On Eating Animals

(Or ‘Why I am a vegetarian’ part 2)

eating-animals-foerThere are many books about eating meat, but few are written as witty as this one. If you want to know how meat is produced, read Eating Animals. If you want to stay ignorant and keep pretending you have never heard of factory farms, read no further. I believe Foer’s book was not written to make you a vegetarian, but to enable you to make informed decisions about your diet.

After reading Eating Animals from Jonathan Safran Foer I considered buying fifty or so copies and offer them as gifts to my friends and family. Not because I wanted everyone to become a vegetarian, but because this  book offers a wealth of information on factory farming and I felt everyone should have access to it. Most people know already that these factory farms (also referred to as meat factories) cause animals to suffer, but that’s not all: this way of meat producing is a threat to personal health, general health and the environment.
Ultimately, financial restraints and the fear of being pedantic made me change my mind. The best next thing was to encourage people to read the book by writing about it on my blog.

Like Jonathan Safran Foer, I have been an on-and-off vegetarian for years. As a child it never occurred to me there could be anything wrong with eating meat, but when I met vegetarians, heard stories, spoke to doctors and did my own research, it became an issue in my life. Whose side should I be on; the meat defenders or the vegetable freaks?

With all the information in Eating Animals about viruses, bacterial infections, torturing and toxic pools of shit, it wasn’t difficult anymore to pick my side. (For the information I am referring to: please read the book.)
Of course it is never too smart to trust the facts from one side only, but Foer quotes many different sources and I am convinced that what he writes is true. Not even the meat industry people are denying his facts – they are just denying that these facts should matter. But to me, they do matter and they matter so greatly that I hope I’ll never eat factory meat, dairy or eggs again and others will act alike.

To avoid any confusion: I am not arguing that animal rights should be our number one priority in saving the world, but I hate it when meat defenders say: ‘So many people are suffering – we can’t afford to waste our concern on animals.’
First of all: the issues are very much related. If the West would consume less meat, there would be more grains left to feed people who are hungry. Secondly: there is not much I can do in my daily routine to help cure Malaria – but I can do something to minimize animal suffering: I can stop eating factory meat.

Anyone thinking about giving up meat will wonder why humans eat animals to begin with. I came up with this:
1.    Because we were designed to eat animals (look at our teeth!). Sure, as a last resort. When there is nothing else to eat, even cannibalism is acceptable to survive. But when you have enough highly nutricious vegetarian food – why bother?
2.    Because we need animal protein. As a matter of fact: we don’t. Children excepted, we don’t even need dairy. Much research has been done and the only thing contemporary vegans might lack is Vitamin B12 – eating yeast will take care of that (or for vegetarians, eating eggs and organic cheese.)
3.    Because animals exist so we can eat them. Anyone who would truly believe that, shouldn’t protest when cats and dogs are being eaten too.
4.    Because it tastes good.

Well, I’m not sure about you, but the combination of my own health, the global environment and the wellbeing of animals, is more important to me than taste.

Foer published his book on the meet industry just before Thanksgiving – probably not a coincidence. On this American holiday, 45 million factory turkeys are being eaten and I assume Foer’s most modest expectation was, that those who read the book would at least think about what they were eating this year. I leave this small text here, just before Christmas, not to judge,  but in the hope to inspire the same type of reflection.

PS 1. I have not tried to write a review. I just wanted to raise the topic of eating animals and to make people aware of the existence of this book. More critical notes on the way this book was written and constructed can be found here: The Newyorker / New York Times / LA Times.

PS 2. Ik heb dit stukje in het Engels geschreven, omdat ik Foers boek in het Engels las en ik vooral met niet-Nederlandstaligen over dit onderwerp heb gesproken – voor wie moeite heeft deze tekst te begrijpen: ik raad het boek Dieren Eten van Jonathan Safran Foer van harte aan.

