Werther

De afgelopen weken woonde ik in de Duitse bibliotheek, een kamer in het huis van mijn agente waar haar Duitstalige en de uit het Duits vertaalde literatuur staat. Een hoge wand vol Goethe en Brecht, Mann en Kafka, Nietzsche en Grass. Jaloersmakend. Niet alleen omdat zij deze mooie collectie bezit, maar vooral omdat zij er waarschijnlijk een groot deel van heeft gelezen. Ondanks mijn boekenhonger heb ik helaas nog maar een fractie gelezen van wat er bestaat.
In een poging een stukje van mijn achterstand weg te werken las ik Het lijden van de jonge Werther, een boek waarover ik zoveel had gehoord, dat ik altijd had aangenomen dat ik het zelf ook gelezen had, wat dus niet zo bleek te zijn. Op de middelbare school las ik Faust – en daarna moesten we Goethe al weer laten rusten. En op de universiteit zat Goethe evenmin in het pakket. Wij lazen de Russen en vanuit daar gingen we direct door naar de wereldliteratuur van Pamuk. Onze Duitse buren waren misschien te dichtbij, hoewel dat geen argument kon zijn, want van Amerikaanse literatuur kregen we ook nauwelijks iets mee. Hoe is het mogelijk dat je na vier jaar literatuurwetenschap nog nooit van Kerouac hebt gehoord? (Omdat ik zeker wilde zijn, dat dit gat in mijn educatie niet aan mijn eigen selectieve interesse te wijten was, heb ik drie medestudenten aan de tand gevoeld – ook zij herinnerden zich niet ooit iets over The Beat Generation gehoord te hebben).
Maar waar was ik: Goethe, de jonge Werther. Iedereen kent het verhaal van de romantische ziel die niet meer leven wil omdat de vrouw aan wie hij zijn hart heeft verloren al van iemand anders is. Heb ik nog iets aan zo’n verhaal? Ja! Het is nog steeds geloofwaardig, ontroerend, zielsverheffend. Het doet mij terugverlangen naar een tijd waarin schrijvers niet veroordeeld werden als zij open en bloot over gevoelens schreven. Een tijd waarin een romantisch fragment niet laatdunkend vergeleken werd met een stuiverroman. Een tijd waarin je dit kon schrijven en applaus kon verwachten: ‘Ik begrijp soms niet hoe een ander haar kan liefhebben, haar liefhebben mag, waar ik haar zo uitsluitend, zo innig, zo volledig liefheb, niets anders ken, noch weet, noch heb dan haar!’
En Werthers situatie is nog steeds actueel, luister maar naar wat Elliott Smith zingt in het nummer Twillight; ‘I’ll be nice to you, I can make it through, but you’re already somebody’s baby. I could make you smile, if you stay a while, but how long will you stay with me baby?’
Werther is van alle tijden.

Claus

Nee. Ik ga niets over Claus schrijven. Wat kan ik toevoegen aan wat Mulder en Zeeman in NRC en Volkskrant schrijven? Goed dan, een persoonlijke anekdote. Een van de allereerste boeken uit de Nederlandstalige literatuur die ik las, was een roman van Claus. Twaalf was ik. Ik had advies gevraagd aan mijn leraar Nederlands en hij zei dat ik maar met Claus moest beginnen, want het zou me een leven kosten om alles te lezen wat die man had geproduceerd. Ik keek in mijn moeders boekenkast en daar stond een boek met een groene kaft: Het jaar van de Kreeft. Dat las ik en ik vond het vreselijk. Daarna vroeg ik advies aan een bibliothecaris en die gaf mij een Wolkers mee naar huis. Ook dat boek sloeg ik vol afschuw dicht. Ging Nederlandse literatuur alleen maar over sex? Ten slotte vroeg ik een klasgenoot om raad, maar ik durfde er niet bij te zeggen wat mij aan die andere romans gestoord had. Hij gaf mij een Cremers.
Pas vele jaren later durfde ik weer een boek van Claus ter hand te nemen. Hij is nooit mijn favoriete schrijver geworden, maar mijn waardering voor hem is gelukkig wel gegroeid.

Realiteit overtreft fictie

Als ik in een roman zou laten gebeuren, wat er vandaag in Oeljanovsk gebeurt, zou niemand me geloven. En toch moest ik bij het lezen van dit bericht onmiddellijk aan de Russische absurdisten denken. Fictie voedt de realiteit en andersom.

Kundera

Soms denk ik wel eens, dat alle schrijvers precies hetzelfde te vertellen hebben en dat ze zich alleen onderscheiden met woorden, stijlen en verhalen. Dit las ik vandaag in Het leven is elders van Milan Kundera.

‘Was die fantastische verbeelding die je in het gedicht vastlegde, het resultaat van nadenken? In geen geval; ze viel je in; plotseling; onverwachts; jij bent niet de auteur van die verbeelding, maar eerder iemand in jou; iemand in jou die dicht. Deze dichter is de machtige stroom van het onbewuste die door iedereen vloeit; het is geen verdienste als deze stroom waarin iedereen gelijk is jou als instrument heeft gekozen.’

