in Afrika konden de Westerse kleurstaafjes feilloos categoriseren – ze hadden alleen geen woorden om al die diverse kleuren te benoemen.

Guy Deutscher schreef het boek Through the language glass (2010) waarin hij zich afvraagt of de taal de spiegel is van de samenleving en of een taal kan beïnvloeden hoe je denkt; zeer interessant voor iemand die buiten haar taal woont en weleens in een andere dan haar moedertaal schrijft. Maar het boek geeft helaas weinig antwoorden. Gelukkig bevat het wel grappige en goed gedocumenteerde verhalen zoals het bovenstaande. Ik zal de Odyssee een volgende keer met andere ogen lezen.

Nederland leest: Het leven is vurrukkulluk

Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert stond op de literatuurlijst van mijn middelbare school. Ik ontdekte de niet zo aantrekkelijke Lijsters-uitgave van het boek onderin de kast van mijn broer en las het in een middag uit. Ik was niet onder de indruk.

Te veel seks, of in ieder geval, te veel aandacht voor seksuele spanningen, verleidingen en spelletjes, en de eindeloze dialogen over frivole zaken irriteerden me. Op de achterkant van de uitgave stond dat een serieuze lezer het boek zou lezen als ‘een satirisch portret van een verloren generatie’. Mensen die minder zwaar op de hand waren, zouden het boek eerder opvatten als ‘een luchtige zomeridylle waar om gelachen mag worden.’ Ik vrees dat ik in die tijd zwaar op de hand was, maar te onrijp om tot de satirische lagen door te kunnen dringen. Ik interpreteerde Het leven is vurrukkulluk dus tandenknarsend als een zomeridylle die diepgang miste.

Onlangs las ik het boek opnieuw, in de trein van Rotterdam naar Parijs. Dit keer met een haast verliefde glimlach. De personages zijn aandoenlijk, naïef en toch wijs, en ook al worden ze schijnbaar stereotiep weggezet, hun handelingen en beslissingen blijven verbazen.

Ik houd vooral van het hoofdstuk waarin de dichter Boelie samen met de welopgevoede Etta bij de buren inbreekt en zij hem haar jaloezie voor de gewone ‘echte’ mens bekent. ‘Wat een rust moet het geven om niet wakker te worden in de protserige uitstalling van eigen beterweten, maar in de smakeloosheid van een hotelkamer die niet elke ochtend het onmogelijke van je eist, die je niet elke ochtend met al z’n mooie voorwerpen toeroept wat voor mens je ook deze dag weer geacht wordt te zijn: iemand uit de bevoorrechte klasse van de mensen met goede smaak.’ En Boelie’s antwoord daarop, een paar bladzijden later: ‘Wat zijn dat, echte mensen? Arbeiders, boeren? Denk je dat die beter of slechter zijn dan wij? Je zou het geen uur met ze uithouden.’

Maar met Campert en zijn novelle uit 1961 hield ik het prima twee-en-een-half uur uit. Ben benieuwd wat de rest van Nederland vindt.

Diary of a Bad Year – Coetzee

In Diary of a Bad Year, Coetzee narrates the story of an elderly writer who meets a young woman in the communal laundry room and asks her to type out his essays. The book itself is interlaced with these essays and the young woman comments on them.

The first series of essays is mostly political. The second series deals with topics like writing, birds and Bach –  often with a personal undertone. The young woman prefers the second series and when I first read the book I disagreed with her: the political essays are far more urgent. After reading the book for the second time, I must agree with her: the humanist essays are far more memorable.

Coetzee about ageing:
“My hip gave such pain that today I could not walk and could barely sit. Inexorably, day by day, the physical mechanism deteriorates. As for the mental apparatus, I am continually on the qui vive for broken cogs, blown fuses, hoping against hope that it will outlast its corporeal host. All old folk become Cartesians.”

