Roland Holst Huis – Bergen (16)

Na een lange wandeling tussen de geel bebloemde weilanden waarin paarden en veulens graasden en vreemd genoeg ook een enkele struisvogel, sloot ik mij gisterenavond in het kleine kamertje op om dit fragment te schrijven:

“Julia voelde de jaren van zich afglijden. Ineens was ze weer een kind. Zijn kind. Samen dachten ze aan de baby van Julius, aan mogelijke huwelijken, diploma’s, prijzen en andere mijlpalen; alles wat hem voldoening zou moeten geven, brak hem op omdat hij het niet meer zou kunnen meemaken. Het was zijn taak als vader aanwezig te zijn op de momenten waarop hij verwacht werd en hij wist dat hij tekort zou schieten. De scheiding had een deel van zijn vaderschap gestolen en de dood dreigde weg te nemen wat hem nog restte.
- ‘Ik had het zo graag goed gedaan,’ zei hij en slikte, wat niet eenvoudig was in zijn fysieke staat, waarin hij van lever tot slokdarm was aangevreten.
- ‘Maar je hebt het goed gedaan,’ zei Julia. ‘Je doet het goed. Je bent er toch nog?’ Ze pakte het half opgedronken pakje ananassap van zijn nachtkastje en gaf het hem aan. Met natte wangen zoog hij gulzig aan het rietje.”

En ja, toen werd slikken ook voor mij wat moeilijker. Ik ben daarom even in de huiskamer gaan zitten, met de gordijnen open en de lampen uit, in het donker. En ik dacht: misschien moet ik de tafel maar eens voor drie mensen dekken. Een bord voor de dichter, een bord voor mijn vader en een bord voor mij. Ik wist meteen dat ik het niet zou doen, maar de gedachte deed me glimlachen.

Roland Holst Huis – Bergen (15)

Van de  250 pagina’s (dubbele interlinie A4) die mijn manuscript nu telt, heb ik er 176 in dit huis gelezen, geschreven of bewerkt. En ik kan gerustgesteld vermelden: het wordt een roman en geen verzameling losse flodders.
Op het einde is het altijd de kunst om alle hoofdstukken bij elkaar te trekken, de gaten op te vullen en overlappingen te verwijderen. Sommige hoofdstukken zijn een jaar eerder geschreven dan andere en het is voor mij helaas niet mogelijk alle details voortdurend in gedachten te houden. De stijl houd ik meestal wel redelijk stabiel, want de stem van het boek blijft bij me, maar er treden vaak probleempjes op  met betrekking tot de (sub)thema’s: waar breng ik wat ter sprake en hoe.
Bij nalezing kwam ik er bijvoorbeeld achter dat ik maar liefst in drie verschillende hoofdstukken tegen hebzucht fulmineer. Blijkbaar zit die hebzucht me flink dwars, maar voor een roman is het wat veel van het goede. Tenzij mijn hoofdpersonage erdoor geobsedeerd wordt, wat tot nu toe niet het geval is. Dit stukje heb ik dus moeten schrappen:
‘Het is één grote samenzwering. Welvaart brengt de rabiate overtuiging met zich mee dat we van alles nodig hebben en daarom verdienen we nooit genoeg. Hebzucht is een ziekte. Een ziekte die ons aanzet tot harder werken, omdat we denken daarmee onze vrijheid te kunnen kopen, maar we vergissen ons. Het is een obsessie, een oncontroleerbare behoeftenspiraal. Bezittende slaven zijn we geworden!’

P.S. Het nieuwe boek van Ton Lemaire ‘De val van Prometheus – de keerzijde van de vooruitgang‘ ligt onopengeslagen naast me – zal het mijn obsessie voor het thema hebzucht aanwakkeren?

