Roland Holst Huis – Bergen (13)

Ach lieve dichter. Veertien dagen onder jouw rieten dak, in jouw tweede huid, met jouw poëzie om me heen – ik leer je kennen. In mijn gedachten heet je allang geen Roland Holst meer. Je werd Adriaan en daarna Jany, want zo noemde iedereen jou.
In de zomer leed je aan depressies en in de winter moest je je huis ontvluchten vanwege bevroren waterleidingen en riolen. En dan je liefdesleven. Het kwelde je, hoe sterk je je tot het vrouwelijke aangetrokken voelde, maar het kwelde je meer wanneer de meisjes je schrijfrust kwamen verstoren. Voor één vrouw maakte je een uitzondering, zij mocht wat langer blijven, maar haar verloor je in de oorlog. Daarna had je alleen nog de herinnering aan haar voetstappen die het pad langs je huis op kwamen. Andere vrouwen probeerden je voor hen te winnen en jij liet je verleiden al bleef je van binnen trouw aan die ene dode geliefde.
Ach lieve dichter, via jou leer ik een nieuwe oude wereld kennen. Weet je hoeveel tijd we op deze aarde met elkaar hebben gedeeld? Drie maanden min tien dagen. Toen jij stierf was ik net geboren.

Roland Holst Huis – Bergen (12)

Zo veel te doen in Bergen en ik doe nergens aan mee. De concerten in de Ruïnekerk, de kunstmarkt, de tentoonstellingen in het Kranenburgh museum – ze gaan aan me voorbij. Een paar jaar geleden nog zou ik me daar schuldig over gevoeld hebben. Wat een onbetamelijke cultuurbarbaar! Wat een minachting voor het dorp dat jou verwelkomt! Inmiddels durf ik mijn roman als reden naar voren te schuiven: ik ben hier om te schrijven. Niet om mijn interesse in kunst te tonen en niet om te integreren. Ik neem alleen de tijd voor wat rust en inspiratie bevordert: op een duin naar de zee staren, met straffe wind door de polder fietsen.
En ik geef mijn aandacht aan het voedsel dat ik eet. Postelein. Aalbessen. Roggebrood. Oude Beemsterkaas. Niet alleen mijn garderobe, ook mijn ingewanden dwing ik te vernederlandsen. Frankrijk ligt niet zo ver weg en toch zie ik die producten daar zelden op de markt. Andersom ben ik hier in Bergen verstoken van witte aubergines en mirabellen. Iedere dag rijden er vrachtwagens met Nederlandse tomaten naar Frankrijk (voor in de goedkope supermarkten) en rijden er evenveel vrachtwagens met Franse tomaten naar Nederland (voor in het luxeschap). Variatie levert het niet op. Maar misschien is dat niet erg, want zo blijft er op culinair gebied altijd iets om naar terug te verlangen.

Roland Holst Huis – Bergen (11)

In de middag rinkelde de huistelefoon en aarzelend nam ik op – het zou hoogstwaarschijnlijk niet voor mij zijn. Aan de lijn was een uiterst beleefde dame die vroeg of meneer Abrahams misschien deze maand in het huisje verbleef. Zij had namelijk gelezen dat hij in Bergen was en wilde hem aanbieden haar atelier te komen bezichtigen.
Ik moest haar teleurstellen; ik verbleef in het huisje en er was geen meneer te bekennen. En nee, ik wist evenmin waar hij dan wel logeerde. De dame was niet uit het veld geslagen. ‘Ik vind hem op een andere manier,’ zei ze zelfverzekerd en we namen afscheid.
Nog geen minuut later las ik een e-mail van mijn moeder waarin ze mij attendeerde op het feit dat een van haar favoriete columnisten in het NRC over Bergen schrijft. De optelsom was snel gemaakt. Ik hoop dat de dame, die wellicht in het voormalige huis van Charley Toorop woont, hem te pakken krijgt – helaas heb ik haar naam en nummer niet genoteerd.

Voor wie interesse heeft, de columns van Frits Abrahams zijn op de pagina’s van het NRC te lezen.

En een tip voor meneer Abrahams zelf – in Bergen aan de Zee Noord ligt een heel aardig terras voor jong en oud, met goede bediening, houten stoelen, lekkere broodjes en uitzicht op zee:  sbnoord.nl

Roland Holst Huis – Bergen (10)

Na drie dagen beneden werken aan het grote bureau voor het raam, zit ik weer boven in het kleine kamertje. De concentratie is er beter. Beneden zijn de auto’s op de Nesdijk niet alleen hoorbaarder, je kunt ze ook via je ooghoeken voorbij zien rijden. Daar komt nog bij dat insekten zo groot als kolibries tegen de ramen opvliegen, dagjesmensen nieuwsgierig staan te koekeloeren en de zon in de tuin me soms net wat te hard roept. Ontelbare keren kijk ik op van mijn scherm. Geef mij dus maar het bovenkamertje van twee bij drie met het kleine zijraam waardoor je uitzicht hebt op niets. Daar blijft mijn hoofd gevuld met boek.

