Roland Holst Huis – Bergen (22)

Mijn laatste dag. Wat zou er gebeuren als ik niet vertrek? Als ik de mensen van het fonds beleefd maar dwingend uitleg dat mijn roman nog niet af is en dat ik nog geen afscheid kan nemen van wat Jany zelf zijn ‘tweede huid’ noemde?
Ja, ze zouden me eruit zetten, desnoods met geweld. En het zou heel wat publiciteit opleveren, wat altijd welkom is. Maar de kans dat ik daadwerkelijk zou kunnen blijven is klein en de kans dat ik daarna nog een keer zou mogen terugkeren nog kleiner. Dus misschien is het een betere strategie om de boel netjes achter te laten en de mensen van het fonds te vragen: mag ik alsjeblieft alsjeblieft alsjeblieft nog een keer terugkomen?

Roland Holst Huis – Bergen (21)

De aanhoudende regen houdt me uit de duinen en achter mijn roman. Het is al weer een week geleden dat ik de zee rook. Misschien moet ik me niets aantrekken van een bui hier en daar, maar het vooruitzicht van nog meer kou schrikt me af – ik heb het hier in dit huisje al koud genoeg. Ik herinner mezelf er koppig aan dat het augustus is en weiger de verwarming aan te zetten. Ondertussen heeft het KNMI het gerust over 11 tot 14 graden. Bij mijn volgende bezoek aan de Nederlandse kust neem ik mee: zuidwester, kaplaarzen, wollen vest en waterdichte jas.
Gelukkig brak gisteren aan het eind van de dag de zon door zodat ik op de fiets naar het dorpje kon gaan om er de poëzie-avond in de Eerste Bergensche boekhandel bij te wonen. Er waren maar liefst drie dichters en een singer-songwriter die hun werk voordroegen en de winkel stond vol belangstellenden. Tsead Bruinja had naast uitstekende gedichten ook zijn Fries om de mensen mee te verleiden en Leine gebruikte natuurlijk haar stem en de gitaar – met succes, kan ik wel zeggen. Pim te Bokkel en Hélène Gelèns hadden enkel woorden en blikken om het publiek te bekoren, maar die doseerden ze beiden zo beheerst, dat de spanning en aandacht nooit verslapten.
‘Het is de stilte en het zwijgen,’ verklapte Pim mij later. ‘Mensen luisteren beter wanneer je niets zegt.’ Ik nam het ter harte; de volgende keer dat ik voordraag, zal ik een kort fragment kiezen en het traag en met grote gaten voorlezen. Met prachtige woorden gevuld, zette ik weer koers naar het huisje aan de Nesdijk.

Intermezzo (Tilburg)

Moeten we religies bestuderen om te begrijpen wie we zijn of wie we denken wie we zijn? Moet de politiek beter naar de wetenschap luisteren alvorens beslissingen te nemen of heeft de wetenschap te sterk haar eigen agenda? Zes op de tien Nederlanders vinden bezuinigingen op cultuur geen enkel probleem – hebben zij ongelijk?
Over deze en andere onderwerpen gingen gisteren drie knappe koppen op mijn alma mater met elkaar in debat; een theoloog, een wetenschapsfilosoof en een literatuurwetenschapper. Als een van de twee aanwezige alumni vertegenwoordigde ik de praktijk, al werd er uiteraard weinig over het schrijven van romans gesproken. Wel hadden we het over ethiek – waar haal je morele richtlijnen vandaan nu God voor velen in de samenleving dood is? (Het onderwerp van mijn eerste roman ‘De onfeilbare’)
Het zaaltje zat bomvol met bachelor studenten die overwogen een master cultuurwetenschappen te gaan volgen en ik was positief verrast door hun aandacht en kritische vragen. Deze generatie leek niet verlegen te zijn en gaat studeren vanuit oprechte interesse.
Uiteraard werd het debat besloten met enkele conclusies; zoals dat zowel de politiek als de wetenschap meer zouden moeten doen om samen te werken. Maar de vraag wat het verschil was tussen hoge en lage kunst, tussen literatuur en vermaak werd niet beantwoord – niemand durfde zijn handen aan een definitie te branden. Dat cultuur desalniettemin gesubsidieerd moest worden, daar waren we het denk ik wel allemaal over eens, maar goed, wij zaten daar dan ook in naam van die cultuur en diens wetenschap. Na een glas rosé of bier waren de plannen van Wilders gelukkig op slag weer vergeten.

