Eeuwige kermis (5) – Tijd versus geld, de consumptiemaatschappij

Comfort en luxe
Ik ben een brave burger van de consumptiemaatschappij. Laat ik er niet omheen draaien. Ik koop nieuwe schoenen wanneer mijn oude laarzen nog best een jaar mee zouden kunnen en ik bezit meer crèmes dan er dagen in de week bestaan. Dat laatste is vanwege mijn eczeemhuid, vertel ik mezelf, maar stiekem is het ook omdat ik een nieuwe crème als een luxe ervaar, die ik mezelf niet graag ontzeg. Ik koop dus voor comfort en niet om aan een basisbehoefte te voldoen en dat maakt mij tot een echte consument.

Maar de laatste jaren heb ik met steeds meer weerzin mijn koffer ingepakt wanneer ik weer eens een lang weekend naar Nederland ging. Had ik dit echt allemaal nodig, vroeg ik me af. Kon ik niet zonder deodorant, elektronische muziekspelers, een etui vol grut? Hoe kwam het dat ik zo behoeftig was en belangrijker: hoe kwam ik er weer vanaf?

Reclame en het creëren van behoeften
Alsof mijn weerzin door het universum was opgemerkt, raakte juist in die periode de serie Madmen in zwang en met miljoenen anderen smulde ik van de jaren vijftig avonturen van de advertentiemannen en –vrouwen in hun prachtige kostuums. Mijn nostalgische verlangen werd bevredigd en ik leerde ook nog eens iets over hoe het ooit allemaal begon: het creëren van behoeften aan producten die niemand nodig heeft.

Met behulp van psychologische inzichten werd het in de jaren vijftig steeds gemakkelijker consumenten te manipuleren en met het intrede van de televisie werd het verspreiden van de boodschap op massale schaal ronduit een feest. Marketeers maakten handig gebruik van de wetenschap dat producten prestige verschaften en dat individuen merken gebruikten om hun identiteit vorm te geven. Hoe meer je bezat, hoe succesvoller je in de ogen van anderen was en hoe hoger je status. Producten voldeden niet langer aan behoeften – een toenemend bezit was doel op zich geworden.

Verdedigers van de consumptiemaatschappij beweren wel eens dat mensen vaak niet weten wat ze nodig hebben totdat het betreffende product is uitgevonden, zoals klittenband of instant koffie. En al klinkt dat aannemelijk en hebben bepaalde producten ons leven zeker eenvoudiger of prettiger gemaakt, aan echte behoeften voldoen ze niet. Ik kan me namelijk best voorstellen gelukkig te zijn zonder klittenband en instant koffie.

Toen ik mijn eigen gedrag onder de loep legde, ontdekte ik al snel hoe gemakkelijk ik afhankelijk was geraakt van kleine luxes. Een verfrissende gezichtsspray. Een paar sokken met rubbernopjes. Gewenning creëerde binnen no time een gewoonte en wanneer die kleine luxes niet meer voor handen waren, miste ik ze. Zo had ik dus steeds meer nodig om tevreden te kunnen zijn.

Gevolgen van het consumentisme
Wat is meer waard: een uur vrije tijd of een beetje extra inkomen? Consumenten zijn voortdurend gedwongen die keuze te maken en uit onderzoek blijkt dat veel werknemers onvoorwaardelijk bereid te zijn langer te werken wanneer ze er financieel op vooruit gaan. Want meer inkomen betekent meer koopkracht. Maar wat betekent het om minder tijd te hebben? Natuurlijk: stress en haast. Maar ook: een hoger inkomen noopt tot vaker winkelen – de vrije tijd die nog overblijft, wordt aan consumeren besteed.

In Eeuwige kermis beschrijf ik nergens wat er mis is met het consumentisme op mondiale of ecologische schaal – wie daar meer over wil weten raad ik aan Ton Lemaire’s boek De val van Prometheus te lezen.  Wat ik wilde tonen zijn de gevolgen van het consumentisme voor kleine gemeenschappen en het individu. Want consumeren is meer dan alleen een aanslag op je beurs: het verandert op ingrijpende wijze hoe je met tijd omgaat.

