Met de beste bedoelingen meedogenloos

Emotionele lading
Het zal even wennen zijn, voor mijn naasten.
Eeuwige kermis is meer dan mijn vorige boeken een autobiografische roman. Sommige verhaallijnen en gebeurtenissen zijn weliswaar verzonnen, maar voor mijn familieleden is het onmogelijk zichzelf niet in de personages te herkennen.

Toen ik aan deze roman begon, heb ik geprobeerd afstand te scheppen tussen mijn leven en het verhaal. Ik verzon nieuwe namen, bedacht nieuwe vrienden en fantaseerde zelfs over de mogelijkheid van een nieuw gezin: ik wilde het bestaan van mijn halfbroer verdoezelen en de aanwezigheid van mijn grootmoeder verzwijgen. Alles om te tonen dat ik een roman aan het schrijven was en geen mémoire.

Maar steeds wanneer ik probeerde een cruciale scène te beschrijven waaruit ik belangrijke personen wegliet, raakte ik gefrustreerd. De scènes bleven geconstrueerde situaties zonder betekenis; ze kwamen niet tot leven. Wilde ik een roman schrijven met de juiste emotionele lading, dan moest de gezinsconstellatie ten tijde van mijn vaders overlijden gehandhaafd blijven.

De gewenste afstand schepte ik derhalve met andere middelen: Hans Hollander kreeg een nieuw beroep en een nieuw huis. Het verhaal speelde zich af in een fictief dorp dat Paradijssel heette. En waar mogelijk sjoemelde ik met de feiten en de chronologie. Uiteindelijk hield ik een fantasierijk geraamte in handen dat dicht tegen de werkelijkheid aan lag. De basis van een roman.

Scherpe randjes
Vanaf dat moment leek het gemakkelijker om te bepalen hoe ver ik kon of moest gaan in het verdichten van mijn leven: het verhaal stelde zijn eigen eisen. Ik liet mijn fantasie de vrije loop wanneer dat de roman ten goede kwam en schreef mijn eigen beperkte waarheid op wanneer de scène dat vereiste. Toch zat ik mezelf nog in de weg, want ik had de neiging alle scherpe randjes glad te schuren.

Bijna niemand zegt voortdurend wat hij denkt. We zwijgen uit zelfbescherming of handelen volgens sociale conventies. Ik vind het daarom niet erg dat ik mijn gedachten niet altijd uitspreek, maar mijn gedachten niet opschrijven is een gemiste kans, want de kracht van verhalen zit hem vaak juist in die scherpe randjes. Filmmaker Kieslowski zei in een interview eens, dat wie universele kunst wil maken, diep in zichzelf moet graven. Geheel verzonnen personages en dialogen blijven vaak steken in clichés. Alleen wat uit jezelf komt, is volgens hem origineel en zal juist daardoor weerklank vinden.

Sommige schrijvers hebben er geen moeite mee anderen te schofferen en lijken geboren provocateurs. Andere schrijvers, zoals ik, moeten eerst hun angst overwinnen – ze willen liever niemand voor het hoofd stoten. In mijn relatief korte leven als schrijver heb ik van veel uitgevers, redacteuren en collega-auteurs advies gekregen, dat lang niet altijd eenstemmig was. Maar over één zaak waren ze het eens: een goede schrijver is meedogenloos eerlijk.

En dus heb ik mijn neiging onderdrukt om alles glad te schuren. In de laatste versie van Eeuwige kermis heb ik zelfs nog paragrafen toegevoegd, die ik eerder had geschrapt. Ik heb niets geschreven met de intentie om te kwetsen, al ben ik me ervan bewust dat sommige stukken voor mijn familieleden wellicht niet prettig zijn om te lezen. Ik ben meedogenloos geweest, maar wel met de beste bedoelingen.

Polderlandschap legt het af tegen nieuwbouwwijk

Foto: Michel Salters

Een paar weken geleden verscheen in Elsevier de fotoreportage ‘Kijkend naar Holland’, met foto’s van Michel Salters en een tekst van Robert Stipthout. De reportage toont dat het platte, lege land waaraan Marsman zich vergaapte en waarover hij zijn beroemde dichtregels schreef, niet meer bestaat. Langs de kilometerslange dijken in Nederland liggen nu vooral stadswijken en industriegebieden.

Op een van de foto’s (zie hierboven) is Paradijsselpark afgebeeld, de villawijk achter de Groenedijk in Capelle aan den IJssel. Waar eerst mijn speeltuin, kinderboerderij en baggertuin lag, verrijzen nu keurige ruime huizen met trampolines in de achtertuin. (Dat laatste is een bizarre lokale rage.)

De bouw van het villapark liet me destijds niet onverschillig. Capelle aan den IJssel had meer woonruimte nodig en het gebied dat Paradijssel heette leek een goede locatie. Maar Paradijssel was wel de grond van mijn herinneringen, ook al woonde ik niet meer in de buurt. Door het deels braakliggende gebied te bebouwen, verdween de plaats waar ik zo vaak had rondgezworven. De ervaring en melancholie die daarop volgde, inspireerde me tijdens het schrijven van Eeuwige kermis. Vandaar dat het fictieve dorp van Julia Hollander Paradijssel heet.

Boekpresentatie Eeuwige Kermis

De presentatie van Eeuwige Kermis vond plaats op 7 oktober 2011 bij Boekhandel v/h Van Gennep in Rotterdam. Ik droeg onderstaande tekst voor.

Ieder boek heeft een eigen ontstaansgeschiedenis. Soms begint die met een krantenartikel. Soms met een filosofische vraag. Soms met een zin of een personage. Maar veruit de meeste boeken vinden hun oorsprong in een persoonlijke ervaring van de auteur, ook als er geen sprake is van een autobiografie.

Eeuwige kermis begon in januari 2000. Ik woonde in die tijd voor mijn studie in Parijs en ontving per telefoon het bericht dat ik al maanden vreesde: het ging niet goed met mijn vader en ik moest snel naar huis komen. Drie dagen vóór dat bericht had ik een man ontmoet die inmiddels al drie jaar mijn echtgenoot is. Het was liefde op het eerste gezicht.