Freedom – Jonathan Franzen

Recensies, interviews en blogstukjes, over Freedom van Jonathan Franzen is heel veel geschreven. De meeste oordelen waren positief en terecht. Freedom is een roman die je ondanks zijn 562 pagina’s in één keer wilt uitlezen. Met humor en precisie toont de auteur hoe levensechte personages denken, voelen en handelen, hoe ze spontane beslissingen nemen en deze vervolgens betreuren.

Freedom is een verhaal over een huwelijk in verval, onwelkome seksuele verlangens, ingrijpende ouder-kind-problemen en teleurstellende carrièrekeuzes tegen een achtergrond van overbevolking en bedreigde biodiversiteit. Kort gezegd: Franzen toont hoe de contemporaine Westerse mens zijn vrijheid benut en hoe dat uiteindelijk iedereen in de problemen brengt.

Want de grenzeloze vrijheid die zo wordt aanbeden, brengt de last van wroeging met zich mee, de wetenschap dat je verschillende mogelijkheden had en de verkeerde hebt gekozen. Bijna alle personages zijn geobsedeerd door het verlangen ‘goed’ te zijn en toch slaagt vrijwel niemand erin te zijn wie ze willen zijn. Het is blijkbaar onvermijdelijk vergissingen te begaan of vuile handen te maken. En dat onvermogen en de daaruit voortkomende wroeging creëert een woede die de notie van die zogenaamde vrijheid reduceert tot het recht op een leven zonder verantwoordelijkheden.

Ergens aan het slot van het boek toont Franzen ons een miserabele bijfiguur, die drie gebroken huwelijken achter de rug heeft waaruit vijf kinderen zijn voortgekomen die hun vader nauwelijks kennen. Het is een figuur die nergens in geïnteresseerd is, zich nergens iets van aan trekt en precies doet waar hij zin in heeft, een opstandige tiener in het lichaam van een gebroken vijftiger, die zijn dagen met een blikje bier begint. En over die man wordt gezegd: ‘You’re a free man.’ Waarop de miserabele bijfiguur antwoord: ‘That I am.’

Gelukkig toont de roman ook de veerkracht van de gemiddelde mens. De problemen die de personages voor zichzelf creëren, worden in de meeste gevallen ook weer opgelost – niet altijd op de efficiëntste manier, maar wel op een wijze die je uiteindelijk voor ieder van hen inneemt.

Freedom is geen puntgave roman – ik begrijp de kritiek die hij krijgt op de vertelstem van Patty, die te veel op de vertelstem van Franzen lijkt en daarom afdoet aan de authenticiteit van de autobiografie – maar geen van de zwakkere kanten die critici noemen, hebben me voldoende geïrriteerd om op het moment dat ik de laatste bladzijde las niet weer opnieuw te willen beginnen.

La carte et le terroir

Ik lees La carte et le terroir, de nieuwe Houellebecq, want mijn lieve buurvrouw was zaterdag in de boekhandel en zag dat deze roman vervroegd was uitgebracht, schijnbaar vawege de massale staking vandaag, en kocht twee exemplaren.
Ik heb pas 120 pagina’s gelezen, maar denk dat dit  zijn beste roman tot nu toe is – over de kunst en zijn critici, de rol van de markt en de consumenten en over de aantrekkingskracht van het Franse platteland. Later waarschijnlijk meer hierover!

P.S. NRC blijft grappig genoeg stug volhouden dat het boek pas morgen verschijnt. Ik ben inmiddels bijna op de helft…

Vlaminck

Hoe langer ik uit Nederland weg ben (inmiddels al tien jaar), hoe meer ik romans waardeer die met ongebruikelijke woorden strooien. Alles om mijn eigen woordenschat op peil te houden, denk ik.
Uit het boek Suikerspin van de Vlaming Erick Vlamick tekende ik de volgende prachtige reeks op: maniakken, serpenten, aankwakkelen, middenstandersgezicht, sukkelaar, driest, mismeesteren, schuinmarcheerder, spektakelattributen, lampions, gootvolk, kaliber, lamentabel en reutemeteut.  Om je vingers bij af te likken.