Op mijn bureau wordt de stapel boeken steeds hoger. Zeker sinds ik mezelf de regel heb opgelegd om de boeken die ik graag wil lezen daar te laten liggen tot ik ze gelezen heb.
Onderaan ligt Don Quichot, waarin ik zes maanden geleden ben begonnen. Ik vond het natuurlijk een prachtige roman in een prachtige vertaling (van Barber van de Pol), maar blijkbaar is het geen boek om in een keer uit te lezen; in het tempo waarop ik nu lees, zal het pas over zes maanden naar een kast verhuizen.
Boven Don Quichot liggen drie boeken die ik in de afgelopen maanden cadeau heb gekregen: Hemelse Golven van Pearl Abraham, En de Liefde van Joke Hermsen en The Master and Margarita van Mikhail Bulgakov. Ik kan ze geen van drieën in verband brengen met de roman die ik op dit moment zelf aan het schrijven ben en daarom zijn het goede kandidaten voor mijn lectuur tijdens de laatste fase.
Maar daar bovenop liggen weer de nieuwe werken van David Mitchell en Jonathan Franzen – romans waarin ik gisteren al had willen beginnen, maar die ik van mezelf nog niet mag openen, omdat ik twee andere boeken, Ton Lemaires De val van Prometheus en Geert Maks De eeuw van mijn vader nog niet uit heb.
Er staat mij dit weekend dus maar een ding te doen: lezen, lezen en nog eens lezen. Heb ik überhaupt nog tijd om te schijven?
Lectuur
Willem Frederik Hermans
Het verbaast mij steeds weer hoeveel ik nog niet gelezen heb.
Op de middelbare school dacht ik nog: als ik straks achttien ben, zal ik de klassieken kennen. Die illusie hield niet lang stand. En de universiteit, waar ik toch echt zes jaar lang heb rondgelopen en waar ik meer heb gelezen dan mij werd opgedragen, verliet ik zonder Mann of Proust te kennen. Dostojevski, Nabokov en Tolstoj waren wel aan bod gekomen, al bleef het bij ieder van hen bij één roman.
Inmiddels is het duidelijk: hoe meer ik lees, hoe meer ik besef hoe weinig ik gelezen heb. Het orakel van Delfi had natuurlijk gelijk toen het Socrates de wijste noemde, want deze filosoof had immers gezegd: ik weet dat ik niets weet.
Er zullen altijd schrijvers zijn om te ontdekken. Pamuk en Coetzee lees ik pas sinds een paar jaar. En gelukkig zullen er ook altijd schrijvers zijn die je herontdekt. Eerder las ik vier romans van Hermans. De eerste verplicht op het gymnasium (Ja, natuurlijk: De donkere kamer van Damocles), de tweede omdat ik ging studeren (Onder Professoren), de derde toen ik naar Parijs verhuisde en het cadeau kreeg (Au Pair) en de laatste nadat ik geklaagd had over muggen in Italië (Nooit meer slapen). En voor even dacht ik: nu heb ik Hermans gelezen. Ik begreep waarom de man zo gewaardeerd werd zonder dat ik me gedwongen voelde alles van hem te bestuderen.
Een paar dagen geleden las ik een tekst over Hermans’ novelle Het grote medelijden en was ik op slag nieuwsgierig. Op vrijdagmiddag nam ik uit de bibliotheek van het Institut Neerlandais een boek mee (Richard Simmillion – een onvoltooide autobiografie), dat ik de dag erna uitlas. Nu wacht ik tot ik op maandag een paar romans van Hermans kan lenen: mijn zomerboeken zijn gekozen.
Point Omega
Er zijn weinig auteurs op wiens boeken ik zit te wachten. Meestal lees ik romans die al een poos in mijn kast staan of die ik toevallig in een boekhandel oppak. Maar zodra ik hoorde dat er een nieuwe Delillo zou verschijnen, hield ik de publicatiedatum in de gaten en sinds ik begreep dat het over tijd zou gaan, heb ik smachtend gewacht tot ik het kon lezen.