Wanneer je op een ervaring terugkijkt, met de kennis van nu, is het verleidelijk die kennis te gebruiken om de betekenis van die ervaring in het verleden te duiden. Wanneer ik dus zeg dat het liefde op het eerste gezicht was, begeef ik mij op glad ijs, want als onze relatie op niets was uitgelopen en we elkaar na die eerste paar dagen nooit meer hadden gezien, zou ik het geen liefde hebben genoemd. Maar omdat we elkaar zijn blijven zien en van elkaar zijn gaan houden, kijk ik er nu zo op terug: liefde op het eerste gezicht.

Gelukkig hebben schrijvers externe hulpmiddelen in de vorm van notitieboekjes en dagboeken. Ik kan mijn ervaringen romantiseren en oppoetsen, maar wat ik op dat moment in het verleden werkelijk dacht en voelde, staat op papier.

Op het Gare du Nord waar ik na dat gevreesde telefoontje de trein naar Nederland nam, kocht ik een notitieboekje, dat speciaal bedoeld was om aantekeningen over mijn vader te maken. Mijn dagboek, dat uiteraard vol stond met navelgestaar, had ik bewust in Parijs laten liggen. Mijn gedachten over mijn vader mochten niet vermengd raken met andere onderwerpen. En al helemaal niet met de tumultueuze ontwikkelingen in mijn buik.

In de trein schreef ik weinig. Ik wilde niet fatalistisch zijn en durfde daarom niet op te schrijven wat ik dacht. Wat ik dacht was: dit wordt een logboek van mijn vaders laatste dagen. Eenmaal thuis schreef ik ook niet veel. Ik wilde iets moois schrijven, iets met gewicht, maar mijn woorden leken te banaal. Het lukte niet accuraat te beschrijven wat er gebeurde, laat staan wat ik voelde. De betekenissen die in die tijd aan alledaagse woorden als ‘arm’ en ‘sinaasappelsap’ kleefden, bleven onzichtbaar op het papier.

Pas maanden later vond ik mijn weg terug naar de woorden, al bleef ik ook toen gefrustreerd. Want steeds wanneer ik over mijn vader wilde schrijven en dan met name over zijn laatste dagen, fietste er een andere emotie tussendoor: de emotie van vrolijke opwinding die bij een nieuwe liefde hoort. Ik schaamde mij dat ik aan mijn vaders sterfbed aan die man in Parijs was blijven denken.

Om aan de ongewenste vermenging van die twee gebeurtenissen en twee emoties te ontkomen, schreef ik in twee verschillende schriften: een voor mijn herinneringen aan mijn vader en een voor mijn overpeinzingen over een zich ontwikkelende liefde. Maar opnieuw lukte het me niet de emoties te scheiden. De feiten kon ik nog wel opsommen, maar zodra ik me waagde aan mijn reactie daarop, ging het mis.

Pas na de publicatie van mijn eerste roman, in 2005, begon ik serieus na te denken over de mogelijkheid een roman te schrijven over de dood van mijn vader. Misschien kon een roman me het kader geven dat ik nodig had. Ik verzon een personage dat naar huis kwam om afscheid te nemen van haar vader, maar ze kwam niet tot leven. Haar handelingen en gedachten bleven oppervlakkig, of erger nog: deden vals aan.  Door de gevoelsparadox, zoals ik de vermenging van mijn emoties was gaan noemen, uit te sluiten, schreef ik een roman  die mij niet raakte  –  en als hij mij niet raakte, zou hij later evenmin de lezer kunnen raken.

Langzaam drong het tot me door: ik had niet meegemaakt wat het was om je vader te verliezen. Ik had meegemaakt wat het was je vader te verliezen op het moment dat je hart zich voor een ander opent. En daar moest ik dus over schrijven. Over het samengaan van die twee gebeurtenissen en de ogenschijnlijk conflicterende, maar in werkelijkheid harmonieuze emoties die daarmee gepaard gingen.

Een fragment uit Eeuwige kermis:

Julia stond in de deuropening van de kajuit. Op de rand van het bed zat Julius, zijn hand op het laken dicht bij zijn vaders arm. Zijn rug was gekromd, voorovergebogen en hij hield zijn hoofd een beetje scheef. De stervende had zijn ogen gesloten – de medelijdende blik van zijn oudste zoon bleef hem bespaard. Zodra Julius haar zag, wenkte hij haar.
‘Ben je klaar?’ fluisterde ze. ‘Ik wil je niet wegjagen.’
‘Ik ben klaar’, fluisterde Julius en hij stond van het bed op.
‘Blijf nog even’, zei Julia. ‘Hij slaapt nu toch.’ Voorzichtig ging ze op haar rug op het bed liggen, rechts van haar vader. Julius ging aan de andere kant liggen, op zijn zij, en keek over hun vader heen naar zijn zus.
Daar lig ik dan, dacht Julia, met de twee belangrijkste mannen in mijn leven. Als Troy hier was geweest, waren het er drie geweest. Ze legde een hand op haar buik. En als ik zwanger was, zou dat een vierde kunnen zijn, een zoon. Vier mannen. Vier relaties. Vader, broer, geliefde, zoon. Julia kon het idee niet van zich afzetten dat ze nummer één moest inleveren om zich met nummer drie te kunnen verbinden.

Twee van mijn vier mannen zijn hier vanavond aanwezig. En ik zou de eerste twee exemplaren van Eeuwige kermis heel graag aan hen willen overhandigen.

[Kussen en dankwoorden en cadeautjes volgden]

 

Foto’s: Arie Kers – met eeuwige dank :-)

 

 

 

Reacties van lezers op ‘Eeuwige kermis’

Wanneer ik aan een roman werk, denk ik niet aan individuele lezers. Zodra het boek bestaat, besef ik dat iedere roman directe communicatie is, van individu tot individu. Lezen is een intieme ervaring en gelezen worden ook. Ik ben daarom altijd blij met persoonlijke reacties – via email, Facebook, Twitter of anders. De reacties op Eeuwige kermis zijn hartverwarmend. Veel dank!

