Filosofie Scheurkalender 2004 (6)

‘De ware goedheid van de mens kan zich alleen in volstrekte zuiverheid en vrijheid manifesteren jegens hen die geen kracht vertegenwoordigt.’ (Milan Kundera, De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, 1983)

In De ondraaglijke lichtheid van het bestaan creëert Kundera het personage Tereza, dat een theorie van de liefde ontwikkelt: liefde tussen twee mensen, hoe mooi en diep deze ook is, kan volgens haar nooit zuiver zijn. Er bestaat altijd een bepaalde machtsrelatie waarin de één zwakker is en de ander sterker. Je bent min of meer verplicht om lief te zijn voor je wederhelft, omdat je die andere persoon nodig hebt. Je liefde is niet onbaatzuchtig.
Voor naastenliefde geldt hetzelfde. Het is geen verdienste je vrienden goed te behandelen, want de consequenties zijn veel te talrijk als je het niet zou doen. Als je niet om anderen geeft, zullen anderen ook niet om jou geven en vergal je je eigen leven.
Tereza concludeert daarom dat de werkelijke morele beproeving van de mens berust op zijn verhouding tot wie aan hem zijn overgeleverd en zij noemt haar hond als voorbeeld. Haar liefde voor dit dier is zonder zelfbelang. Ze wil niets van de hond terug en verwacht zelfs geen liefde. De hond heeft haar nodig zonder dat zij het dier echt nodig heeft. Een liefde is pas zuiver als het gegeven wordt aan iemand die geen kracht vertegenwoordigt.