Roland Holst Huis – Bergen (20)

Ik vraag het me wel eens af:  zijn alle schrijvers bij vlagen obsessief? Ik zie mezelf als een logische denker, rationeel zonder veel bijgeloof , maar oh wat ben ik gevoelig voor symboliek. Zojuist zag ik dat deel 1 van mijn boek 10.006 woorden behelst – zou iemand het verlangen er zes woorden van te schrappen kunnen weerstaan? Het enige wat me ervan weerhoudt is de wetenschap dat er nog een redactieronde komt.

Roland Holst Huis – Bergen (19)

Goed, ik geef het toe, het is meer dan een piepende deur. Dit huis in harde wind is minder fijn. Na alle welwillende berichten over Bergen ga ik me dan eindelijk een beetje beklagen, want wie te positief is, wordt zelden geloofd.
’s Middags is het nog romantisch, die harde wind die de rozenstruiken tot over het pad buigt en het riet aan de overkant laat dansen. Zodra het donker is, wordt het luguber, want ik ben hier wel alleen en afgelegen. Doorgaans vertrouw ik op mijn gehoor – als er nu iemand rond het huis sluipt of  aan de deur rammelt, zou ik er niets van merken.  Daar komt nog bij dat er aan vier kanten ramen zijn, wat overdag inderdaad een grote plus is, maar ’s avonds voel ik de vensters trillen en verwacht ik dat er ieder moment, gelijk een spookverhaal, een zware tak door de ruit komt slaan. (Het nieuwsbericht dat de Anne Frank boom is omgewaaid wakkerde die verwachting nog aan). Wat zou ik doen als de wind er met mijn rieten dak vandoor ging?
Dus ik lag wat te woelen en te draaien in bed vannacht, totdat ik, wat ik nooit doe, opstond en een fles wijn mee naar boven nam. Drinken om mezelf te kalmeren; dit huis in de wind maakt nog een alcoholist van me.

Roland Holst Huis – Bergen (18)

Vandaag heb ik last van een piepende deur. Of ik moet zeggen: was het maar een piepende deur. Het geluid schrikt mij iedere paar minuten op en het klinkt alsof er een deur op een kier staat waar de wind mee speelt. Maar er staat geen deur op een kier. De gangkast: gesloten. De toiletdeur: dicht. De deur naar de huiskamer: met een stoel gebarricadeerd. Wat maakt dan toch dat piepende geluid?
Ben jij het misschien, Jany? Ben je je jaloers dat ik al dagen in Oogststeen van Hester Knibbe aan het lezen ben en jouw gedichten  heb geparkeerd? Wil je me eraan herinneren dat ik in jouw huis logeer? Goed, ik beloof je dat ik je vanavond weer mee naar bed neem.
In Parijs hebben mijn man en ik Oscar in huis. Zo noemen we het geluid dat klinkt alsof er boven iemand over het parket loopt. Het geluid is aan zijn naam gekomen omdat ik eens in een biografie las dat Oscar Wilde oorspronkelijk op het cimetière van Bagneux was begraven (zijn botten zijn daarna verhuisd naar Père Lachaise) en ik wist dat ons atelier op een oude begraafplaats is gebouwd en aan een straat ligt die vroeger Rue de Bagneux heette.
Oscar en Jany; wat zouden jullie van elkaar gevonden hebben?

P.S. De reacties op mijn stukjes zijn met grote vertraging verschenen – excuses hiervoor – ik moet het account vaker controleren. In ieder geval, bedankt voor jullie woorden!