“Wat een prachtig boek! Het heeft me erg geëmotioneerd (kon af en toe niet met droge ogen lezen). Heel mooi hoe je zo’n dubbel gevoel kunt verwoorden. Veranderingen in jezelf, in de maatschappij, over liefde en dood. Zware onderwerpen in een mooie stijl geschreven, schitterende zinnen, een luchtigheid waarin humor, liefde en verdriet doorklinken. Ik moest het uitlezen, ben erdoor geraakt en blijf er steeds aan denken. Het heeft bij mij emoties opgeroepen alsof ik het zelf heb meegemaakt. Dank je wel voor dit mooie boek.” (P.V. Delft)

“Vlijmscherp. By far het beste wat ik van je heb gelezen. Volwassen, rijk en echt. Tot de verbeelding sprekend. Het grijpt me enorm.” (M.U. Utrecht)

“Bijzonder hoe je fantasie en rauwe werkelijkheid met elkaar laat samenspelen in het boek. Ik doel dan op het pretpark Paradijsel en het sprookjesachtige huis van Julia’s vader, met daarnaast de realistische verhoudingen tussen de personages.” (S.v.A. Den Haag)

“Je hebt een knappe roman geschreven, met de onmiskenbare sfeer van een Noord-Hollands dorp en een creatief en verrassend plot. […] Ik las er een pleidooi in voor zelfstandig en onafhankelijk denken en handelen, voor persoonlijke moed.” (H.R. Den Bosch)

“Je beste boek! Erg onder de indruk van je mooie schrijfstijl, je hebt zoveel woorden tot je beschikking en hebt de zeil- en scheepwereld echt neer kunnen zetten. De ontwikkeling van Julia (van rationaliserend en afstandelijk naar meer gevoel) vond ik mooi en maakte ook dat ik me het tweede deel van het boek meer kon identificeren.” (L.H. Tilburg)

Reacties elders:

In de NRC webwinkel
1-12-2011 – Hans Overloo
Intrigerende roman over verdwijnende authenticiteit, een persiflage van een Hollands dorp. En tegelijk een roman over euthanasie en afscheid. De thema’s zijn heel knap verweven; hoe de dood je naar echtheid doet hunkeren.

Op BOL.com
***** Aanrader!
21 november 2011| Door: LucyAndrea
Een verhaal over een jonge vrouw die na een lange tijd terugkeert naar haar geboorteplaats. De gebeurtenissen over haar stervende vader en de veranderingen die in haar dorp hebben plaatsgevonden, slepen je mee. Ik kon het boek niet neerleggen, in een keer uit gelezen! Prachtig geschreven, gevoelig en ontroerend, maar ook met een dosis luchtigheid en humor. Een aanrader!

***** Zeer mooi!
20 november 2011| Door: aelbertsen
Eeuwige kermis is een zeer mooi geschreven boek,je wordt meegenomen in de diverse veranderingen van het leven van Julia. Veranderingen en afscheid nemen van dierbaren zijn thema’s die een ieder raakt. Het is Claire Polders gelukt om deze thema’s dusdanig verdiepend en toch ook weer luchtig en met humor te beschrijven, dat het je raakt. Het boek liet me niet los en zet aan tot nadenken.

***** Prachtig geschreven boek dat je raakt en waar je aan blijft denken
11 oktober 2011| Door: Betrokkenlezer
Een boek dat je raakt kan alleen als het heel goed is geschreven. Het boek gaat over de ontwikkeling die de schrijfster doormaakt, veranderingen in de samenleving, over liefde en dood. In een mooie schrijfstijl worden zware onderwerpen zoals liefde en verdriet op een humorvolle manier beschreven. Werkelijkheid en fantasie worden moeiteloos met elkaar verbonden.

Op Boekentip
 (*****) REVIEWER: Janneke POSTED: 13:26, Nov 17, 2011
HEDENDAAGS HELDENVERHAAL
Een heel verrassend boek. Kende de schrijfster nog niet, maar kreeg een tip van iemand. De hoofdpersoon Julia is een jonge vrouw die zich van haar familie heeft losgemaakt, maar naar huis moet om afscheid te nemen van haar vader. Als ze daar eenmaal is, wordt ze opgenomen in de maalstroom van het dorp. Ze blijkt veel meer met deze mensen verbonden dan ze besefte. Eeuwige Kermis is een ontroerend verhaal over liefde en authenticiteit – over onafhankelijkheid en het zoeken naar jouw rol in de wereld. Julia Hollander is een echte hedendaagse heldin: ze heeft de beste intenties, maar maakt ook fouten. Het boek heeft me erg aangegrepen, vooral op het eind. Een aanrader!

Eeuwige kermis (8 – slot) – Euthanasie

Verloren zaak en minder-ideale oplossingen
Aan sommige situaties kun je niets veranderen. Wie een telefoon in de sloot heeft laten vallen (en wie is dat ongeluk bespaard gebleven?), kan maar beter een nieuwe kopen. Met een schepnetje over de bodem schrapen of de sloot professioneel laten uitbaggeren zal geen bruikbaar apparaat opleveren. De strijd om een gezonken telefoon kun je daarom het beste zo snel mogelijk opgeven. Een gezonken telefoon is niet te redden.

Andere situaties worden soms ten onrechte voor een verloren zaak aangezien. Je hebt een treitercollega, een te donker huis of een onbevredigende relatie en omdat je die collega niet kunt ontslaan, de positie van de zon niet kunt veranderen en je partner weigert aan jouw wensen te voldoen, accepteer je klagend of zwijgend je lot. Maar dat de ideale oplossing niet bestaat, wil niet zeggen dat er helemaal geen oplossing bestaat. De minder-ideale oplossingen, zoals zelf een andere baan, huis of partner zoeken, kunnen aantrekkelijker zijn dan de status quo. Mijn motto is: als je een onaangename situatie kunt veranderen door je eigen gedrag of verwachtingen aan te passen, is de kans groot dat die verandering een verbetering oplevert.