De poëzievangst van vandaag: Ilja Leonard Pfeijffer – In de naam van de hond.
Ik moet bekennen: eerder deze week heb ik een paar bundeltjes van diverse auteurs van de plank gepakt en vrij snel weer teruggezet. De gedichten spraken me niet aan en omdat ik geen poëziecriticus ben die dat oordeel zorgvuldig zou kunnen beargumenteren, laat ik ze hier maar onvermeld. Het was dus even zoeken voordat ik iets vond dat mij motiveerde om verder te lezen.
De paginalange gedichten van Pfeijer in deze bundel wil je hardop lezen of in ieder geval traag genoeg dat je in je hoofd de woorden hoort. Het metrum, het ritme, ze slepen je mee. De gedichten wil je ook zeker meer dan eens lezen en dat bevalt me wel; ze geven zichzelf niet meteen prijs, al lijken ze soms heel eenvoudig. Ik ben me ervan bewust dat de meeste poëzie dit van een lezer vraagt (het langzame en dubbele lezen), maar lang niet alle poëzie krijgt mij zover dat ik het ook daadwerkelijk doe. En dan de heerlijke woordenrijkdom en de neologismen.
‘Zo zag ik jou / onderstierd bezwaand achterhorzeld verguldenregend / en verzengd.’
Ik vind het niet allemaal even mooi (wat waarschijnlijk ook niet de bedoeling is, ‘mooi’) en ook niet allemaal even geslaagd, maar ik geniet er wel van en heb het op mijn bureau gelegd om er af en toe in te lezen. ‘Testosteron in taal’ noemde Hans Goedkoop het blijkens het achterblad – en daar ben ik het wel mee eens.

Roland Holst Huis – Bergen (9)

Gisteren trof ik na een rondje boodschappen in het dorp de tuinman aan. De regen van de afgelopen weken had voor een excessieve groei gezorgd zodat veel snoeien en maaien noodzakelijk was. Het bordje met de naam ‘A.Roland Holst Huis’ was volledig achter de rozen verdwenen en dat was jammer, want iedere morgen (en vooral op zondag) stopten er nieuwsgierigen voor het hekje aan de weg om een blik in de tuin te werpen. ‘Is dit het huis van de beroemde dichter?’,  stond op hun voorhoofd geschreven. Ja zeker, alleen zat er nu een meisje achter het bureau (‘Misschien zijn kleindochter?’) die afhankelijk van haar humeur naar de dagjesmensen zwaaide of stoïcijns naar het beeldscherm loerde.
De rozen, zo vertelde de tuinman mij, waren uit Engeland gehaald door Didia de Boer, een vriendin en buurvrouw van Roland Holst die na zijn dood in dit huis woonde. Er bloeiden maar liefst zeven verschillende soorten. Toen ik hem bekende dat ik niets van planten en bloemen wist, bood hij aan me een paar namen te leren waar ik dankbaar gebruik van maakte. Eindelijk zou ik de woorden die ik kende (Rhodondendron, Fuchsia) kunnen koppelen aan de planten die ik voor me zag. Maar nee, want de tuinman had alleen (soms uitheemse) planten gekozen waar ik nog nooit van gehoord had en omdat ik zelden een naam kan onthouden tenzij ik het op papier heb zien staan, weet ik niet veel meer dan dat er een afgeleide van perzikkruid staat te bloeien en er ergens een oerphlox groeit.
Bij zijn vertrek knipte hij een geknakte roos van een struik. ‘Hier voor jou, zet maar in een vaasje.’ En dat deed ik.

Roland Holst Huis – Bergen (8)