Roland Holst Huis – Bergen (14)

Twee dagen geleden stond er een cameraman producent-regisseur voor mijn deur. Hij was gekomen om de burgemeester van Bergen te filmen in het huis van Roland Holst. Ze hadden hem ervan op de hoogte gesteld dat ik van niets wist. Het was een ochtendlijk en spontaan besluit geweest. Komt u maar binnen dan, zei de schrijfster met haar ongekamde haren.
Het huis, mijn huis, door de ogen van een vreemde. Aan de waslijn hing mijn ondergoed. Op de tafel de restanten van mijn ontbijt. Op de vloer prijkte mijn yogamat en ja hoor, er lag ook nog ergens een vies zakdoekje in de hoek. Wat een intimiteit.
Het enigszins hoge Ikea-gehalte van het interieur schrok de cameraman producent-regisseur af – het is hier wel veranderd – en hij besloot de burgermeester in de tuin te filmen. Wat een geluk dat de rozen een paar dagen geleden nog gesnoeid waren, zodat het naambordje weer zichtbaar was.
Ik sloot mij op in het kleine kamertje boven waar ik een hoofdstuk herschreef over een dochter die probeert te achterhalen of de muur van bescheidenheid waarachter haar vader schuilgaat hem voor de buitenwereld beschermt of juist gevangen houdt.
Pas toen honger mij de keuken in dreef ontmoette ik de cameraman producent-regisseur weer. De burgemeester was inmiddels al uit mijn tuin vertrokken. Of hij mij ook even mocht filmen, aan het werk? Natuurlijk keek ik meer naar zijn gezicht, dat vriendelijk was, dan naar zijn camera. En ik maakte mijn zinnen niet af – misschien stotterde ik zelfs wel. Mijn leven als televisiebekendheid maakte in ieder geval geen vliegende start. En dat allemaal voor een promotiefilmpje voor het verhalenpaviljoen. (Het betreffende filmpje verschijnt vast binnenkort online)

Roland Holst Huis – Bergen (13)

Ach lieve dichter. Veertien dagen onder jouw rieten dak, in jouw tweede huid, met jouw poëzie om me heen – ik leer je kennen. In mijn gedachten heet je allang geen Roland Holst meer. Je werd Adriaan en daarna Jany, want zo noemde iedereen jou.
In de zomer leed je aan depressies en in de winter moest je je huis ontvluchten vanwege bevroren waterleidingen en riolen. En dan je liefdesleven. Het kwelde je, hoe sterk je je tot het vrouwelijke aangetrokken voelde, maar het kwelde je meer wanneer de meisjes je schrijfrust kwamen verstoren. Voor één vrouw maakte je een uitzondering, zij mocht wat langer blijven, maar haar verloor je in de oorlog. Daarna had je alleen nog de herinnering aan haar voetstappen die het pad langs je huis op kwamen. Andere vrouwen probeerden je voor hen te winnen en jij liet je verleiden al bleef je van binnen trouw aan die ene dode geliefde.
Ach lieve dichter, via jou leer ik een nieuwe oude wereld kennen. Weet je hoeveel tijd we op deze aarde met elkaar hebben gedeeld? Drie maanden min tien dagen. Toen jij stierf was ik net geboren.

Roland Holst Huis – Bergen (12)

Zo veel te doen in Bergen en ik doe nergens aan mee. De concerten in de Ruïnekerk, de kunstmarkt, de tentoonstellingen in het Kranenburgh museum – ze gaan aan me voorbij. Een paar jaar geleden nog zou ik me daar schuldig over gevoeld hebben. Wat een onbetamelijke cultuurbarbaar! Wat een minachting voor het dorp dat jou verwelkomt! Inmiddels durf ik mijn roman als reden naar voren te schuiven: ik ben hier om te schrijven. Niet om mijn interesse in kunst te tonen en niet om te integreren. Ik neem alleen de tijd voor wat rust en inspiratie bevordert: op een duin naar de zee staren, met straffe wind door de polder fietsen.
En ik geef mijn aandacht aan het voedsel dat ik eet. Postelein. Aalbessen. Roggebrood. Oude Beemsterkaas. Niet alleen mijn garderobe, ook mijn ingewanden dwing ik te vernederlandsen. Frankrijk ligt niet zo ver weg en toch zie ik die producten daar zelden op de markt. Andersom ben ik hier in Bergen verstoken van witte aubergines en mirabellen. Iedere dag rijden er vrachtwagens met Nederlandse tomaten naar Frankrijk (voor in de goedkope supermarkten) en rijden er evenveel vrachtwagens met Franse tomaten naar Nederland (voor in het luxeschap). Variatie levert het niet op. Maar misschien is dat niet erg, want zo blijft er op culinair gebied altijd iets om naar terug te verlangen.