Point Omega is qua omvang een novelle, al is het qua diepgang ruimschoots een roman. In 117 pagina’s weet Delillo diverse ideeën over onze huidige samenleving uit te zetten, te verwerpen en opnieuw te etaleren. De kritiek die het boek elders heeft gekregen, dat er te weinig verhaal is of dat de personages uitsluitend ideeën vertolken en nergens tot leven komen, vind ik onterecht. De personages zijn geen eenvoudige mensen die je op iedere straathoek tegen kunt komen, maar met hun summier en tegelijk kundig beschreven trekken zijn ze wel echt.
De roman begint en eindigt met een scène waarin een man naar een videotentoonstelling in een museum kijkt. De film Psycho van Hitchcock wordt er uiterst traag, in precies vierentwintig uur, vertoond. Alleen deze twee stukken, van samen minder dan dertig pagina’s, maken het boek al de moeite van het lezen waard. Ze staan ook zeker niet los van de rest, omdat de drie personages uit het hoofdverhaal deze tentoonstelling eveneens bezoeken en erover spreken: hoe zou ons leven zijn als we het als slow motion zouden kunnen beleven?
Het meedogenloze trage tempo van de film vereist een absolute alertheid van de bezoekers om aan dat tempo recht te doen. ‘It takes close attention to see what is happening in front of you. It takes work, pious effort, to see what you are looking at.’ En die alertheid geldt ook voor het lezen van deze roman, want de traagheid van de film heeft zijn sporen in de vertelling van Delillo achtergelaten.
Het hoofdverhaal vindt plaats in een huis in de woestijn en draait om een ‘familie’ van drie personen; de conservatieve intellectueel Elster die de overheid adviseerde een Haiku oorlog te voeren met behulp van uiterst herhaalbare woordcombinaties die in het geheugen zouden kunnen blijven hangen als slogans; de rudimentaire filmmaker die deze intellectueel tegen de muur wil zetten en hem zonder vooropgezet plan wil laten spreken; en de in zichzelf gekeerde dochter van Elster die af en toe tegen vreemden praat.
Ze zijn samengekomen, omdat Elster de terreur van de stad wilde ontvluchten, hij de filmmaker als gezelschapsdier koos en de dochter door haar moeder verplicht afstand moest nemen van een mysterieuze man. In de stad, waar de minuten en uren met alles verweven zijn, was het voor Elster onmogelijk om het verstrijken van de tijd te vergeten. Alleen ver weg van het Nieuws en het Verkeer, vertraagt de tijd voor hem.
‘Time becomes blind. I feel the landscape more than see it. I never know what day it is. I never know if a minute has passed or an hour. I don’t get old here.’
En in deze blinde tijd, die uitnodigt tot reflectie, spreken de personages met elkaar en wisselen hun gedachten over het Point Omega zich af met meningen over het huwelijk of de oorlog. Het zijn gesprekken waarin ze zowel toenadering zoeken als zichzelf afschermen.
Maar uiteindelijk haalt de realiteit de filosofie in – het einde van het menselijk bewustzijn lijkt misschien dichtbij als we de wereld theoretisch benaderen. Als we met uiterste concentratie naar de werkelijkheid kijken, ligt het een miljoen jaar van ons af.
Ik sloeg het boek dicht met het verlangen naar meer. Delillo’s Point Omega is een van de meest intrigerende trage ervaringen die ik ooit heb beleefd.
On Eating Animals
(Or ‘Why I am a vegetarian’ part 2)
There are many books about eating meat, but few are written as witty as this one. If you want to know how meat is produced, read Eating Animals. If you want to stay ignorant and keep pretending you have never heard of factory farms, read no further. I believe Foer’s book was not written to make you a vegetarian, but to enable you to make informed decisions about your diet.
After reading Eating Animals from Jonathan Safran Foer I considered buying fifty or so copies and offer them as gifts to my friends and family. Not because I wanted everyone to become a vegetarian, but because this book offers a wealth of information on factory farming and I felt everyone should have access to it. Most people know already that these factory farms (also referred to as meat factories) cause animals to suffer, but that’s not all: this way of meat producing is a threat to personal health, general health and the environment.
Ultimately, financial restraints and the fear of being pedantic made me change my mind. The best next thing was to encourage people to read the book by writing about it on my blog.