In dit huis bestaan geen vaste tijden. Ik sta op wanneer ik wakker word, eet als ik honger heb en werk zolang ik me kan concentreren. Een schrijversparadijs. Soms heb ik voor het ontbijt al een hoofdstuk gedaan en soms zijn juist mijn avonduren het meest productief. In Parijs schrijf ik in een ritme dat is gebaseerd op de openingstijden van de bibliotheek en het werkschema van mijn muzikale (lees: lawaaierige) echtgenoot. Hier bepaalt het weer en mijn gemoed wat er gebeurt.
De omstandigheden zijn voor mij nog eens extra bijzonder omdat ik een roman schrijf waarin de omgang met tijd een belangrijk thema is. In het dorp waar mijn hoofdpersonage is geboren en waarin zij na een zevenjarige odyssee terugkeert, trekken de bewoners zich niets van kloktijden aan. ‘Wanneer iets begon of eindigde kon niet van tevoren worden vastgesteld: een concert barstte los wanneer de zaal was gevuld en hield op wanneer de laatste toon was uitgestorven.’
Net als in de Toverberg van Thomas Mann, een boek dat ik een jaar geleden las en dat mij zeer heeft geïnspireerd, is het thema ‘tijd’ in mijn roman verbonden met ervaring en ziekte. Hoe lang duurt een week wanneer je onderweg bent en er voortdurend nieuwe stimuli zijn om je af te leiden? En hoe lang duurt een week wanneer je doelloos de dood afwacht? Mijn ervaring is dat een periode hoe dan ook langer duurt wanneer je niet bijhoudt hoe snel de wijzers gaan.
‘Natuurlijk was niemand zo naïef te denken dat ze de tijd konden stilzetten door hem te veronachtzamen – de tijd liep door of de minuten geteld werden of niet – maar hun uurloze bestaan gaf hen de vrijheid om op eigen tempo te leven: ze waren nooit te vroeg of te laat.’

P.S. Vanmiddag moet ik helaas wel een schrijf- of duinmoment inleveren voor een bezoek aan een kledingwinkel. Aangekomen met de zon van Ibiza op mijn huid en een koffer vol zomerjurken, ben ik gedwongen elke dag dezelfde spijkerbroek en trui aan te trekken – mijn garderobe moet vernederlandst worden, of misschien wel verkust, want de wind hier tussen de duinen is zelfs met een zonnetje erbij nog koud.

Roland Holst Huis – Bergen (7)

Iedere dag dat het niet regent, en dat is helaas niet zo vaak als ik zou willen, spring ik op de fiets en koop ik mijn groenten bij de boerderijtjes die ik passeer. In versleten boekenkasten liggen kroppen sla en snijbonen klaar en een muntje in het kistje volstaat om af te rekenen.
Eenmaal stond de moestuinier naast zijn oogst te mopperen. Als extraatje had hij in iedere andijvie een ei gelegd en nu constateerde hij dat er klanten waren geweest die een ei of meer hadden gestolen.
‘Dat doet maar,’ zei hij, ‘zijn mensen echt zo?’
Ik antwoordde dat ik het al heel wat vond dat zijn kraampje niet in zijn geheel was leeg gejat.  ‘In de stad werkt dit systeem niet hoor, daar gappen ze meteen uw kistje met euro’s.’
De moestuinier stak zijn vinger in de lucht als waarschuwing dat hij me wat zou laten zien en tilde daarna het kistje van de plank. Belletjes aan een touwtje begonnen te rinkelen. ‘Mijn alarmsysteem,’ zei hij trots.

De poëzievangst van vandaag: Hester Knibbe – Verstoorde Grond.  Met  titels als ‘Na de zondvloed’, ‘Hecht lichaam’, ‘Leeg huis’ en ‘Gaia’, voel ik me in deze bundel meteen thuis. Het zijn gedichten over rouw bij een groot verlies (een moeder neemt afscheid van haar zoon) en ze zijn vermengd met nostalgische herinneringen. Heldere en tegelijk prachtvolle taal. Veel referenties aan mythologie en aan Nederland, met zijn sluizen, uiterwaarden en dijken. Het is zeker niet de enige reden dat ik deze bundel zo mooi vind, maar hij past precies bij de roman die ik aan het schrijven ben, over mijn vader, een Hollands dorp en over een jonge vrouw die mythes wil ontmaskeren. Van deze dichteres lees ik graag meer.

Roland Holst Huis – Bergen (6)

Hoe begin je een roman? Met een eerste hoofdstuk, een slot of een biografie van het hoofdpersonage? In interviews met auteurs ben ik altijd benieuwd naar het antwoord op die vraag. Niet omdat ik geloof in een wonderformule, de vraag wordt juist door iedere schrijver anders beantwoord. Vaak bestaat er zelfs per auteur geen formule. Dat geldt in ieder geval voor mij.
Bij mijn vorige drie romans schreef ik het eerste hoofdstuk in een vroeg stadium. Ik had een helder beeld voor ogen of ik hoorde de vertelstem en moest opschrijven wat me binnenviel. Maar omdat een roman zich altijd ontwikkelt en vaak in richtingen die de schrijver niet heeft voorzien, moest ik dat hoofdstuk daarna herschrijven en herschrijven en herschrijven, totdat het zo ver van me afstond dat ik niet meer kon beoordelen of het nog enige betovering had. En die betovering moest er natuurlijk wel zijn: een schrijver wil dat de lezer het verhaal in getrokken wordt en tijdelijk de realiteit vergeet.
In de winter van 2009 maakte ik de eerste aantekeningen voor mijn vierde roman en nam mezelf één ding voor: het eerste hoofdstuk zou ik uitstellen. Eerst moest het verhaal op poten gezet worden en een staart krijgen. Die kop naaide ik er later wel aan. Maar hoe langer ik het eerste hoofdstuk uitstelde, hoe meer gewicht het kreeg, want ik maakte natuurlijk wel aantekeningen voor dat eerste hoofdstuk. In tweeduizend woorden wilde ik de belangrijkste thema’s introduceren, cruciale karaktertrekjes van mijn hoofdpersonage tonen en met de stijl een belofte maken voor de rest van het boek.
Uiteindelijk heb ik zo’n tachtig procent van de roman geschreven voordat ik mijn handen aan dat eerste hoofdstuk durfde te branden. In Bergen vond ik eindelijk de rust en het vertrouwen om eraan te beginnen en met opluchting kan ik nu vermelden dat na  enkele dagen in het kleine kamertje van Adriaan Roland Holst het eerste hoofdstuk is geschreven!