Roland Holst Huis – Bergen (11)

In de middag rinkelde de huistelefoon en aarzelend nam ik op – het zou hoogstwaarschijnlijk niet voor mij zijn. Aan de lijn was een uiterst beleefde dame die vroeg of meneer Abrahams misschien deze maand in het huisje verbleef. Zij had namelijk gelezen dat hij in Bergen was en wilde hem aanbieden haar atelier te komen bezichtigen.
Ik moest haar teleurstellen; ik verbleef in het huisje en er was geen meneer te bekennen. En nee, ik wist evenmin waar hij dan wel logeerde. De dame was niet uit het veld geslagen. ‘Ik vind hem op een andere manier,’ zei ze zelfverzekerd en we namen afscheid.
Nog geen minuut later las ik een e-mail van mijn moeder waarin ze mij attendeerde op het feit dat een van haar favoriete columnisten in het NRC over Bergen schrijft. De optelsom was snel gemaakt. Ik hoop dat de dame, die wellicht in het voormalige huis van Charley Toorop woont, hem te pakken krijgt – helaas heb ik haar naam en nummer niet genoteerd.

Voor wie interesse heeft, de columns van Frits Abrahams zijn op de pagina’s van het NRC te lezen.

En een tip voor meneer Abrahams zelf – in Bergen aan de Zee Noord ligt een heel aardig terras voor jong en oud, met goede bediening, houten stoelen, lekkere broodjes en uitzicht op zee:  sbnoord.nl

Roland Holst Huis – Bergen (10)

Na drie dagen beneden werken aan het grote bureau voor het raam, zit ik weer boven in het kleine kamertje. De concentratie is er beter. Beneden zijn de auto’s op de Nesdijk niet alleen hoorbaarder, je kunt ze ook via je ooghoeken voorbij zien rijden. Daar komt nog bij dat insekten zo groot als kolibries tegen de ramen opvliegen, dagjesmensen nieuwsgierig staan te koekeloeren en de zon in de tuin me soms net wat te hard roept. Ontelbare keren kijk ik op van mijn scherm. Geef mij dus maar het bovenkamertje van twee bij drie met het kleine zijraam waardoor je uitzicht hebt op niets. Daar blijft mijn hoofd gevuld met boek.

De poëzievangst van vandaag: Ilja Leonard Pfeijffer – In de naam van de hond.
Ik moet bekennen: eerder deze week heb ik een paar bundeltjes van diverse auteurs van de plank gepakt en vrij snel weer teruggezet. De gedichten spraken me niet aan en omdat ik geen poëziecriticus ben die dat oordeel zorgvuldig zou kunnen beargumenteren, laat ik ze hier maar onvermeld. Het was dus even zoeken voordat ik iets vond dat mij motiveerde om verder te lezen.
De paginalange gedichten van Pfeijer in deze bundel wil je hardop lezen of in ieder geval traag genoeg dat je in je hoofd de woorden hoort. Het metrum, het ritme, ze slepen je mee. De gedichten wil je ook zeker meer dan eens lezen en dat bevalt me wel; ze geven zichzelf niet meteen prijs, al lijken ze soms heel eenvoudig. Ik ben me ervan bewust dat de meeste poëzie dit van een lezer vraagt (het langzame en dubbele lezen), maar lang niet alle poëzie krijgt mij zover dat ik het ook daadwerkelijk doe. En dan de heerlijke woordenrijkdom en de neologismen.
‘Zo zag ik jou / onderstierd bezwaand achterhorzeld verguldenregend / en verzengd.’
Ik vind het niet allemaal even mooi (wat waarschijnlijk ook niet de bedoeling is, ‘mooi’) en ook niet allemaal even geslaagd, maar ik geniet er wel van en heb het op mijn bureau gelegd om er af en toe in te lezen. ‘Testosteron in taal’ noemde Hans Goedkoop het blijkens het achterblad – en daar ben ik het wel mee eens.