Roland Holst Huis – Bergen (17)

Zestien dagen was ik honkvast en verliet ik de Nesdijk alleen voor de Schoorlse Duinen en Bergen aan Zee Noord. Gisteren nam ik de trein naar Amsterdam met de intentie een dag in de bibliotheek te werken en naslagwerken te doorpluizen die in Parijs niet te vinden zijn. Bij aankomst op het Centraal Station heb ik die intentie meteen laten varen: een zonnig Sail nodigde mij uit. En dus sloot ik mij aan bij een stroom mensen die langs het IJ voetje voor voetje naar de haven schoof.
Het duurde een uur voordat ik de eerste schepen kon bewonderen, maar het was de moeite van de langzame wandeling waard. Zeker ook omdat ik al heel lang geen massamanifestatie meer heb bijgewoond en mijn roman toch enigszins over de toeristenindustrie gaat.
Wat doet men op zo’n dag behalve schepen bekijken? Slenteren natuurlijk en zich verbazen over de hoeveelheid sloepen, vletten, zeilbootjes en andere drijvende voertuigen die soms net wel en soms net niet met elkaar in botsing geraken. Maar ook: Vlaamse frieten eten, roséetjes drinken en blokjes oude kaas snoepen, die door een bekend merk worden aangeboden. Broodjes vette worst (het Hollandste broodje van Nederland!) waren eveneens verkrijgbaar net als raketten en ander beroemd ijs – ik kan beter zeggen: wat was er niet? Zelfs aan een stalletje met nasi goreng was gedacht. De variatie op Sail was duidelijk niet alleen in het aanbod aan schepen te vinden.
Omdat de rij voor het Royal Ship of Oman op het moment dat ik er langs liep zeer kort was, besloot ik aan boord te gaan en te onderzoeken wat al die bezoekers toch op al die tallships te zien kregen. Veel vriendelijk glimlachende matrozen, stuurmannen en schippers blijkbaar  en veel gespannen scheepslijnen en foto’s van het land van herkomst. De Shabab Oman  was een uitstekende ambassadeur.
Terug op de kade werd ik getrakteerd op een parade van de crew van de Amerigo-Vespucci. Trotse mannen in strak gesneden uniformen met (ondanks de hitte) zwarte leren handschoenen aan en krachtige petten op het hoofd. Menig Hollandse huisvrouw keek hen met lust in de ogen na en ik moet toegeven; de billen van deze Italianen waren om in te bijten.
Hongerig geworden nam ik mijn toevlucht tot Panama, de doorgaans hippe tent die vandaag op de route terug naar het station lag. Een koor van dertig grijzende mannen in Bretonse truien stond er oude Hollandsche zeeliederen te zingen en de menukaart was aangepast op het tijdelijke publiek: broodjes kroket en haring waren de toppers.
Bruin verbrand en meer uitgeput dan ik na een middag in de bibliotheek zou zijn geweest, stapte ik in de trein terug naar Alkmaar. Thuis in bed hoorde ik de scheepstoeters nog in mijn oren en ik dacht: morgen maar weer een rustig dagje Bergen.

Roland Holst Huis – Bergen (16)

Na een lange wandeling tussen de geel bebloemde weilanden waarin paarden en veulens graasden en vreemd genoeg ook een enkele struisvogel, sloot ik mij gisterenavond in het kleine kamertje op om dit fragment te schrijven:

“Julia voelde de jaren van zich afglijden. Ineens was ze weer een kind. Zijn kind. Samen dachten ze aan de baby van Julius, aan mogelijke huwelijken, diploma’s, prijzen en andere mijlpalen; alles wat hem voldoening zou moeten geven, brak hem op omdat hij het niet meer zou kunnen meemaken. Het was zijn taak als vader aanwezig te zijn op de momenten waarop hij verwacht werd en hij wist dat hij tekort zou schieten. De scheiding had een deel van zijn vaderschap gestolen en de dood dreigde weg te nemen wat hem nog restte.
– ‘Ik had het zo graag goed gedaan,’ zei hij en slikte, wat niet eenvoudig was in zijn fysieke staat, waarin hij van lever tot slokdarm was aangevreten.
– ‘Maar je hebt het goed gedaan,’ zei Julia. ‘Je doet het goed. Je bent er toch nog?’ Ze pakte het half opgedronken pakje ananassap van zijn nachtkastje en gaf het hem aan. Met natte wangen zoog hij gulzig aan het rietje.”