In Paradijssel, het fictieve dorp in Eeuwige kermis, zijn de dorpelingen het niet gewend zich iets van kloktijden aan te trekken. Hun filosofie was dat de uren toch wel voorbij gingen, of ze geteld werden of niet, en dat alles zijn eigen tempo had. Maar zodra het dorp als toeristenlocatie wordt geëxploiteerd, moeten ze op de tijd letten en lijkt er altijd een tekort te zijn. De klokuren raken zelfs zo met het alledaagse verweven, met het opstaan, de lunchpauze, de openingsuren, dat niemand het meer in twijfel trekt dat tijd geld waard is. Tijd als een open ruimte waarin het leven zich voltrekt, bestaat dan niet meer.

Het gevolg voor Paradijssel is groot: de sociale cohesie, de burenpraat, het principe van de wederkerigheid, ze maken plaats voor een economie waarin iedereen zich voor de eigen winst inzet. De verhoogde consumptie is dan niet alleen een symptoom van de groeiende vervreemding, maar ook een compensatie ervoor.

Hoe minder behoeften, hoe vrijer
In Eeuwige kermis speel ik in op het generatieverschil dat ik zelf ervaar met betrekking tot consumptie. Dat mijn oma glimogen krijgt wanneer ze vertelt over haar eerste leren handtas, vind ik prachtig. Dat vrouwen van mijn leeftijd zich beklagen wanneer ze zich de nieuwe Vuitton van het seizoen niet kunnen veroorloven, vind ik triest. Ouderen die in strenge of arme gezinnen zijn opgegroeid en in hun jeugd nauwelijks bezit hebben gekend, lijken gevoeliger te zijn voor reclameboodschappen en appreciëren een zekere overdaad. Jongeren, zoals mijn heldin Julia Hollander, aan wie het in hun jeugd juist aan niets heeft ontbroken, hoeven geen inhaalslag te maken en zouden de echte behoeften daardoor eenvoudiger van valse behoeften moeten kunnen onderscheiden.

Terwijl ik Eeuwige kermis schreef, ben ik kritischer gaan kijken naar mijn eigen consumptiegedrag. Ik leef nog lang niet zo sober als ik zou willen en als voor de wereld wenselijk zou zijn, maar ik leef wel bewuster en eenvoudiger, omdat ik niet afhankelijk wil zijn van mijn eigen consumptiepatronen. Hoe minder behoeften je hebt, hoe vrijer je bent. (Aflevering 6: Verbondenheid versus het verlangen naar eenzaamheid.)

Eeuwige kermis (4) – Traditie en rituelen

Ik verlang naar een jeugd die ik nooit heb beleefd.
Ik ben nostalgisch voor een verleden dat niet van mij is.
Ik heb heimwee naar een tijd die ik nooit heb gekend.
Ik mis een ervaring die ik nog niet heb verzonnen.

Met deze frasen en enkele variaties daarop begon ik ooit een dagboek. Steeds wanneer ik de zinnen herlas voelde ik een gloed van herkenning. Ik had blijkbaar uitdrukking gegeven aan iets dat blijvend in mij resoneerde. Maar wat? Ben ik zo’n naïeve romantica die gelooft dat vroeger alles beter was? Of heb ik zo’n vervelende jeugd gehad dat ik die ik het liefste onder fantasieën verdoezel? Geen van beide.

Ontsnappen in een echtere realiteit
Zoals ik in mijn vorige stukje schreef verlangen volgens mij veel mensen naar iets wat volgens hen verloren is gegaan. Cursussen om te leren hoe je zelf brood kunt bakken zijn populair. Evenals de verkoop van lapjes grond voor het aanleggen van moestuinen en het bezoek aan kinderboerderijen waar je geiten kunt melken. Ambachtelijk, authentiek en traditioneel zijn sleutelbegrippen.

Dit verlangen valt deels samen met de wens in het weekend iets radicaal anders te doen dan doordeweeks. Saai bestaan of niet, we willen ontsnappen uit onze realiteit, en een scherpe lezer merkte al op dat dit iets is van alle tijden. Maar tegenwoordig lijken we niet alleen te willen ontsnappen in een fantasie. We lijken ook, of misschien wel juist, te willen ontsnappen in echtere realiteit. Betekent dit dat ons alledaagse leven niet echt genoeg is en we van de werkelijkheid zijn vervreemd?