Vechten of opgeven
Uiteraard is het niet altijd eenvoudig de verloren zaak te onderscheiden van de situatie die je met doorzettingsvermogen of inventiviteit naar je hand kunt zetten. Wanneer moet je vechten en wanneer moet je opgeven? Dat is de vraag die Eeuwige kermis misschien het meest heeft geïnspireerd en die de twee verhalen in mijn roman met elkaar verbindt: het verhaal van het toeristische polderdorp en het verhaal van Julia en haar vader. In het geval van het polderdorp durft Julia een eenduidig antwoord te geven:  het is tijd om te vechten. Over haar vader laat zij zich minder gemakkelijk uit.

Allereerst is er de kwestie van de hoop. Kanker is een ziekte die met een combinatie van geavanceerde middelen en wilskracht overwonnen kan worden en dus staat de diagnose ervan op één lijn met vechten. Maar kanker is helaas ook een ziekte die kan winnen. Ondanks een verbeten strijd kan een vroege dood onontkoombaar zijn. Wanneer geef je de hoop op? Als artsen de woorden ‘ongeneeslijk’ en ‘uitbehandeld’ uitspreken? Of als je zelf voelt dat je niet meer uit bed zult komen?

Op het moment dat haar vader haar vertelt dat hij voor euthanasie heeft gekozen, weet Julia niet goed hoe ze moet reageren. Ze respecteert zijn keuze en wil hem erin steunen, maar is dat geen laffe houding? Zou ze als liefhebbende dochter niet moeten proberen haar vader op andere gedachten te brengen? Zou ze niet minstens een schijnstrijd moeten voeren om te tonen dat zijn leven haar dierbaar is?

Ook de euthanasie zelf is niet eenduidig. Je zou het vervroegen van de dood als opgeven kunnen zien. Wanneer vechten geen zin meer heeft, lever je jezelf uit. Maar je kunt euthanasie evengoed als een daad van verzet classificeren. Door een arts te verzoeken je te helpen, geef je de strijd juist niet op en blijft jouw leven in jouw handen. [Over de zelfgekozen dood als daad van zelfbehoud heb ik overigens een langer stuk geschreven, dat volgende week in HP De Tijd (nr. 41) zal worden afgedrukt.]

Julia weet zich uiteindelijk wel een houding te geven, die ik hier verder niet wil toelichten. Maar één ding wordt duidelijk: zowel helden als levenskunstenaars leren feilloos de momenten te herkennen waarop ze moeten vechten of opgeven.

Tot slot
In deze serie stukjes heb ik genavigeerd van het afscheid van een ouder naar het verlangen naar authenticiteit, van nostalgie naar vervreemding en hyperrealiteit, van consumentisme naar verbondenheid, en tot slot van idealisme naar euthanasie. Ik geloof niet dat ik erin ben geslaagd om precies uit te leggen waar mijn boek over gaat. Maar misschien is dat juist wel goed: wie echt wil weten waar Eeuwige kermis over gaat, zal zelf de roman moeten lezen.

Eeuwige kermis (7) – Idealisme

Betrokkenheid
Alleen willen zijn – is dat egoïstisch? Of kan het verlangen naar eenzaamheid waarover ik maandag een stukje schreef, samengaan met het naïeve verlangen de wereld te verbeteren?

Het lijkt een tegenstelling: het afgezonderde individu, dat niet in haar gedachten gestoord wil worden, en het betrokken individu, dat zich het lot van anderen aantrekt. Maar in werkelijkheid gaan die twee nogal eens samen. Connie Palmen drukt het als volgt uit: “Uiteindelijk staat de eenzaamheid van kunst, cultuur en wetenschap in dienst van de samenleving, en is het onmaatschappelijke, ijdele, competitieve individualisme van de enkeling die zich van de gemeenschap afzondert, de drijvende kracht achter de ontwikkeling van diezelfde gemeenschap.” (uit: Het geluk van de eenzaamheid) Eenzaamheid en betrokkenheid sluiten elkaar dus lang niet altijd uit.

Het cynisme van de antiheld
Maar is het genoeg je met de problemen in de wereld bezig te houden en anderen die te laten oplossen? Julia Hollander meent eerst van wel. Via haar documentaires wil zij de realiteit tonen en het is dus niet aan haar om die te veranderen. Bovendien wat kan zij doen? De ellende stroomt onophoudelijk bij haar naar binnen, via satellieten en breedbandverbindingen of ouderwets via de krant, maar ze is niet in staat het lijden te verlichten. De wereld is zo gecompliceerd geworden dat naïeve aalmoezen soms zelfs averechts werken: door een muntstuk in de hand van een invalide kleuter te drukken, draag je bij aan een praktijk waarin volwassenen kinderen verminken om hun bedelen lucratiever te maken.

Julia Hollander vertrouwt dus op instanties en Moeder Theresa’s om het urgente werk op te knappen en gelooft eigenlijk nauwelijks meer dat die iets kunnen bewerkstelligen. Dat de wereld maakbaar is, daar gelooft na het echec van het communisme namelijk niemand meer in. Het is water naar de zee dragen. De tijd van revolutionairen is voorbij. Maar uiteindelijk breekt dit cynisme haar op, want Julia voelt zich steeds nuttelozer worden. Haar documentaires geven haar onvoldoende betekenis. In haar ogen speelt ze geen enkele rol in het wereldgebeuren – haar leven als antiheld voltrekt zich buiten de geschiedenis – en omdat zij gelooft dat ze nergens invloed op kan uitoefenen, groeit de wanhoop.