White noise

white_noiseWhite Noise stond al jaren in onze boekenkast. Het was een van de weinige boeken die mijn man uit de Verenigde Staten had meegenomen toen hij in 1999 naar Parijs verhuisde. De rest van zijn collectie en alle eerste-drukken bleven voorlopig bij zijn ex en zag hij uiteraard niet meer terug.
Van Don Delillo las ik slechts één boek: Underworld en wie dat boek gelezen heeft, begrijpt dat Delillo een briljant schrijver is, maar ook erg Amerikaans. Ik vond het na die dikke pil wel even genoeg; je kunt niet van alle auteurs het gehele oeuvre lezen, soms blijft het bij een enkel werk of meesterwerk.
Maar op een dag was ik op zoek naar een ironische toon, een intelligente stem met wat sarcasme hier en daar. Ik opende tientallen boeken, bekeek Salinger, Auster, Murakami, Nooteboom. Ze boden me niet wat ik zocht. En toen opende ik White Noise.
Wow. Jaloersmakend. Ik moest het boek soms even wegleggen omdat ik te veel onder de indruk was om door te lezen. De constructie van de roman vind ik niet eens zo geslaagd en sommige personages bestaan enkel om een bepaalde theorie uit de doeken te doen, maar wat kan deze man schrijven.
Zijn kracht ligt vaak niet in een zin en zelfs niet in een paragraaf, het is de manier waarop hij alles aan elkaar rijgt. Voor de nieuwsgierigen hier toch een kort fragment:

“That night, a Friday, we ordered Chinese food and watched television together, the six of us. Babette had made it a rule. She seemed to think that if kids watched television one night a week with parents or stepparents, the effect would be to de-glamorize the medium in their eyes, make it wholesome domestic sport. Its narcotic undertow and eerie diseased brain-sucking power would be gradually reduced.”
(Uit: White Noise van Don Delillo)

In Parijs

beemen_inparijsEnige tijd geleden hoorde ik dat er een boek zou worden gepubliceerd over de stad waarin ik woon van een auteur die een paar jaar jonger is dan ik:  In Parijs, van Olivier van Beemen.

Wanneer ik over een nieuwe uitgave hoor, vraag ik me altijd af of het een boek is dat ik
A) meteen moet lezen
B) misschien moet lezen
C) niet hoef te lezen.
In dit geval lag mijn oordeel ergens tussen B en C in. Ik neigde naar C omdat ik mij afvroeg wat ik kon leren van een boek dat geschreven was door een jonkie over een stad waarin ik zelf al tien jaar woonde. En ik neigde naar B omdat ik meteen nieuwsgierig was naar de ervaringen van iemand van ongeveer mijn leeftijd, in plaats van naar die van bijvoorbeeld Philip Freriks, een naam die je overigens niet moet noemen in aanwezigheid van sommige jonge correspondenten in Parijs als je verhitte discussies wilt vermijden.
Op het moment dat ik las dat het boek bij mijn oude uitgever Balans was verschenen, besloot ik Van Beemen spontaan te feliciteren met zijn debuut, wat me een uitnodiging voor een dinertje bij hem thuis opleverde. Het boek, dat tussen ons in op tafel lag, werd natuurlijk al gauw een A.

Van Beemen beschrijft op een prettig lichte toon de recente geschiedenis van Parijs zoals ik die ook heb beleefd: de traumatische populariteit van Le Pen, de plotselinge haat van de Amerikanen voor de Fransen inzake Irak, de eindeloze sympathiewegwassende demonstraties van links, de in het buitenland opgeblazen rellen in de banlieu. De gaten in mijn geheugen werden met nauwkeurige feiten opgevuld.
Maar het boek geeft meer, omdat het ook het verhaal van de journalist zelf vertelt: zijn geldgebrek als student, zijn problemen om als buitenlander zonder vast contract een appartement te huren, de plaatsvervangende schaamte die hij voelt voor sommige Fransen die de sociale voorzieningen misbruiken. Juist door deze combinatie van journalistieke kennis en persoonlijke belevenissen is In Parijs een boek dat de lezer laat ervaren hoe het is om in deze wereldstad te wonen.

Het enige wat me af en toe tegenviel, was dat ik de prikkelende making-of te lezen kreeg van een artikel dat niet in het boek was opgenomen. Zo beschrijft Van Beemen levendig hoe hij in een klein plaatsje arriveert en zich zenuwachtig maakt de grote Houellebecq te ontmoeten zonder dat het uiteindelijke interview erop volgt – misschien moet ik daarvoor zijn volgende boek afwachten – maar dat ik na lezing van In Parijs naar meer verlang, kan uiteraard alleen betekenen dat zijn liefdevolle en oprechte portret van de stad me heeft geraakt. Voor iedereen die van Parijs houdt is dit een boek dat je meteen moet lezen.