Vervreemding
Anderhalve eeuw geleden sprak Marx al over een ervaring die hij vervreemding noemde (een woord dat hij overigens niet heeft verzonnen, maar wel populair maakte). Arbeid binnen het kapitalisme zou volgens hem geen bevrediging meer geven, omdat de kloof tussen mens en product te groot was. Ook contemporaine Nederlandse filosofen zoals Dohmen en Manschot gebruiken de term vervreemding, al verwijzen zij daarmee eerder naar een gebrek aan betrokkenheid tussen individuen. Met vervreemding in de context van nostalgie bedoel ik vooral het ervaren van onbehagen en onverschilligheid door een gemis aan iets wat we niet altijd precies kunnen uitdrukken. Het woord ‘contact’ komt misschien het dichtste bij.

Onze moderne wereld is een wereld die steeds abstracter wordt. Werken gebeurt op de computer. Winkelen doen we digitaal. Zelfs veel menselijke relaties zijn via sociale media virtueel geworden. Daardoor kunnen we het concrete contact met de wereld (bijvoorbeeld: handen in de aarde) en het contact met elkaar (bijvoorbeeld: samen een monument oprichten) gaan missen. De ware wereld blijft op afstand en dat maakt ons hongerig naar realiteit. (Over de invloed van de economie op onze omgang met elkaar zal ik later nog iets schrijven).

Sensatiezucht en kitsch
Op zoek naar ervaringen die het contact kunnen herstellen, neigen we naar nostalgie en grabbelen we in een reservoir van rituelen. De belevenissen die vroeger voor sociale cohesie hebben gezorgd, worden van stal gehaald om opnieuw betekenis te verschaffen. Maar het is een dunne lijn tussen het verlangen naar realiteit en sensatiezucht, tussen nostalgie en kitsch.

In mijn roman beschrijf ik het authentieke dorp Paradijssel, dat door een samenloop van omstandigheden een populaire toeristenlocatie wordt. Bezoekers zijn op zoek naar ‘het echte leven’, maar onder invloed van diezelfde bezoekers verandert het dorp juist in een oppervlakkige belevenisindustrie, een hyperrealiteit die uiteindelijk niets meer met het ware leven te maken heeft. Zo wordt het ritueel van de dorpsbruiloft van zijn betekenis ontdaan doordat het in een dagelijkse attractie veranderd. Ook het jaarlijkse IJsselfestijn verliest zijn waarde omdat het niet langer de overgang van herfst naar winter inluidt, maar iedere dag met de nodige bombarie wordt gevierd.

Alternatieve rituelen
Rituelen kunnen alleen iets aan ons leven toevoegen wanneer we erin geloven, ze begrijpen en weten hoe ze zijn ontstaan. Het simpelweg herhalen van een ceremonie en er een feest van maken heeft een tegengesteld effect. Een traditie als museumstuk zal de afstand tussen ons en de wereld alleen vergroten. Misschien is het dus vruchtbaarder naar alternatieven te zoeken om samen te komen, contact te maken en het leven te vieren. Om die reden denk ik dat een recent en ludiek initiatief als koekjesdag best navolging verdient. In Paradijssel vinden ze uiteindelijk ook een oplossing, maar die verklap ik nog niet. Aflevering 5: Tijd versus geld, de consumptiemaatschappij.

Eeuwige kermis (3) – Nostalgie, toerisme en hyperrealiteit

St. John’s Town Center
Een paar jaar geleden is er in Jacksonville Florida een nieuw winkelcentrum gebouwd in de openlucht. Vóór die tijd bestonden naast honderden kleinere conglomeraties (strip malls) alleen twee gigantische overdekte malls met meerdere verdiepingen. Beide malls waren uiterst populair, maar na opening van het nieuwe centrum, zijn ze zeer snel hun klanten kwijt geraakt. Waarom?

Je zou denken dat het nieuwe centrum betere boetiekjes had, maar dat is niet waar – precies dezelfde ketens bieden er precies dezelfde waren aan, met een paar uitzonderingen zoals Louis Vuitton. Heeft de openlucht het dan eindelijk weer van de airconditioning gewonnen? Misschien, maar ik vermoed dat de populariteit van het nieuwe centrum vooral te maken heeft met de naam en zijn pretenties: St. John’s Town Center.