Geschiedenis maken
Kunnen heroïsche prestaties dan nog verricht worden? Veel mensen leiden een leven dat niets met de wereldpolitiek te maken lijkt te hebben en blijven enkel met de wereld verbonden door het nieuws te lezen. Wie geen generaal is of directeur van een grote corporatie, heeft weinig kans in zijn leven iets te doen dat in de geschiedenisboeken terecht komt. We kunnen onze stem uitbrengen en bepaalde producten kopen of juist boycotten. Daar houdt onze invloed op de wereld wel zo’n beetje op. Misschien dat wij daarom vanuit het Westen niet alleen met angst maar ook met een zekere jaloezie naar de Arabische lente hebben gekeken: daar werd geschiedenis gemaakt en je kon er deel van uit maken!

Een middenweg
De reactie op deze onmacht, deze positie van buitenstaander, is divers. Sommigen worden er nog onverschilliger door en blijven het zwijgzaam oneens zijn met de wereldpolitiek. Anderen vluchten via verslavingen in een nieuwe dimensie. Weer anderen komen (tegen beter weten in) in actie, omdat zij tenminste willen tonen dat ze het ergens niet mee eens zijn, ook als het niets uithaalt.

In Eeuwige kermis stuit Julia Hollander op haar eigen oplossing: schaalverkleining. Zij accepteert dat ze misschien nooit een rol zal vervullen op het wereldtoneel, maar wat zij in haar dorp doet, kan zowel voor haar als die kleine gemeenschap betekenis hebben, ook als het nooit in de geschiedenisboeken terecht komt. Brandweermannen en hulpverleners moeten eenzelfde filosofie aanhangen; de wereld zullen ze misschien nooit verbeteren, maar ze kunnen wel het leven redden van enkele individuen. Tussen het tirannieke geweten van de wereldidealist en de onverschilligheid van de cynicus bestaat dus een middenweg: de middenweg van de lokale held die ervoor kiest om te doen wat binnen zijn of haar mogelijkheden ligt.

Aflevering 8: euthanasie

P.S. Sinds gisteren is deze serie stukjes ook op Zinweb te lezen: zinweb.nl

Eeuwige kermis (6) – Verbondenheid versus het verlangen naar eenzaamheid

Poging tot contact
Julia Hollander maakt documentaires. Dat is haar beroep. Na de middelbare school keert ze haar vrienden en familie de rug toe om vrij te zijn. Ze moet kunnen reizen en rondkijken. ‘Bij haar vertrek had ze alleen wat korrels geboortegrond bewaard in de zak van haar jas.’ (uit: Eeuwige kermis)

Ik schrijf boeken. Iets wat ik altijd heb willen doen. En hoe intenser ik schrijf, hoe meer ik me terugtrek in mijn cocon. Ik moet vrij zijn om te denken en te dromen. Er zijn dagen dat ik niemand spreek en het huis niet verlaat. En dat ik uit Nederland vertrokken ben, is misschien niet alleen vanwege een internationale liefde.

Sommige beroepen vereisen eenzaamheid of tenminste de bereidheid jezelf zo nu en dan van anderen los te knippen. Ik vraag mij weleens af of ik schrijver ben geworden omdat dit losknippen mij goed af gaat, of dat ik naar eenzaamheid verlang omdat het schrijven zo’n grote rol in mijn leven speelt. Ongetwijfeld is het een wisselwerking. Maar een documentaire maak je voor een publiek. Een boek schrijf je voor een lezer. De creatie van een eenzame ziel kun je dus wel opvatten als een poging tot contact.

Angst voor intimiteit
Door het ineenstorten van sociale structuren en de ontzuiling is het voor mensen vaak niet meer onmiddellijk duidelijk wie zij zijn of welke rol ze in de maatschappij innemen. Ze zijn vrij om hun eigen identiteit in te vullen. Maar zoals ik al eerder schreef over het existentialisme is die vrijheid naast een verworvenheid vooral een opgave. In afwezigheid van een autoriteit val je gemakkelijk ten prooi aan innerlijke verwarring, toneelspel en vluchtgedrag. Je wordt niet zomaar een authentiek individu.

Julia Hollander worstelt met haar vrijheid. Ze wil zichzelf vinden en zich niets van anderen aantrekken, maar omdat ze nog zo onzeker is, past ze zich juist voortdurend aan. Ook om die reden verlangt ze naar eenzaamheid: ze gelooft dat ze alleen waarachtig kan zijn door zich terug te trekken. Zodra ze met anderen samen is, sluipt de leugen in haar leven en in haar werk, want omwille van die anderen zal ze al snel iets verzwijgen. Ze verlaat Paradijssel dus niet alleen om documentaires te kunnen maken. Ze verlaat het dorp ook uit angst haar authenticiteit te verliezen, uit angst voor intimiteit. Haar documentaires zijn het enige contact dat ze vertrouwt.

De gemeenschappelijke dimensie
Maar kun je contact met anderen maken door jezelf volledig van hen af te sluiten? Authentiek willen zijn, betekent ook origineel willen zijn, iets doen wat nog nooit iemand heeft gedaan. Julia wil een nieuw licht op de wereld werpen en laten zien wat door gewenning in de schaduw is geraakt. Maar om dat te kunnen, moet ze wel weten wat het ‘gewone’ licht op de wereld is en voor welke dingen mensen blind zijn geworden. Haar documentaires kunnen niet in een vacuüm ontstaan.

Bovendien heeft Julia een gemeenschappelijk taal nodig waarin ze kan communiceren. Wanneer zij alles wat herkenbaar is uit haar films zou weglaten, zou niemand haar documentaires begrijpen. Om iets nieuws te kunnen tonen, moet ze appelleren aan wat reeds bekend is. Af en toe zal ze zich dus tussen de mensen moeten begeven, zich met hen verbinden, om zo te kunnen ervaren waaruit dat bekende bestaat. Een betekenisvolle film kan zij als individu moeilijk in totale afzondering scheppen, omdat zo’n film ook een gemeenschappelijke dimensie heeft.

Nachten van solidariteit
In Julia (en in mij en misschien wel in iedereen die iets eigenzinnigs maakt dat hij of zij met een publiek wil delen) bestaat een tegenstrijdigheid: de wil je te onderscheiden en de noodzaak je met anderen te verbinden. Wat is voor een schrijver of documentairemaker dan de beste strategie? Toegeven aan het verlangen naar eenzaamheid of jezelf dwingen in de wereld af te dalen?