En ja, toen werd slikken ook voor mij wat moeilijker. Ik ben daarom even in de huiskamer gaan zitten, met de gordijnen open en de lampen uit, in het donker. En ik dacht: misschien moet ik de tafel maar eens voor drie mensen dekken. Een bord voor de dichter, een bord voor mijn vader en een bord voor mij. Ik wist meteen dat ik het niet zou doen, maar de gedachte deed me glimlachen.

Roland Holst Huis – Bergen (15)

Van de  250 pagina’s (dubbele interlinie A4) die mijn manuscript nu telt, heb ik er 176 in dit huis gelezen, geschreven of bewerkt. En ik kan gerustgesteld vermelden: het wordt een roman en geen verzameling losse flodders.
Op het einde is het altijd de kunst om alle hoofdstukken bij elkaar te trekken, de gaten op te vullen en overlappingen te verwijderen. Sommige hoofdstukken zijn een jaar eerder geschreven dan andere en het is voor mij helaas niet mogelijk alle details voortdurend in gedachten te houden. De stijl houd ik meestal wel redelijk stabiel, want de stem van het boek blijft bij me, maar er treden vaak probleempjes op  met betrekking tot de (sub)thema’s: waar breng ik wat ter sprake en hoe.
Bij nalezing kwam ik er bijvoorbeeld achter dat ik maar liefst in drie verschillende hoofdstukken tegen hebzucht fulmineer. Blijkbaar zit die hebzucht me flink dwars, maar voor een roman is het wat veel van het goede. Tenzij mijn hoofdpersonage erdoor geobsedeerd wordt, wat tot nu toe niet het geval is. Dit stukje heb ik dus moeten schrappen:
‘Het is één grote samenzwering. Welvaart brengt de rabiate overtuiging met zich mee dat we van alles nodig hebben en daarom verdienen we nooit genoeg. Hebzucht is een ziekte. Een ziekte die ons aanzet tot harder werken, omdat we denken daarmee onze vrijheid te kunnen kopen, maar we vergissen ons. Het is een obsessie, een oncontroleerbare behoeftenspiraal. Bezittende slaven zijn we geworden!’

P.S. Het nieuwe boek van Ton Lemaire ‘De val van Prometheus – de keerzijde van de vooruitgang‘ ligt onopengeslagen naast me – zal het mijn obsessie voor het thema hebzucht aanwakkeren?

Roland Holst Huis – Bergen (14)

Twee dagen geleden stond er een cameraman producent-regisseur voor mijn deur. Hij was gekomen om de burgemeester van Bergen te filmen in het huis van Roland Holst. Ze hadden hem ervan op de hoogte gesteld dat ik van niets wist. Het was een ochtendlijk en spontaan besluit geweest. Komt u maar binnen dan, zei de schrijfster met haar ongekamde haren.
Het huis, mijn huis, door de ogen van een vreemde. Aan de waslijn hing mijn ondergoed. Op de tafel de restanten van mijn ontbijt. Op de vloer prijkte mijn yogamat en ja hoor, er lag ook nog ergens een vies zakdoekje in de hoek. Wat een intimiteit.
Het enigszins hoge Ikea-gehalte van het interieur schrok de cameraman producent-regisseur af – het is hier wel veranderd – en hij besloot de burgermeester in de tuin te filmen. Wat een geluk dat de rozen een paar dagen geleden nog gesnoeid waren, zodat het naambordje weer zichtbaar was.
Ik sloot mij op in het kleine kamertje boven waar ik een hoofdstuk herschreef over een dochter die probeert te achterhalen of de muur van bescheidenheid waarachter haar vader schuilgaat hem voor de buitenwereld beschermt of juist gevangen houdt.
Pas toen honger mij de keuken in dreef ontmoette ik de cameraman producent-regisseur weer. De burgemeester was inmiddels al uit mijn tuin vertrokken. Of hij mij ook even mocht filmen, aan het werk? Natuurlijk keek ik meer naar zijn gezicht, dat vriendelijk was, dan naar zijn camera. En ik maakte mijn zinnen niet af – misschien stotterde ik zelfs wel. Mijn leven als televisiebekendheid maakte in ieder geval geen vliegende start. En dat allemaal voor een promotiefilmpje voor het verhalenpaviljoen. (Het betreffende filmpje verschijnt vast binnenkort online)