Hoe bedoel je, nep?
Kronkelpaden met groene plantsoenen ernaast, ouderwets aandoende winkelfaçades, een pleintje waar kraampjes staan waarin suikerspinnen en ijsjes worden verkocht; wie de gigantische grijze vlakken van omliggende parkeerplaatsen wegdenkt, kan zich in het centrum van een oud stadje wanen. Maar dan moet je wel goed je best doen, want voor een kritische bezoeker die Europese binnensteden kent, lijkt St. John’s Town Center te sterk op Disneyworld.
- ‘Waarom al die moeite om de illusie te scheppen?’ vroeg ik mijn Amerikaanse schoonmoeder eens, tijdens een jaarlijkse Kerstbezoek. ‘Laat iemand zich door zoveel nep foppen?’
- ‘Hoe bedoel je, nep?’ was haar wedervraag. In haar ogen was het winkelcentrum een heuse stadskern, want mensen kwamen hier ook om te eten, elkaar te ontmoeten en rond te wandelen. Bovendien had de binnenstad van Jacksonville er ooit precies zo uitgezien.
- ‘Maar u weet toch, dat dit allemaal spiksplinternieuw is? Dat er achter de façades identieke betonnen dozen schuilgaan van grote corporaties? Dat hier geen authentiek schoenmakertje tussenzit?’
- ‘Wat is authentiek?’ vroeg ze. ‘De oude binnenstad is door junkies overgenomen. St. John’s Town Center voelt echt en daar gaat het om.’

Illusie van het Echte Leven
Het interesseert mijn schoonmoeder blijkbaar niet dat de werkelijkheid is veranderd. Zij is zo nostalgisch verknocht aan ‘hoe het was’ dat zij een kopie van het verleden als origineel accepteert. Het ware leven is blijkbaar daar, waar de omgeving haar het meest aan dat ware leven herinnert.

Zij staat daarin niet alleen. In onze laatmoderne maatschappij verlangen veel mensen naar iets wat volgens hen verloren is gegaan en ze geven daar uiting aan door naar plaatsen af te reizen waar het echte leven nog wel te vinden zou zijn: schattige bergdorpjes, openluchtmusea, het platteland. Toch bieden die plaatsen soms niet meer dan een illusie van ‘het echte leven’.

In het geval van St. John’s Town Center is er zelfs nooit iets echts geweest. In het geval van Paradijssel, het fictieve dorp in mijn roman, bestaat er een oorspronkelijke kern, maar die dreigt juist door de massale toestroom van toeristen verloren te gaan.

Nabootsing als norm
Wanneer Julia Hollander naar huis terugkeert, is Paradijssel met zijn eeuwige kermis hard op weg een hyperrealiteit te worden, een plaats waar werkelijkheid en fictie niet meer uit elkaar zijn te houden en de virtuele realiteit voor fysieke realiteit wordt aangezien. Er bestaan zoveel films en foto’s waarop het dorp wordt getoond, dat bezoekers al een heel concreet idee hebben van wat ze zullen gaan zien. En wanneer het dorp bij aankomst niet aan hun idee voldoet, raken bezoekers teleurgesteld. Of zoals Julia Hollander het uitdrukt: ‘Ouderwetse reizigers lieten zich nog weleens zonder verwachtingen onderdompelen. Hedendaagse toeristen liepen met een boekje in de hand de attracties af om te verifiëren of het origineel wel even indrukwekkend was als het boekje beloofde.’

De nabootsing is blijkbaar de norm geworden: films en foto’s tonen de wereld niet alleen, ze zijn de wereld geworden, zodat de werkelijkheid aan het kortste eind trekt en verborgen blijft achter de voorstellingen waaraan bezoekers de voorkeur geven. Want in een poging aan de verwachtingen te voldoen, past het dorp zich steeds meer aan, zodat het uiteindelijk niets anders zal tonen dan een fantasie, een vals beeld van een ideaal dorp dat nooit heeft bestaan.

Maar wat mij misschien nog het meest interesseert: waarom zijn we zo nostalgisch? Wat missen we in onze huidige maatschappij dat we met een schamel kopie van het verleden genoegen nemen? Aflevering 4 verschijnt eind deze week: traditie en rituelen.