Roland Holst Huis – Bergen (5)

Een zonnige dag. Een fietspad. Een kudde grazende runderen, die volgens ingewijden wisenten heten. Er was niets te horen, behalve de zee die in de verte op het strand rolde en de horizon was leeg. Zo ver als ik kon kijken: schapenwolken, helmgras, zand. Ik was een middag in de duinen en sliep vannacht zo diep als de Hollandse polder.
Opgegroeid in een nieuwbouwwijk en daarna van stad naar stad verhuisd, ben ik slecht bekend met de natuur. Tuinen hadden de huizen wel waarin ik woonde, maar een passie voor tuinieren ontbrak. En in de zomer kampeerden we nooit – wij waren een familie van zeilen en wind.
In dit huis aan de Nesdijk is de natuur alom aanwezig. Op de muur tegenover me staat een citaat van Roland Holst ‘Sommige mensen verdwijnen in het niet, ik in het riet.’ Erboven hangt een foto van zijn overwoekerde woning.
Tijdens een middagwandeling hier in de buurt zie ik talloze vogels waarvan ik er slechts een paar kan benoemen. Reigers, kraaien, merels. Maar verder? Ik zag een prachtige roofvogel – was het een valk of een havik? En hoeveel meeuwachtigen bestaan er wel niet? Ook als ik ’s morgens naar de bloemen in de tuin kijk, constateer ik met verbazing hoeveel soorten bijen en hommels er bestaan. Mensen met een spinnenfobie kunnen beter niet naar Bergen afreizen.
De natuur. De duinen. De polder. Het is waarvoor ik gekomen ben. De roman waaraan ik werk is in Nederland gesitueerd en na tien jaar Parijs werd het tijd me onder te dompelen in waar ik vandaan kom en wat ik nu eindelijk leer kennen.

De poëzievangst van vandaag: Fleur Bourgonje – Vrije Val. Van de plank gekozen omdat we een titel delen (Salto Mortale). Het eerste deel waarnaar de bundel is vernoemd gaat over een liefdesrelatie die opstijgt, springt, neerkomt, gebeurt en verder gaat. Vooral het gezamenlijk vallen vond ik sterk verbeeld en toch was er geen enkele zin die ik wilde citeren. Haar gedichten leunen meer op hun overkoepelende betekenis dan op sterke individuele frasen.

Roland Holst Huis – Bergen (4)

Het hoeft niemand te verbazen dat er veel boeken in dit huis aanwezig zijn. De volledige werken van Adriaan Roland Holst natuurlijk, maar ook Franse pockets en Engelse hardbacks, uit de collectie van de dichter neem ik aan. Daarnaast is er een keur aan Nederlandse literatuur, waaronder veel dichtbundels die deels in dit huis zijn geschreven. Omdat ik doorgaans weinig poëzie lees, heb ik mezelf voorgenomen iedere dag een bundel open te slaan.

Vanmorgen las ik in Een winter aan zee van Adriaan Roland Holst, achtregelige verzen met referenties aan dag en nacht, hart en ziel, Troje en natuurlijk de wolken en de zee. Ik durf niet te beweren dat ik de gedichten doorgrond – wellicht gaat er veel symboliek aan me voorbij – maar ik geniet van zijn woordkeus en frasen, zoals:

‘Geen onderwolkse klokken / luiden meer nu de wacht / door doden wordt betrokken.’

En:
‘leeg winterlicht doorschittert / de blik der eenzamen.’

Of eenvoudiger, maar zo geestig:
‘Eenzelvige uren lang / volgde ik oude duinpaden / in lang niet meer in zwang / zijnde gedachten.’

Vanmiddag ga ik zelf de duinen in!