Like Jonathan Safran Foer, I have been an on-and-off vegetarian for years. As a child it never occurred to me there could be anything wrong with eating meat, but when I met vegetarians, heard stories, spoke to doctors and did my own research, it became an issue in my life. Whose side should I be on; the meat defenders or the vegetable freaks?
With all the information in Eating Animals about viruses, bacterial infections, torturing and toxic pools of shit, it wasn’t difficult anymore to pick my side. (For the information I am referring to: please read the book.)
Of course it is never too smart to trust the facts from one side only, but Foer quotes many different sources and I am convinced that what he writes is true. Not even the meat industry people are denying his facts – they are just denying that these facts should matter. But to me, they do matter and they matter so greatly that I hope I’ll never eat factory meat, dairy or eggs again and others will act alike.
To avoid any confusion: I am not arguing that animal rights should be our number one priority in saving the world, but I hate it when meat defenders say: ‘So many people are suffering – we can’t afford to waste our concern on animals.’
First of all: the issues are very much related. If the West would consume less meat, there would be more grains left to feed people who are hungry. Secondly: there is not much I can do in my daily routine to help cure Malaria – but I can do something to minimize animal suffering: I can stop eating factory meat.
Anyone thinking about giving up meat will wonder why humans eat animals to begin with. I came up with this:
1. Because we were designed to eat animals (look at our teeth!). Sure, as a last resort. When there is nothing else to eat, even cannibalism is acceptable to survive. But when you have enough highly nutricious vegetarian food – why bother?
2. Because we need animal protein. As a matter of fact: we don’t. Children excepted, we don’t even need dairy. Much research has been done and the only thing contemporary vegans might lack is Vitamin B12 – eating yeast will take care of that (or for vegetarians, eating eggs and organic cheese.)
3. Because animals exist so we can eat them. Anyone who would truly believe that, shouldn’t protest when cats and dogs are being eaten too.
4. Because it tastes good.
Well, I’m not sure about you, but the combination of my own health, the global environment and the wellbeing of animals, is more important to me than taste.
Foer published his book on the meet industry just before Thanksgiving – probably not a coincidence. On this American holiday, 45 million factory turkeys are being eaten and I assume Foer’s most modest expectation was, that those who read the book would at least think about what they were eating this year. I leave this small text here, just before Christmas, not to judge, but in the hope to inspire the same type of reflection.
PS 1. I have not tried to write a review. I just wanted to raise the topic of eating animals and to make people aware of the existence of this book. More critical notes on the way this book was written and constructed can be found here: The Newyorker / New York Times / LA Times.
PS 2. Ik heb dit stukje in het Engels geschreven, omdat ik Foers boek in het Engels las en ik vooral met niet-Nederlandstaligen over dit onderwerp heb gesproken – voor wie moeite heeft deze tekst te begrijpen: ik raad het boek Dieren Eten van Jonathan Safran Foer van harte aan.
White noise
White Noise stond al jaren in onze boekenkast. Het was een van de weinige boeken die mijn man uit de Verenigde Staten had meegenomen toen hij in 1999 naar Parijs verhuisde. De rest van zijn collectie en alle eerste-drukken bleven voorlopig bij zijn ex en zag hij uiteraard niet meer terug.
Van Don Delillo las ik slechts één boek: Underworld en wie dat boek gelezen heeft, begrijpt dat Delillo een briljant schrijver is, maar ook erg Amerikaans. Ik vond het na die dikke pil wel even genoeg; je kunt niet van alle auteurs het gehele oeuvre lezen, soms blijft het bij een enkel werk of meesterwerk.
Maar op een dag was ik op zoek naar een ironische toon, een intelligente stem met wat sarcasme hier en daar. Ik opende tientallen boeken, bekeek Salinger, Auster, Murakami, Nooteboom. Ze boden me niet wat ik zocht. En toen opende ik White Noise.
Wow. Jaloersmakend. Ik moest het boek soms even wegleggen omdat ik te veel onder de indruk was om door te lezen. De constructie van de roman vind ik niet eens zo geslaagd en sommige personages bestaan enkel om een bepaalde theorie uit de doeken te doen, maar wat kan deze man schrijven.