Eeuwige kermis (2) – Authenticiteit

Kwade trouw
Het hoort niet bij mijn generatie, maar ik ben een kind van het existentialisme. Toen ik als puber las, dat je bestaan (existentie) vooraf ging aan wie je was (essentie) en dat je dus kunt kiezen wie je wílt zijn, raakte ik opgewonden. Zoveel vrijheid, zoveel mogelijkheden! Dat deze vrijheid ook een levenslange opgave was, begreep ik pas later. Een existentialist is verplicht zijn gedrag continu onder de loep te nemen, want kwade trouw ligt op de loer.

Kwade trouw? Of noem het zelfbedrog; het negeren van verantwoordelijkheid, het ontkennen van autonomie, het loochenen van vrijheid. Een excuus is gemakkelijk te vinden: ik heb geen ‘ja’ gezegd (maar ook geen ‘nee’), ik heb dat niet goed begrepen (weet je dat wel zeker?), ik kon niet anders (dat is in het Westen alleen in zeer uitzonderlijke situaties het geval). Het tegenovergestelde van kwade trouw is authenticiteit. Het morele ideaal van de existentialist is daarom een zelfbeschikkend individu dat eigenzinnige paden bewandelt en zich niet verliest in conventies en rolpatronen.

Rolpatronen
Natuurlijk zijn mensen geen eilanden. We groeien op in een gezin, samenleving en cultuur en worden door sociale relaties beïnvloed. Maar we hoeven ons niet door onze context te laten bepalen. We kunnen banden verbreken, verhuizen, een geslachtsoperatie ondergaan. Slaafse navolging is voor massamensen. De vrije mens streeft naar echtheid en originaliteit.

Toch ontkomt ook de vrije mens niet aan rolpatronen en kaders. Bij mijn moeder, ben ik haar dochter. Bij mijn man, zijn vrouw. Mensen spelen dagelijks tientallen rollen en het is lang niet altijd eenvoudig toneelspel van oprecht gedrag te onderscheiden. Is de beleefde winkeldame in werkelijkheid een arrogante trut of is ze een winkeldame geworden omdat ze graag vriendelijk is? En waarom lacht die nieuwkomer op dat feestje zo luid? Wil hij de aandacht trekken of is het oprechte vrolijkheid? Veel van die rollen zijn onschuldig – zo gaan we nu eenmaal met elkaar om – en we vermoeden dat er geen kwaadaardige motieven achter schuilgaan, want we weten dat we ons zelf ook wel eens vriendelijker of vrolijker voordoen dan we ons voelen.

Onverschilligheid
Maar er bestaan ook minder onschuldige rollen, die vooral de kop op steken wanneer het leven gecompliceerd is.  In een moreel ambivalente situatie kan vrijheid angst inboezemen. Want met vrijheid komt de mogelijkheid om foute keuzen te maken of foute standpunten in te nemen. Daarom zullen sommigen op die momenten hun eigenzinnigheid verruilen voor na-aperij: door anderen na te bootsen, verminder je je eigen verantwoordelijkheid. Maar door anderen na te bootsen, sta je niet langer achter wat je zegt en ben je dus niet langer authentiek. Het resultaat is onverschilligheid.

Als voorbeeld zal ik de hand in eigen boezem steken: ik beweer wel eens dat Wilders een grote boze wolf is, want dat klinkt leuk en dat roept iedereen, maar in werkelijkheid begrijp ik nauwelijks wie hij is en wat hij in onze politiek doet. Eigenlijk zou ik hem dus aan een onderzoek moeten onderwerpen om mijn kennishiaat te dichten, maar daar heb ik geen zin in. Of wat ik ook wel eens beweer: zoveel aandacht verdient die man niet. En daarom blijf ik hem een grote boze wolf noemen en mijd ik artikelen over hem. (#ikbeloofverbetering)

Geen geduld voor een onechte wereld
Maar wat heeft dit allemaal met die roman Eeuwige kermis te maken? Nou, mijn ervaring is dat de grens tussen schuldige en onschuldige rolpatronen verschuift op het moment dat je leven op zijn grondvesten schudt: bij de geboorte van een kind, het overlijden van een ouder, de ziekte van een partner. Dit soort ingrijpende gebeurtenissen maken het onmogelijk terug te vallen op vertrouwde reactiepatronen en omdat je geen tijd hebt om een nieuwe houding te vinden, reageer je onvervalst op wat je overkomt. Je raakt kwijt wie je dacht dat je was en vindt een puurder zelf dat je niet herkent.