Sinds mijn verblijf in Praag herlees ik Kundera’s oeuvre in de volgorde waarop het is verschenen en als ik daar over een maand mee klaar ben, is Kafka aan een tweede ronde toe. Tenzij er voor die tijd een andere schrijver voor de deur staat, want ik heb zelden de luxe de boeken te kiezen die ik lees – net zoals verhalen naar mij toe komen wanneer ze geschreven willen worden, komen boeken naar mij toe met het verzoek gelezen te worden. En nee zeggen kan ik niet.

De dunne lijn tussen fictie en verbeelding

De dunne lijn tussen fictie en verbeelding interesseert me mateloos. Zo mateloos dat mijn twee eerste romans rond dat thema zijn opgebouwd. Ook in mijn derde boek komt het terug, maar minder overheersend. Als ik zelf een roman schrijf, vraag ik me nooit af hoe ver ik mag gaan met het verzinnen van feiten, het herschrijven van de geschiedenis, het recreëren van de werkelijkheid. Zonder dat ik de grens kan zien of definiëren, is het duidelijk: ik ben trouw aan de realiteit en verdraai hem wanneer me dat uitkomt. Een personage zal in mijn verhaal geen zes pizza’s achter elkaar verorberen, maar kan gerust een cd in mijn straat kopen, ook al weet ik zeker dat ze in mijn straat nergens cd’s verkopen.
Maar hoe zit dat als je in een boek of film een heikel punt aansnijdt? Deze vraag kwam op toen ik gisteren al zappend een HBO televisiefilm zag getiteld Tsunami. Ik vreesde het ergste, maar de film was, dankzij de cast, beter dan ik had verwacht. Er kwam een journalist in voor, die ontdekte dat een wetenschapper de tsunami jaren eerder had voorspeld en een waarschuwingssysteem had ontwikkeld. Hij had een officieel rapport aan de regering aangeboden, maar het systeem werd lacherig van de hand gedaan. Direct na de tsunami beginnen bulldozers de restanten van de weggespoelde vissersdorpen langs de kust schoon te vegen. Een hotelketen heeft zich de grond, die eeuwen eigendom van de bewoners was, toegeëigend en begint met de bouw van een resort. Het waarschuwingssysteem wordt nu wel door de regering geïnstalleerd. De suggestie wordt gewekt dat de regering deze eerste tsunami bewust heeft laten gebeuren, opdat de dorpen werden weggevaagd en er langs die mooie kust veel nieuwe hotels en resorts gebouwd konden worden.
Het verbaasde me niets – dat soort onmenselijke beslissingen worden dagelijks genomen, maar ik vroeg me wel af: is het waar? Deze vraag was natuurlijk eenvoudig te beantwoorden met een minuutje googelen. Het antwoord: ja.
Maar andere vragen kwamen op. Als het niet waar zou zijn geweest, mag een film die trekken heeft van een documentaire dan zo’n suggestie wekken? Mag je een natie, een hotelketen, een directie, beschuldigen, als er geen feiten zijn om die beschuldiging te bewijzen? Of wordt het dan laster? Zou ik op grond van de vrijheid van meningsuiting een film kunnen maken waarin ik de Nederlandse regering beschuldig van het martelen van vluchtelingen of krijg ik dan een leger advocaten achter me aan? Waar ligt de grens en hoe bepalen rechters die? Is het voldoende fictieve namen te gebruiken om agressieve bedrijven op afstand te houden? Mag Connie Palmen Peter Schat tussen de regels door van moord betichten? Geeft het stempel ‘fictie’ je alle vrijheid?

Ik ga op reis en ik neem mee

Romans die ik recent gelezen of herlezen heb en van harte kan aanbevelen.

Nederlands
De wandelaar – Adriaan van Dis (link)
De literaire kring – Marjolijn Februari (link)
Tirza – Arnon Grunberg (link)

Amerikaans/Russisch/Frans
Franny and Zooey – J.D.Salinger (link)
Nabokov’s Dozen (short stories) – Vladimir Nabokov (link)
Notes from the underground – Fyodor Dostojevski (link)
Une Femme – Annie Ernaux – (link)

Pierre Assouline

In een recensie in de NRC (15 juni 2007) over Pierre Assouline’s roman Hotel Lutetia (meer hierover waarschijnlijk binnenkort) schrijft Margot Dijkgraaf de volgende zinnen: ‘ Als schrijver beweegt Assouline zich op het grensvlak van biografie en roman. Zijn biografieën verraden de pen van een romanschrijver. Zijn romans hebben bijna altijd een biografische basis. Feiten zijn belangrijk, schreef hij in het voorwoord van zijn Simenon-biografie, maar fictie brengt je dichter bij de waarheid.’
Wie De verdwijning van Eva Zomers heeft gelezen, begrijpt waarom ik gelukkig word van deze zinnen en waarom ik morgen meteen die roman van Assouline ga aanschaffen. Zijn hoofdpersonage ‘Hotel Lutétia’ is overigens een bijfiguur in mijn laatste roman. Een ander boek van hem heet Rosebud. Zou dat over de bar gaan waar Amber en Cleo uit De onfeilbare elkaar ontmoet hebben? En gaat Assouline straks ook een biografie-roman schrijven over het kasteel waar de personages van mijn derde boek op dit moment verblijven? Ik ga die Assouline maar eens in de gaten houden en hij maakt het me erg gemakkelijk: http://passouline.blog.lemonde.fr/