Zijn kracht ligt vaak niet in een zin en zelfs niet in een paragraaf, het is de manier waarop hij alles aan elkaar rijgt. Voor de nieuwsgierigen hier toch een kort fragment:
“That night, a Friday, we ordered Chinese food and watched television together, the six of us. Babette had made it a rule. She seemed to think that if kids watched television one night a week with parents or stepparents, the effect would be to de-glamorize the medium in their eyes, make it wholesome domestic sport. Its narcotic undertow and eerie diseased brain-sucking power would be gradually reduced.”
(Uit: White Noise van Don Delillo)
In Parijs
Enige tijd geleden hoorde ik dat er een boek zou worden gepubliceerd over de stad waarin ik woon van een auteur die een paar jaar jonger is dan ik: In Parijs, van Olivier van Beemen.
Wanneer ik over een nieuwe uitgave hoor, vraag ik me altijd af of het een boek is dat ik
A) meteen moet lezen
B) misschien moet lezen
C) niet hoef te lezen.
In dit geval lag mijn oordeel ergens tussen B en C in. Ik neigde naar C omdat ik mij afvroeg wat ik kon leren van een boek dat geschreven was door een jonkie over een stad waarin ik zelf al tien jaar woonde. En ik neigde naar B omdat ik meteen nieuwsgierig was naar de ervaringen van iemand van ongeveer mijn leeftijd, in plaats van naar die van bijvoorbeeld Philip Freriks, een naam die je overigens niet moet noemen in aanwezigheid van sommige jonge correspondenten in Parijs als je verhitte discussies wilt vermijden.
Op het moment dat ik las dat het boek bij mijn oude uitgever Balans was verschenen, besloot ik Van Beemen spontaan te feliciteren met zijn debuut, wat me een uitnodiging voor een dinertje bij hem thuis opleverde. Het boek, dat tussen ons in op tafel lag, werd natuurlijk al gauw een A.
Van Beemen beschrijft op een prettig lichte toon de recente geschiedenis van Parijs zoals ik die ook heb beleefd: de traumatische populariteit van Le Pen, de plotselinge haat van de Amerikanen voor de Fransen inzake Irak, de eindeloze sympathiewegwassende demonstraties van links, de in het buitenland opgeblazen rellen in de banlieu. De gaten in mijn geheugen werden met nauwkeurige feiten opgevuld.
Maar het boek geeft meer, omdat het ook het verhaal van de journalist zelf vertelt: zijn geldgebrek als student, zijn problemen om als buitenlander zonder vast contract een appartement te huren, de plaatsvervangende schaamte die hij voelt voor sommige Fransen die de sociale voorzieningen misbruiken. Juist door deze combinatie van journalistieke kennis en persoonlijke belevenissen is In Parijs een boek dat de lezer laat ervaren hoe het is om in deze wereldstad te wonen.
Het enige wat me af en toe tegenviel, was dat ik de prikkelende making-of te lezen kreeg van een artikel dat niet in het boek was opgenomen. Zo beschrijft Van Beemen levendig hoe hij in een klein plaatsje arriveert en zich zenuwachtig maakt de grote Houellebecq te ontmoeten zonder dat het uiteindelijke interview erop volgt – misschien moet ik daarvoor zijn volgende boek afwachten – maar dat ik na lezing van In Parijs naar meer verlang, kan uiteraard alleen betekenen dat zijn liefdevolle en oprechte portret van de stad me heeft geraakt. Voor iedereen die van Parijs houdt is dit een boek dat je meteen moet lezen.
Meer over het boek: www.inparijs.nl
Weblog van Olivier van Beemen: www.parijsblog.nl
A Short History of Myth
De laatste woorden uit A Short History of Myth van Karen Armstrong.
“If it is written and read with serious attention, a novel like a myth or any great work of art, can become an initiation that helps us to make a painful rite of passage from one phase of life, one state of mind, to another. A novel, like a myth, teaches us to see the world differently; it shows us how to look into our own hearts and to see our world from a perspective that goes beyond our own self-interest. If professional religious leaders cannot instruct us in mythical lore, our artists and creative writers can perhaps step into this priestly role and bring fresh insight to our lost and damaged world.”