Omdat je dit ook bij je naasten ziet gebeuren, valt het des te meer op dat de mensen buiten je intieme cirkel maar een stelletje acteurs zijn. Wat een neplui, die buren met hun goede bedoelingen, die stuntelig bloemen afleveren en een condoleanceriedeltje afdraaien. Wat een oppervlakkige collega’s die elkaar complimenten maken en ondertussen bij de koffiemachine de laatste roddels doornemen. Hoe kunnen mensen zo onoprecht zijn?

Geconfronteerd met de grote thema’s in het leven en daardoor tijdelijk bevrijd van je eigen zelfbedrog, heb je geen geduld meer voor een onechte wereld. Existentialist of niet, in die situaties hunker je naar authenticiteit. Daarom toont mijn hoofdpersoon Julia Hollander zo weinig tolerantie voor de eeuwige kermis in haar dorp. Wanneer een vader op sterven ligt, lijkt iedereen ter kwader trouw.  Aflevering 3: nostalgie, toerisme en hyperrealiteit.

Eeuwige kermis (1) – Het afscheid van een vader

Liefde en dood
Op 20 januari 2000 overleed mijn vader in zijn eigen bed, omringd door zijn vrouw, moeder en drie kinderen. Hij was al een aantal jaren ziek en sinds het voorjaar wisten we dat hij niet meer beter zou worden. Na de Kerst ging hij sterk achteruit en ergens begin januari kreeg ik het telefoontje dat ik het beste zo snel mogelijk naar huis kon komen.

Ik woonde in die tijd reeds in Parijs, al dacht ik toen nog dat mijn verblijf hier tijdelijk was. Onderweg in de trein opende ik het schrift dat ik in de haast had gekocht om mijn verwarring van me af te kunnen schrijven. Een paar dagen voor het telefoontje had ik een bijzondere man ontmoet en in korte tijd waren we intens verliefd op elkaar geworden. Terwijl het grijsbevroren winterlandschap aan me voorbij trok, noteerde ik: ‘Van het liefdesbed naar het bed van de dood. Hoeveel kilometers liggen daar tussen?’

Pathetisch natuurlijk, maar ik vergeef het mezelf. Verblind door liefde en verdriet kan het verzwaren van je eigen drama juist enig soelaas bieden.

De weg naar de woorden
In het huis van mijn vader schreef ik weinig. In het aanzien van zijn dood vond ik mijn woorden te banaal. De betekenissen die in die tijd aan alledaagse woorden als ‘arm’ en ‘sinaasappelsap’ kleefden, bleven onzichtbaar op het papier, alsof ik over een willekeurige ledemaat of een willekeurig drankje berichtte. Pas veel later vond ik mijn weg naar de woorden en pas na de publicatie van mijn eerste roman, in 2005, begon ik serieus aantekeningen te maken over zijn laatste dagen, ons afscheid en zijn euthanasie.

De farce
Het besluit er een roman van te maken kwam weer een aantal jaar later. I
k ging aan de slag met mijn jeugdherinneringen en mijn vaders rol in mijn leven, en al zijn die gegevens voor menig auteur voldoende om een boeiende autobiografie af te leveren, voor mij waren ze te mager. Dus groef ik dieper en uiteindelijk kwam ik terecht bij wat ik in mijn schrift ‘de farce’ had genoemd: mijn tolerantie voor onoprechtheid leek een dieptepunt te hebben bereikt en zelfs mijn beste vrienden vond ik bij vlagen oppervlakkig . Waarom zou je je druk maken over een cijferlijst of een mislukt verjaardagsfeest wanneer iedere dag van je leven de laatste kan zijn? Mensen met wie ik mij altijd graag had omringd, leken ineens alleen buitenkant en ik walgde van mijn eigen preoccupaties.

Waarom ervaarde ik dat zo? En wat had het te betekenen? Daarover wilde ik schrijven. En dus ging ik op zoek naar een verhaal waarin het contrast tussen echtheid en charlatanerie een hoofdrol speelde.  Aflevering 2: Authenticiteit.

