Roland Holst Huis – Bergen (16)

Na een lange wandeling tussen de geel bebloemde weilanden waarin paarden en veulens graasden en vreemd genoeg ook een enkele struisvogel, sloot ik mij gisterenavond in het kleine kamertje op om dit fragment te schrijven:

“Julia voelde de jaren van zich afglijden. Ineens was ze weer een kind. Zijn kind. Samen dachten ze aan de baby van Julius, aan mogelijke huwelijken, diploma’s, prijzen en andere mijlpalen; alles wat hem voldoening zou moeten geven, brak hem op omdat hij het niet meer zou kunnen meemaken. Het was zijn taak als vader aanwezig te zijn op de momenten waarop hij verwacht werd en hij wist dat hij tekort zou schieten. De scheiding had een deel van zijn vaderschap gestolen en de dood dreigde weg te nemen wat hem nog restte.
– ‘Ik had het zo graag goed gedaan,’ zei hij en slikte, wat niet eenvoudig was in zijn fysieke staat, waarin hij van lever tot slokdarm was aangevreten.
– ‘Maar je hebt het goed gedaan,’ zei Julia. ‘Je doet het goed. Je bent er toch nog?’ Ze pakte het half opgedronken pakje ananassap van zijn nachtkastje en gaf het hem aan. Met natte wangen zoog hij gulzig aan het rietje.”

En ja, toen werd slikken ook voor mij wat moeilijker. Ik ben daarom even in de huiskamer gaan zitten, met de gordijnen open en de lampen uit, in het donker. En ik dacht: misschien moet ik de tafel maar eens voor drie mensen dekken. Een bord voor de dichter, een bord voor mijn vader en een bord voor mij. Ik wist meteen dat ik het niet zou doen, maar de gedachte deed me glimlachen.