Meer over het boek: www.inparijs.nl
Weblog van Olivier van Beemen: www.parijsblog.nl

A Short History of Myth

De laatste woorden uit A Short History of Myth van Karen Armstrong.

“If it is written and read with serious attention, a novel like a myth or any great work of art, can become an initiation that helps us to make a painful rite of passage from one phase of life, one state of mind, to another. A novel, like a myth, teaches us to see the world differently; it shows us how to look into our own hearts and to see our world from a perspective that goes beyond our own self-interest. If professional religious leaders cannot instruct us in mythical lore, our artists and creative writers can perhaps step into this priestly role and bring fresh insight to our lost and damaged world.”

Ian Buruma

Ik ga wel vaker naar lezingen van Nederlanders in Parijs, maar meestal vinden die plaats in het Instituut Néerlandais. Gisteren was ik uitgenodigd in de woning van de Nederlandse ambassadeur in Parijs voor de lezing  Cosmopolitisme : arrogance ou idéal van Ian Buruma, schrijver, journalist en winnaar van de Erasmus prijs 2008. Burumu werd aangekondigd als een voorbeeld van nieuw kosmopolitisme: geboren in Den Haag, gestudeerd in Leiden en China, gewerkt in Japan en uiteindelijk gesetteld in Londen en daarna New York. De meeste toehoorders waren journalisten, redacteuren, romancières, professoren en andere geïnteresseerden die wellicht evengoed  kosmopolieten waren. Behalve een enkele Fransman van de oude garde, sprak iedereen er tenminste drie talen, en die talenkennis bleek een van de kenmerken van het kosmopolitisme te zijn. Een kosmopoliet reist namelijk niet alleen veel, maar voelt zich ook als een vis in het water in het buitenland. Volgens Buruma waren er helaas nog niet genoeg kosmopolieten om het idee Europa te laten slagen. Hoe meer kosmopolieten de deelstaten wisten te genereren, hoe meer de eenheid van Europa gevoeld zou worden.
Ach, wij stonden al aan de goede kant en dronken er champagne op en discussieerden vervolgens over schone en vuile handen met betrekking tot de commercialiteit van romanschrijven en vroegen ons af wie er in Amerika nu echt de baas is: Obama, de CIA of de pers. Pas toen de lege glazen uit onze handen werden genomen, konden we het niet langer ontkennen: het was tijd te vertrekken.

Jean-Philippe Toussaint

Citaat uit Liefde Bedrijven (Faire l’amour) van Jean-Philippe Toussaint.

“Op de dag dat Marie me voorstelde met haar mee te gaan naar Japan, begreep ik meteen dat ze eraan toe was om het laatste kruit aan liefde dat ons nog restte, op die tocht te verschieten. Was het, als we onze verhouding dan toch moesten beëindigen, niet simpeler geweest deze lang van tevoren geplande reis te benutten om wat afstand van elkaar te nemen? Was het de beste oplossing om samen een reis te ondernemen, als het de bedoeling was uit elkaar te gaan? Ja, tot op zeker hoogte wel, want in dezelfde mate als de nabijheid ons verscheurde, zou de scheiding ons nader tot elkaar hebben gebracht. We waren immers zo kwetsbaar en stuurloos in onze gevoelens dat de afwezigheid van de ander waarschijnlijk het enige was wat ons nog nader tot elkaar had kunnen brengen, terwijl de aanwezigheid van die ander in onze nabijheid ons juist alleen nog maar sneller uit elkaar kon drijven en de breuk kon bezegelen.”

Meer lezen? De Nederlandse vertaling, die ik helaas niet erg sterk vind, ligt nu bij De Slegte. Voor wie Frans kan lezen is het origineel aan te bevelen.

Uit de oude doos

Met een man die scenario’s schrijft en daar ook voor wordt betaald door producenten en fondsen, is het niet moeilijk om het te verantwoorden minimaal een speelfilm per dag te zien. Of verantwoorden: het is noodzaak, werkverplichting, vereist onderzoek. Na een periode waarin we alle Woody Allen’s zagen, een maand waarin de Italianen Fellini en Antonioni het podium betraden en een zomer waarin we stapels Nouvelle Vague bekeken, is de tijd nu aangebroken voor de klassiekers uit Hollywood van onder anderen Preston Surges en Douglas Sirk. De plotlijnen! De vrouwelijke personages! De intelligentie van de conversatie! Waarom worden zulke films niet meer gemaakt? Films waarin clichés en taboes doorbroken worden en waarin desondanks niemand wordt vermoord of verkracht. Wanneer de tijd daar is, weet ik waar ik mijn inspiratie moet zoeken.