Op 20 januari 2000 overleed mijn vader in zijn eigen bed, omringd door zijn vrouw, moeder en drie kinderen. Hij was al een aantal jaren ziek en sinds het voorjaar wisten we dat hij niet meer beter zou worden. Na de Kerst ging hij sterk achteruit en ergens begin januari kreeg ik het telefoontje dat ik het beste zo snel mogelijk naar huis kon komen.

Ik woonde in die tijd reeds in Parijs, al dacht ik toen nog dat mijn verblijf hier tijdelijk was. Onderweg in de trein opende ik het schrift dat ik in de haast had gekocht om mijn verwarring van me af te kunnen schrijven. Een paar dagen voor het telefoontje had ik een bijzondere man ontmoet en in korte tijd waren we intens verliefd op elkaar geworden. Terwijl het grijsbevroren winterlandschap aan me voorbijtrok, noteerde ik: ‘Van het liefdesbed naar het bed van de dood. Hoeveel kilometers liggen daar tussen?’

Pathetisch natuurlijk, maar ik vergeef het mezelf. Verblind door liefde en verdriet biedt het verzwaren van je eigen drama soms juist enig soelaas.

In het huis van mijn vader schreef ik weinig. In het aanzien van zijn dood vond ik mijn woorden te banaal. De betekenissen die in die tijd aan alledaagse woorden als ‘arm’ en ‘sinaasappelsap’ kleefden, bleven onzichtbaar op het papier, alsof ik over een willekeurige ledemaat of een willekeurig drankje berichtte. Pas veel later voelde ik me in staat over die gebeurtenissen te schrijven en pas na de publicatie van mijn eerste roman, in 2005, begon ik serieus aantekeningen te maken over zijn laatste dagen, ons afscheid en zijn euthanasie.

Het besluit er een roman van te maken kwam weer een aantal jaar later. Mijn eerste plan was om de nadruk te leggen op wat ik mijn gevoelsparadox noemde: de heftige emoties van mijn prille liefde botsten namelijk niet met de beladen sfeer thuis, maar intensiveerden die periode juist. Gelukkig besefte ik op tijd dat ik met die aanpak eerder een boek over mijn man zou schrijven dan over mijn vader en dat was niet de bedoeling.

Vervolgens ging ik aan de slag met jeugdherinneringen en mijn vaders rol in mijn leven, en al zijn die gegevens voor menig auteur voldoende om een boeiende autobiografie af te leveren, ik vond ze te mager. Dus groef ik dieper en uiteindelijk kwam ik terecht bij wat ik in mijn schrift ‘de farce’ had genoemd: geconfronteerd met de grote thema’s in het leven – dood, liefde, schuld – daalde mijn tolerantie voor frivoliteit en vond ik zelfs mijn beste vrienden bij vlagen oppervlakkig of zelfs berekenend. Waarom zou je je druk maken over een cijferlijst of een mislukt verjaardagsfeest wanneer iedere dag van je leven de laatste kan zijn? Mensen met wie ik mij altijd graag had omringd, leken ineens alleen buitenkant en ik walgde van mijn eigen preoccupaties.

Waarom ervaarde ik dat zo? En wat had het te betekenen? Daarover wilde ik schrijven. En dus ging ik op zoek naar een verhaal waarin het contrast tussen echtheid en charlatanerie een hoofdrol speelde. Later deze week aflevering 2: Authenticiteit, toerisme en hyperrealiteit.

Eeuwige kermis (0) – Waar gaat je boek over?

Samenvatten
Het is een doodnormale vraag van een geïnteresseerde lezer en toch is hij nauwelijks te beantwoorden: ‘Waar gaat je boek over?’

Ik vind het moeilijk tot vrijwel onmogelijk een roman van zeventigduizend woorden samen te vatten tot een paar zinnen of één thema. ‘Als ik het beknopter kon zeggen, had ik dat wel gedaan’, hoor ik collega’s vaak brommen. En zo is het. Maar wanneer je uitgever een brochure wil maken en de tekst voor de achterflap naar de drukker moet, word je als schrijver toch gedwongen een samenvatting te accepteren. Waar moet je dan de nadruk op leggen?

