Zomerherinneringen (1)

Wat je kunt vangen, mag je opeten. Met die boodschap overhandigde mijn vader me een netje en een emmer, al wist hij heel goed dat ik van garnalen griezelde. Misschien had ik ze toen al best lekker gevonden als ik ze geproefd had, maar wat je levend afstoot wil je ook dood niet in je mond.
Daar stond ik dan in het kniehoge water van de Grevelingen met het netje in mijn handen en de emmer op de steiger. Mijn broer had al een portie gevangen. Voor mij bleven de beestjes te snel, totdat ik leerde juist heel stil te staan en de garnalen mijn netje in te praten.
’s Avonds op de barbecue roosterde mijn vader onze buit. De trots die dat gaf, hem te zien genieten van iets dat wij hadden opgevist! Wat wij konden vangen, mocht hij opeten.