Extiem Dagboek

“Il y a longtemps que j’ai pris l’habitude de noter non seulement les étapes et incidents de mes voyages, mais les événements petits et grands de ma vie quotidienne, le temps qu’il fait, les métamorphoses de mon jardin, les visites que je reçois, le coups durs et les coups doux du destin. On peut parler de ‘journal’ sans doute, mail il s’agit du contraire d’un ‘journal intime’. J’ai forgé pour le définir le mot ‘extime’.”

(Michel Tournier – Journal extime)

Dit boek van Tournier stijgt ver uit boven het gemiddelde niveau van een blog en toch heeft hij in mijn ogen een goede definitie te pakken van wat een blog is: geen intiem, maar een extiem dagboek.

Nooteboom

Soms lees ik een roman en denk: wat een goed boek! Zonder dat het mij aanspoort om de andere romans van deze auteur te lezen.
Soms lees ik een roman en wil ik onmiddellijk alles wat die auteur ooit geschreven heeft tot me nemen.
En soms heb ik meerdere romans van een auteur nodig om mij ervan te overtuigen dat ik toch werkelijk alles van hem of haar moet lezen. Zo’n auteur is Nooteboom.
Het eerste wat ik van hem las, op de middelbare school, was Rituelen. In vergelijking met de boeken van Wolkers en Vestdijk stak dit werk in mijn ogen meteen zeer gunstig af. Het tweede wat op mijn pad kwam, was zijn Boekenweeknovelle Het volgende verhaal. Ik bleef geïntrigeerd, maar zocht mijn heil nog steeds liever bij Kundera. Jaren gingen voorbij en ik kocht Allerzielen. Vervolgens gingen er nog eens jaren voorbij voordat ik Allerzielen ook daadwerkelijk las. En meteen daarna begon mijn verzamelwoede. Ik lees zijn werken inmiddels in de volgorde waarop ik ze in tweedehandswinkels tegenkom en naar Nootebooms bibliografie te oordelen, ben ik de komende jaren nog wel bezig.
Op dit moment geniet ik van In Nederland – de beste twee euro die ik ooit op de Noordermarkt heb uitgegeven.

Slumdog Millionaire

Nederland moet nog tot 12 februari wachten, maar de film die al vier Golden Globes heeft gewonnen (en vast nog vele andere prijzen) en genomineerd is voor negen Oscars, draait in Parijs al enige tijd. Een vriend van ons bonsde afgelopen zaterdag onverwachts op onze deur met het dwingende verzoek het huis te verlaten en mee te gaan naar de bioscoop. Geen tijd hebben, bestond in zijn ogen niet. Voor deze film moesten we tijd maken.
Hij had kaartjes gekocht in het charmante theater La Pagode bij ons in de buurt en ondanks dat hij de film al had gezien, ging hij met ons mee naar binnen. Deze film kon je gerust driemaal zien, vond hij. En hij had gelijk.
Vanaf de eerste scène was ik geboeid en gedurende de rest van de film is mijn aandacht niet afgedwaald. Heel af en toe schemerde er iets kunstmatigs door, iets van de opzet en de structuur van het scenario, maar omdat die opzet en structuur zo oorspronkelijke zijn en zo doeltreffend, stoorde dat me nauwelijks. Of meer nog: het hoorde erbij. De doorzichtige symboliek van de tegenstellingen, het miljonairsspel en de sloppenwijken, het moderne India en de traditie. Ik was me er steeds van bewust dat ik naar een speelfilm keek en toch gaven de beelden me het idee dat ik het echte India leerde kennen, een India dat me fascineerde en afschrok. Het enige minpuntje dat ik zou kunnen noemen is het slot – uiteindelijk is ook deze film een feelgoodmovie, niet met een afgerond en geheel happy end, maar wel met een voor de kijker geruststellend einde. En toch hoort ook dat weer in het scenario, is ook die hoopvolle noot een dubbele noot, maar om dat uit te leggen zou ik te veel moeten verklappen en dat is zonde.
Voor wie niet wil dat ik op een morgen onverwachts op de deur kom bonzen, heb ik een tip: maak tijd voor deze film en ga hem zien.