Twee verhalen
In de meeste romans zijn er minstens twee verhalen die gelijktijdig verteld worden; het A-verhaal waarin de meeste handelingen plaatsvinden en het B-verhaal, dat meer psychologisch van aard is en waarin de hoofdpersoon een ontwikkeling doormaakt. Moet mijn achterflap dus vermelden dat een documentairemaakster naar huis reist, ontdekt dat haar dorp een openluchtmuseum is geworden en actie onderneemt? Of moet ik juist onderstrepen dat het over een jonge vrouw gaat met intimiteitsproblemen, die wordt gedwongen afscheid te nemen van haar vader, die ze eigenlijk nauwelijks kent?

Thema’s en motieven
Toch is de veelheid aan verhaallijnen niet het enige probleem. Een boek evolueert ook nog eens tijdens het schrijven. Zo kan ik wel zeggen dat ik Eeuwige kermis ben begonnen met het idee een boek over de dood te schrijven en dat ik min of meer ben geëindigd met een boek over de liefde. Ook het feit dat deze roman behoorlijk autobiografisch is, compliceert de zaak. Voor mijn gevoel gaat Eeuwige kermis over euthanasie, maar tijdens het lezen van de zetproef zag ik in dat de roman inmiddels ook zonder dat thema een bestaansrecht heeft.

Om het boek waaraan ik jaren heb gewerkt in alle rust te introduceren, zal ik voorafgaand aan de publicatie hier een paar stukjes schrijven. Daarbij zal ik steeds een deel van de roman tot onderwerp nemen (al zijn alle thema’s en motieven uiteraard met elkaar verknoopt). Binnenkort aflevering 1: De dood van een vader.

Voor nu is er de achterflaptekst:

‘Julia Hollander reist de wereld rond om leugens te ontmaskeren. Wanneer haar doodzieke vader besluit uit het leven te stappen, keert ze halsoverkop terug naar haar geboortedorp Paradijssel.
Tot haar afschuw dreigt ‘het laagste dorp van Nederland’ een banale kruising te worden tussen een openluchtmuseum en een pretpark.
Julie probeert te redden wat haar lief is en leert met vallen en opstaan haar introverte vader kennen. Maar als ze beseft dat ze het dorp alleen kan helpen door leugens te vertellen, staat ze voor een dilemma: opgeven of vechten?’

Eeuwige kermis is een zoektocht naar liefde en authenticiteit in een gehaaste wereld.

Roman ‘Eeuwige kermis’

eeuwige kermis

Een zoektocht naar liefde en authenticiteit
in een gehaaste wereld.

“Er zijn twee manieren om in de hel te leven: erin ondergaan, zodat je eraan gewend raakt, of mensen herkennen die niet bij die hel horen en je samen verzetten.”

Julia Hollander reist de wereld rond om leugens te ontmaskeren. Met een camera op haar schouder toont ze de realiteit. Wanneer haar doodzieke vader besluit uit het leven te stappen, keert ze halsoverkop terug naar haar geboortedorp Paradijssel.

Tot haar afschuw dreigt ‘het laagste dorp van Nederland’ een banale kruising te worden tussen een openluchtmuseum en een pretpark.

Julia probeert te redden wat haar lief is en leert met vallen en opstaan haar introverte vader kennen. Maar als ze beseft dat ze het dorp alleen kan helpen door leugens te vertellen, staat ze voor een dilemma: opgeven of doorvechten?

VERSCHENEN: Oktober 2011 – Uitgeverij De Geus // ISBN 9789044516906

Voorpublicatie // Leesclubdossier // Achtergrond en thema’s // Interview

Bestellen

U kunt dit boek onder andere kopen bij:

De roman is tevens in iedere boekwinkel te koop of, als het niet op de plank staat, te bestellen.

Voor Nederlanders in Frankrijk: een (indien gewenst gesigneerd) exemplaar van Eeuwige kermis is tijdelijk direct bij mij te bestellen voor 21 euro incl. verzendkosten. (Prijs in de winkel: 18,90) Stuur een mailtje naar cp(at)clairepolders.com, waarbij u (at) uiteraard vervangt door @.

Recencies

Lees hier wat de pers en lezers schreven over Eeuwige kermis.

De presentatie

De presentatie van deze roman vond plaats op 7 oktober 2011 bij Boekhandel v/h Van Gennep in Rotterdam.
De door de auteur uitgesproken tekst is hier te lezen.

foto: Joyce v. Belkom