Coetzee beschrijft de verscheurdheid meesterlijk: ‘As a young man, I never for a moment allowed myself to doubt that only from a self disengaged from the mass and critical of the mass could true art emerge. Whatever art has come from my hand has in one way or another expressed and even glorified in this disengagement. But what sort of art has that been, in the end? Art that is not great-souled, as the Russians would say, that lacks generosity, fails to celebrate life, lacks love.’ (uit: Diary of a Bad Year)

Als schrijver zal ik altijd de balans moeten zoeken tussen de eenzaamheid van mijn gedachten en het gedruis van de wereld. Julia schiet vooralsnog liever van het ene naar het andere uiterste: ‘De kleffe saamhorigheid die ze onder andere omstandigheden op afstand zou hebben gehouden, liet ze nu tegen zich aanschurken. De verrukking bij een groep te horen, nachten van solidariteit! Haar mensenwarmte zou slijten zodra de operatie was voltooid, daar had ze geen illusies over, en juist in die deadline huisde haar overgave.’ (uit: Eeuwige kermis)

Aflevering 7: Idealisme

Eeuwige kermis (5) – Tijd versus geld, de consumptiemaatschappij

Comfort en luxe
Ik ben een brave burger van de consumptiemaatschappij. Laat ik er niet omheen draaien. Ik koop nieuwe schoenen wanneer mijn oude laarzen nog best een jaar mee zouden kunnen en ik bezit meer crèmes dan er dagen in de week bestaan. Dat laatste is vanwege mijn eczeemhuid, vertel ik mezelf, maar stiekem is het ook omdat ik een nieuwe crème als een luxe ervaar, die ik mezelf niet graag ontzeg. Ik koop dus voor comfort en niet om aan een basisbehoefte te voldoen en dat maakt mij tot een echte consument.

Maar de laatste jaren heb ik met steeds meer weerzin mijn koffer ingepakt wanneer ik weer eens een lang weekend naar Nederland ging. Had ik dit echt allemaal nodig, vroeg ik me af. Kon ik niet zonder deodorant, elektronische muziekspelers, een etui vol grut? Hoe kwam het dat ik zo behoeftig was en belangrijker: hoe kwam ik er weer vanaf?

Reclame en het creëren van behoeften
Alsof mijn weerzin door het universum was opgemerkt, raakte juist in die periode de serie Madmen in zwang en met miljoenen anderen smulde ik van de jaren vijftig avonturen van de advertentiemannen en –vrouwen in hun prachtige kostuums. Mijn nostalgische verlangen werd bevredigd en ik leerde ook nog eens iets over hoe het ooit allemaal begon: het creëren van behoeften aan producten die niemand nodig heeft.

Met behulp van psychologische inzichten werd het in de jaren vijftig steeds gemakkelijker consumenten te manipuleren en met het intrede van de televisie werd het verspreiden van de boodschap op massale schaal ronduit een feest. Marketeers maakten handig gebruik van de wetenschap dat producten prestige verschaften en dat individuen merken gebruikten om hun identiteit vorm te geven. Hoe meer je bezat, hoe succesvoller je in de ogen van anderen was en hoe hoger je status. Producten voldeden niet langer aan behoeften – een toenemend bezit was doel op zich geworden.

Verdedigers van de consumptiemaatschappij beweren wel eens dat mensen vaak niet weten wat ze nodig hebben totdat het betreffende product is uitgevonden, zoals klittenband of instant koffie. En al klinkt dat aannemelijk en hebben bepaalde producten ons leven zeker eenvoudiger of prettiger gemaakt, aan echte behoeften voldoen ze niet. Ik kan me namelijk best voorstellen gelukkig te zijn zonder klittenband en instant koffie.

Toen ik mijn eigen gedrag onder de loep legde, ontdekte ik al snel hoe gemakkelijk ik afhankelijk was geraakt van kleine luxes. Een verfrissende gezichtsspray. Een paar sokken met rubbernopjes. Gewenning creëerde binnen no time een gewoonte en wanneer die kleine luxes niet meer voor handen waren, miste ik ze. Zo had ik dus steeds meer nodig om tevreden te kunnen zijn.

Gevolgen van het consumentisme
Wat is meer waard: een uur vrije tijd of een beetje extra inkomen? Consumenten zijn voortdurend gedwongen die keuze te maken en uit onderzoek blijkt dat veel werknemers onvoorwaardelijk bereid te zijn langer te werken wanneer ze er financieel op vooruit gaan. Want meer inkomen betekent meer koopkracht. Maar wat betekent het om minder tijd te hebben? Natuurlijk: stress en haast. Maar ook: een hoger inkomen noopt tot vaker winkelen – de vrije tijd die nog overblijft, wordt aan consumeren besteed.

In Eeuwige kermis beschrijf ik nergens wat er mis is met het consumentisme op mondiale of ecologische schaal – wie daar meer over wil weten raad ik aan Ton Lemaire’s boek De val van Prometheus te lezen.  Wat ik wilde tonen zijn de gevolgen van het consumentisme voor kleine gemeenschappen en het individu. Want consumeren is meer dan alleen een aanslag op je beurs: het verandert op ingrijpende wijze hoe je met tijd omgaat.

In Paradijssel, het fictieve dorp in Eeuwige kermis, zijn de dorpelingen het niet gewend zich iets van kloktijden aan te trekken. Hun filosofie was dat de uren toch wel voorbij gingen, of ze geteld werden of niet, en dat alles zijn eigen tempo had. Maar zodra het dorp als toeristenlocatie wordt geëxploiteerd, moeten ze op de tijd letten en lijkt er altijd een tekort te zijn. De klokuren raken zelfs zo met het alledaagse verweven, met het opstaan, de lunchpauze, de openingsuren, dat niemand het meer in twijfel trekt dat tijd geld waard is. Tijd als een open ruimte waarin het leven zich voltrekt, bestaat dan niet meer.

