Roland Holst Huis – Bergen (17)

Zestien dagen was ik honkvast en verliet ik de Nesdijk alleen voor de Schoorlse Duinen en Bergen aan Zee Noord. Gisteren nam ik de trein naar Amsterdam met de intentie een dag in de bibliotheek te werken en naslagwerken te doorpluizen die in Parijs niet te vinden zijn. Bij aankomst op het Centraal Station heb ik die intentie meteen laten varen: een zonnig Sail nodigde mij uit. En dus sloot ik mij aan bij een stroom mensen die langs het IJ voetje voor voetje naar de haven schoof.
Het duurde een uur voordat ik de eerste schepen kon bewonderen, maar het was de moeite van de langzame wandeling waard. Zeker ook omdat ik al heel lang geen massamanifestatie meer heb bijgewoond en mijn roman toch enigszins over de toeristenindustrie gaat.
Wat doet men op zo’n dag behalve schepen bekijken? Slenteren natuurlijk en zich verbazen over de hoeveelheid sloepen, vletten, zeilbootjes en andere drijvende voertuigen die soms net wel en soms net niet met elkaar in botsing geraken. Maar ook: Vlaamse frieten eten, roséetjes drinken en blokjes oude kaas snoepen, die door een bekend merk worden aangeboden. Broodjes vette worst (het Hollandste broodje van Nederland!) waren eveneens verkrijgbaar net als raketten en ander beroemd ijs – ik kan beter zeggen: wat was er niet? Zelfs aan een stalletje met nasi goreng was gedacht. De variatie op Sail was duidelijk niet alleen in het aanbod aan schepen te vinden.
Omdat de rij voor het Royal Ship of Oman op het moment dat ik er langs liep zeer kort was, besloot ik aan boord te gaan en te onderzoeken wat al die bezoekers toch op al die tallships te zien kregen. Veel vriendelijk glimlachende matrozen, stuurmannen en schippers blijkbaar  en veel gespannen scheepslijnen en foto’s van het land van herkomst. De Shabab Oman  was een uitstekende ambassadeur.
Terug op de kade werd ik getrakteerd op een parade van de crew van de Amerigo-Vespucci. Trotse mannen in strak gesneden uniformen met (ondanks de hitte) zwarte leren handschoenen aan en krachtige petten op het hoofd. Menig Hollandse huisvrouw keek hen met lust in de ogen na en ik moet toegeven; de billen van deze Italianen waren om in te bijten.
Hongerig geworden nam ik mijn toevlucht tot Panama, de doorgaans hippe tent die vandaag op de route terug naar het station lag. Een koor van dertig grijzende mannen in Bretonse truien stond er oude Hollandsche zeeliederen te zingen en de menukaart was aangepast op het tijdelijke publiek: broodjes kroket en haring waren de toppers.
Bruin verbrand en meer uitgeput dan ik na een middag in de bibliotheek zou zijn geweest, stapte ik in de trein terug naar Alkmaar. Thuis in bed hoorde ik de scheepstoeters nog in mijn oren en ik dacht: morgen maar weer een rustig dagje Bergen.