Tijdloos

Tien jaar geleden, toen ik van Parijs niet meer gezien had dan Place du Tertre en Le Tour Eiffel, was ik zo brutaal me in te schrijven voor een semester aan de Sorbonne. Wie filosofie studeerde, moest in het land van de Verlichting zijn, vond ik. Na mijn examens over Descartes en Rousseau zou ik met een opgepoetste ratio weer vertrekken. Ik had er geen rekening mee gehouden dat Parijs voor sommigen een Hotel California is: You can check out anytime you like, but you can never leave.
Parijs nam bezit van me en steeds opnieuw verlengde ik mijn verblijf. Er waren hindernissen in de vorm van woningnood, student-onvriendelijke prijzen en een Kafkaëske bureaucratie, maar de stad had mij betoverd en weerloos voegde ik me naar mijn nieuwe habitat. De plannen die ik voor de toekomst had gemaakt en waarin ik een proefschrift zou schrijven en naar Afrika zou reizen werden uitgesteld en uiteindelijk vergeten. Mijn leven was hier en ik leefde het alsof ik dat altijd al had geweten.
Soms herken je een verhaal dat je nog nooit hebt gehoord, staar je in het vertrouwde gezicht van een iemand die je nog nooit hebt ontmoet of voel je heimwee naar een plaats waar je nog nooit bent geweest. Déjà-vu noemen sommigen dat en er zijn talloze wetenschappers en denkers die er hun tanden op hebben stuk gebeten. Parijs was voor mij een déjà-vu dat niet meer ophield, alsof ik alles wat ik in die stad deed al eens eerder had gedaan. Of in ieder geval, alsof ik in de voetsporen van anderen trad.
In de nieuwbouwwijk waarin ik ben opgegroeid, en daarna in de arbeidersstad die ik niet begreep, vulde ik mijn agenda van morgen tot avond met vergaderingen, hobbycursussen, sportafspraken, culturele activiteiten en etentjes. Pas achteraf begreep ik dat het een poging was de leegte te vullen en mijn bestaan betekenis te geven. Want blijkbaar was bestaan alleen niet genoeg – ik voelde mij nergens mee verbonden.
Dankzij de werken van Mircea Eliade heb ik vermoeden gekregen waardoor dat komt. Voor de moderne mens lijkt de tijd een rechte lijn, van geboorte en groei, naar veroudering en dood. Voor de aarde is de tijd een cirkel, van dag naar nacht, van seizoen tot seizoen, een eeuwigdurende kringloop. Het is deze tegenstelling die volgens Eliade voor vervreemding kan zorgen. De primitieve mens leefde in het ritme van de natuur en had geen oog voor geschiedenis – hij vierde het nieuwe jaar om het oude weg te wassen. De moderne mens ontleent zijn betekenis aan het verleden en viert het nieuwe jaar om de toekomst te verwelkomen. Een toekomst die zonder plannen angstaanjagend leeg kan zijn.
Zodra ik me in Parijs had genesteld, voelde ik me opgenomen in een traditie die het overbodig maakte mijn leven vol te proppen, want mijn toekomst lag hemelsbreed niet zo ver af van het verleden van deze stad. Mensen hadden hier al tientallen eeuwen geleefd en mijn leven verschilde niet wezenlijk van dat van hen. Parijs was tijdloos, antiek, klassiek en modern tegelijk, maar ook: zich herhalend. De geschiedenis toonde, dat wat was geweest, kon terugkeren, en weer verdween. Parijs was in andere woorden niets nieuws onder de zon en juist daarom voelde ik me er thuis.
Resultaat was dat de concrete tijd me ontglipte en Parijs zelf soms naar de achtergrond verdween. De stad weerkaatste mijn leven, en de statige boulevards met hun prachtige gevels bleven onopgemerkt. Wanneer ik schreef, zweeg Parijs. Alleen als ik bezoek had of op een toevallige zondag een lange wandeling maakte, drong de schoonheid van de stad weer tot me door. En zo kwam het dat één kort semester ongemerkt tien jaar werd.
In het verleden zijn het onze herinneringen die de duur aangeven. In de toekomst zijn het onze verwachtingen. Maar in het heden is het onze aandacht die bepaalt hoe lang iets duurt. Parijs is voor mij een magistrale en tegelijk vanzelfsprekende dag waar geen einde aan komt.