Sm (3) – de eerste correctieronde

Afgelopen week werd mijn brievenbus verzwaard met een dik pak papier: de eindredactie had Salto mortale gelezen en gaf mij een manuscript vol suggesties ter verbetering. Het Nederlands heeft regels en richtlijnen voor spelling en grammatica, maar een waterdicht systeem is het niet. Vooral het gebruik van gedachtenstreepjes, komma’s en witregels is een kwestie van stijl en smaak. Wanneer is een zin onbegrijpelijk en moet je een komma invoegen? Wanneer hoort een gedachte nog bij de vorige zin en wanneer is zij onafhankelijk?
De visie van een taalexpert op mijn werk is zowel frustrerend als verhelderend. Frustrerend, omdat ik vaak heel lang heb nagedacht over de structuur van een zin of paragraaf en ik mijn definitieve beslissing allang heb genomen. Het is wellicht niet logisch, maar soms gaat klank boven betekenis, onhandigheid boven eenvoud, herhaling boven afwisseling. En soms juist niet. Dat is nauwelijks uit te leggen – zo voel ik het nu eenmaal.
Toch is het ook verhelderend, want de visie van een ander dwingt mij om over alles nog eens na te denken. Mijn witregels zijn altijd functioneel en nooit toevallig, maar haakjes en gedachtenstreepjes hussel ik nog wel eens door elkaar en ook met komma’s speel ik nog niet als een ervaren jongleur. Ik heb de logische consequentie van een ander nodig om dat te zien en om alle leestekens nog eens op de onderzoekstafel te leggen. Laat ik het zo zeggen: iedere correctieronde levert een betere tekst op, én een scherpere auteur.