Het gevolg voor Paradijssel is groot: de sociale cohesie, de burenpraat, het principe van de wederkerigheid, ze maken plaats voor een economie waarin iedereen zich voor de eigen winst inzet. De verhoogde consumptie is dan niet alleen een symptoom van de groeiende vervreemding, maar ook een compensatie ervoor.

Hoe minder behoeften, hoe vrijer
In Eeuwige kermis speel ik in op het generatieverschil dat ik zelf ervaar met betrekking tot consumptie. Dat mijn oma glimogen krijgt wanneer ze vertelt over haar eerste leren handtas, vind ik prachtig. Dat vrouwen van mijn leeftijd zich beklagen wanneer ze zich de nieuwe Vuitton van het seizoen niet kunnen veroorloven, vind ik triest. Ouderen die in strenge of arme gezinnen zijn opgegroeid en in hun jeugd nauwelijks bezit hebben gekend, lijken gevoeliger te zijn voor reclameboodschappen en appreciëren een zekere overdaad. Jongeren, zoals mijn heldin Julia Hollander, aan wie het in hun jeugd juist aan niets heeft ontbroken, hoeven geen inhaalslag te maken en zouden de echte behoeften daardoor eenvoudiger van valse behoeften moeten kunnen onderscheiden.

Terwijl ik Eeuwige kermis schreef, ben ik kritischer gaan kijken naar mijn eigen consumptiegedrag. Ik leef nog lang niet zo sober als ik zou willen en als voor de wereld wenselijk zou zijn, maar ik leef wel bewuster en eenvoudiger, omdat ik niet afhankelijk wil zijn van mijn eigen consumptiepatronen. Hoe minder behoeften je hebt, hoe vrijer je bent. (Aflevering 6: Verbondenheid versus het verlangen naar eenzaamheid.)

Eeuwige kermis (4) – Traditie en rituelen

Ik verlang naar een jeugd die ik nooit heb beleefd.
Ik ben nostalgisch voor een verleden dat niet van mij is.
Ik heb heimwee naar een tijd die ik nooit heb gekend.
Ik mis een ervaring die ik nog niet heb verzonnen.

Met deze frasen en enkele variaties daarop begon ik ooit een dagboek. Steeds wanneer ik de zinnen herlas voelde ik een gloed van herkenning. Ik had blijkbaar uitdrukking gegeven aan iets dat blijvend in mij resoneerde. Maar wat? Ben ik zo’n naïeve romantica die gelooft dat vroeger alles beter was? Of heb ik zo’n vervelende jeugd gehad dat ik die ik het liefste onder fantasieën verdoezel? Geen van beide.

Ontsnappen in een echtere realiteit
Zoals ik in mijn vorige stukje schreef verlangen volgens mij veel mensen naar iets wat volgens hen verloren is gegaan. Cursussen om te leren hoe je zelf brood kunt bakken zijn populair. Evenals de verkoop van lapjes grond voor het aanleggen van moestuinen en het bezoek aan kinderboerderijen waar je geiten kunt melken. Ambachtelijk, authentiek en traditioneel zijn sleutelbegrippen.

Dit verlangen valt deels samen met de wens in het weekend iets radicaal anders te doen dan doordeweeks. Saai bestaan of niet, we willen ontsnappen uit onze realiteit, en een scherpe lezer merkte al op dat dit iets is van alle tijden. Maar tegenwoordig lijken we niet alleen te willen ontsnappen in een fantasie. We lijken ook, of misschien wel juist, te willen ontsnappen in echtere realiteit. Betekent dit dat ons alledaagse leven niet echt genoeg is en we van de werkelijkheid zijn vervreemd?

Vervreemding
Anderhalve eeuw geleden sprak Marx al over een ervaring die hij vervreemding noemde (een woord dat hij overigens niet heeft verzonnen, maar wel populair maakte). Arbeid binnen het kapitalisme zou volgens hem geen bevrediging meer geven, omdat de kloof tussen mens en product te groot was. Ook contemporaine Nederlandse filosofen zoals Dohmen en Manschot gebruiken de term vervreemding, al verwijzen zij daarmee eerder naar een gebrek aan betrokkenheid tussen individuen. Met vervreemding in de context van nostalgie bedoel ik vooral het ervaren van onbehagen en onverschilligheid door een gemis aan iets wat we niet altijd precies kunnen uitdrukken. Het woord ‘contact’ komt misschien het dichtste bij.

Onze moderne wereld is een wereld die steeds abstracter wordt. Werken gebeurt op de computer. Winkelen doen we digitaal. Zelfs veel menselijke relaties zijn via sociale media virtueel geworden. Daardoor kunnen we het concrete contact met de wereld (bijvoorbeeld: handen in de aarde) en het contact met elkaar (bijvoorbeeld: samen een monument oprichten) gaan missen. De ware wereld blijft op afstand en dat maakt ons hongerig naar realiteit. (Over de invloed van de economie op onze omgang met elkaar zal ik later nog iets schrijven).

Sensatiezucht en kitsch
Op zoek naar ervaringen die het contact kunnen herstellen, neigen we naar nostalgie en grabbelen we in een reservoir van rituelen. De belevenissen die vroeger voor sociale cohesie hebben gezorgd, worden van stal gehaald om opnieuw betekenis te verschaffen. Maar het is een dunne lijn tussen het verlangen naar realiteit en sensatiezucht, tussen nostalgie en kitsch.

In mijn roman beschrijf ik het authentieke dorp Paradijssel, dat door een samenloop van omstandigheden een populaire toeristenlocatie wordt. Bezoekers zijn op zoek naar ‘het echte leven’, maar onder invloed van diezelfde bezoekers verandert het dorp juist in een oppervlakkige belevenisindustrie, een hyperrealiteit die uiteindelijk niets meer met het ware leven te maken heeft. Zo wordt het ritueel van de dorpsbruiloft van zijn betekenis ontdaan doordat het in een dagelijkse attractie veranderd. Ook het jaarlijkse IJsselfestijn verliest zijn waarde omdat het niet langer de overgang van herfst naar winter inluidt, maar iedere dag met de nodige bombarie wordt gevierd.

