Intermezzo (Tilburg)

Moeten we religies bestuderen om te begrijpen wie we zijn of wie we denken wie we zijn? Moet de politiek beter naar de wetenschap luisteren alvorens beslissingen te nemen of heeft de wetenschap te sterk haar eigen agenda? Zes op de tien Nederlanders vinden bezuinigingen op cultuur geen enkel probleem – hebben zij ongelijk?
Over deze en andere onderwerpen gingen gisteren drie knappe koppen op mijn alma mater met elkaar in debat; een theoloog, een wetenschapsfilosoof en een literatuurwetenschapper. Als een van de twee aanwezige alumni vertegenwoordigde ik de praktijk, al werd er uiteraard weinig over het schrijven van romans gesproken. Wel hadden we het over ethiek – waar haal je morele richtlijnen vandaan nu God voor velen in de samenleving dood is? (Het onderwerp van mijn eerste roman ‘De onfeilbare’)
Het zaaltje zat bomvol met bachelor studenten die overwogen een master cultuurwetenschappen te gaan volgen en ik was positief verrast door hun aandacht en kritische vragen. Deze generatie leek niet verlegen te zijn en gaat studeren vanuit oprechte interesse.
Uiteraard werd het debat besloten met enkele conclusies; zoals dat zowel de politiek als de wetenschap meer zouden moeten doen om samen te werken. Maar de vraag wat het verschil was tussen hoge en lage kunst, tussen literatuur en vermaak werd niet beantwoord – niemand durfde zijn handen aan een definitie te branden. Dat cultuur desalniettemin gesubsidieerd moest worden, daar waren we het denk ik wel allemaal over eens, maar goed, wij zaten daar dan ook in naam van die cultuur en diens wetenschap. Na een glas rosé of bier waren de plannen van Wilders gelukkig op slag weer vergeten.