Alternatieve rituelen
Rituelen kunnen alleen iets aan ons leven toevoegen wanneer we erin geloven, ze begrijpen en weten hoe ze zijn ontstaan. Het simpelweg herhalen van een ceremonie en er een feest van maken heeft een tegengesteld effect. Een traditie als museumstuk zal de afstand tussen ons en de wereld alleen vergroten. Misschien is het dus vruchtbaarder naar alternatieven te zoeken om samen te komen, contact te maken en het leven te vieren. Om die reden denk ik dat een recent en ludiek initiatief als koekjesdag best navolging verdient. In Paradijssel vinden ze uiteindelijk ook een oplossing, maar die verklap ik nog niet. Aflevering 5: Tijd versus geld, de consumptiemaatschappij.

Eeuwige kermis (3) – Nostalgie, toerisme en hyperrealiteit

St. John’s Town Center
Een paar jaar geleden is er in Jacksonville Florida een nieuw winkelcentrum gebouwd in de openlucht. Vóór die tijd bestonden naast honderden kleinere conglomeraties (strip malls) alleen twee gigantische overdekte malls met meerdere verdiepingen. Beide malls waren uiterst populair, maar na opening van het nieuwe centrum, zijn ze zeer snel hun klanten kwijt geraakt. Waarom?

Je zou denken dat het nieuwe centrum betere boetiekjes had, maar dat is niet waar – precies dezelfde ketens bieden er precies dezelfde waren aan, met een paar uitzonderingen zoals Louis Vuitton. Heeft de openlucht het dan eindelijk weer van de airconditioning gewonnen? Misschien, maar ik vermoed dat de populariteit van het nieuwe centrum vooral te maken heeft met de naam en zijn pretenties: St. John’s Town Center.

Hoe bedoel je, nep?
Kronkelpaden met groene plantsoenen ernaast, ouderwets aandoende winkelfaçades, een pleintje waar kraampjes staan waarin suikerspinnen en ijsjes worden verkocht; wie de gigantische grijze vlakken van omliggende parkeerplaatsen wegdenkt, kan zich in het centrum van een oud stadje wanen. Maar dan moet je wel goed je best doen, want voor een kritische bezoeker die Europese binnensteden kent, lijkt St. John’s Town Center te sterk op Disneyworld.
– ‘Waarom al die moeite om de illusie te scheppen?’ vroeg ik mijn Amerikaanse schoonmoeder eens, tijdens een jaarlijkse Kerstbezoek. ‘Laat iemand zich door zoveel nep foppen?’
– ‘Hoe bedoel je, nep?’ was haar wedervraag. In haar ogen was het winkelcentrum een heuse stadskern, want mensen kwamen hier ook om te eten, elkaar te ontmoeten en rond te wandelen. Bovendien had de binnenstad van Jacksonville er ooit precies zo uitgezien.
– ‘Maar u weet toch, dat dit allemaal spiksplinternieuw is? Dat er achter de façades identieke betonnen dozen schuilgaan van grote corporaties? Dat hier geen authentiek schoenmakertje tussenzit?’
– ‘Wat is authentiek?’ vroeg ze. ‘De oude binnenstad is door junkies overgenomen. St. John’s Town Center voelt echt en daar gaat het om.’

Illusie van het Echte Leven
Het interesseert mijn schoonmoeder blijkbaar niet dat de werkelijkheid is veranderd. Zij is zo nostalgisch verknocht aan ‘hoe het was’ dat zij een kopie van het verleden als origineel accepteert. Het ware leven is blijkbaar daar, waar de omgeving haar het meest aan dat ware leven herinnert.

Zij staat daarin niet alleen. In onze laatmoderne maatschappij verlangen veel mensen naar iets wat volgens hen verloren is gegaan en ze geven daar uiting aan door naar plaatsen af te reizen waar het echte leven nog wel te vinden zou zijn: schattige bergdorpjes, openluchtmusea, het platteland. Toch bieden die plaatsen soms niet meer dan een illusie van ‘het echte leven’.

In het geval van St. John’s Town Center is er zelfs nooit iets echts geweest. In het geval van Paradijssel, het fictieve dorp in mijn roman, bestaat er een oorspronkelijke kern, maar die dreigt juist door de massale toestroom van toeristen verloren te gaan.

Nabootsing als norm
Wanneer Julia Hollander naar huis terugkeert, is Paradijssel met zijn eeuwige kermis hard op weg een hyperrealiteit te worden, een plaats waar werkelijkheid en fictie niet meer uit elkaar zijn te houden en de virtuele realiteit voor fysieke realiteit wordt aangezien. Er bestaan zoveel films en foto’s waarop het dorp wordt getoond, dat bezoekers al een heel concreet idee hebben van wat ze zullen gaan zien. En wanneer het dorp bij aankomst niet aan hun idee voldoet, raken bezoekers teleurgesteld. Of zoals Julia Hollander het uitdrukt: ‘Ouderwetse reizigers lieten zich nog weleens zonder verwachtingen onderdompelen. Hedendaagse toeristen liepen met een boekje in de hand de attracties af om te verifiëren of het origineel wel even indrukwekkend was als het boekje beloofde.’

De nabootsing is blijkbaar de norm geworden: films en foto’s tonen de wereld niet alleen, ze zijn de wereld geworden, zodat de werkelijkheid aan het kortste eind trekt en verborgen blijft achter de voorstellingen waaraan bezoekers de voorkeur geven. Want in een poging aan de verwachtingen te voldoen, past het dorp zich steeds meer aan, zodat het uiteindelijk niets anders zal tonen dan een fantasie, een vals beeld van een ideaal dorp dat nooit heeft bestaan.

Maar wat mij misschien nog het meest interesseert: waarom zijn we zo nostalgisch? Wat missen we in onze huidige maatschappij dat we met een schamel kopie van het verleden genoegen nemen? Aflevering 4 verschijnt eind deze week: traditie en rituelen.