Overmoed

Bij het station Bijlmer stapten vijf vrouwelijke dertigers de trein in en namen in de buurt van mij plaats. Het waren Limburgers. De zachtbruine tint van hun huid, de hoge bolle jukbeenderen, de vriendelijke naïviteit waarmee ze de wereld inkeken en waarmee ze zich hadden aangekleed – dat alles had hen verraden. De eerste seconden twijfelde ik nog, maar zodra ze begonnen te kletsen, werd mijn vermoeden bevestigd: deze vrouwen kwamen uit de Zuidelijke contreien van ons kikkerland.

Mooi waren ze niet. Ze lurkten aan flesjes sinas, hadden zilveren glitters op hun ogen en droegen identieke lichtgevende kettingen om hun nek. Maar de sfeer van de avond – ik vermoed een vrijgezellenfeestje – straalde op hen af, wat ze een zekere aantrekkingskracht gaf.

Niet voor mij overigens en evenmin voor de twee korpsballen die met mij in de coupé zaten, maar schijnbaar wel voor de mannen in de Bijlmer en vast ook wel voor de mannen in het café in de Jordaan waar ze nu naar op weg waren.

Hun onverwachte populariteit bij de mannen had hen overmoedig gemaakt. Grote verhalen en breedlachende monden. Ze hadden er zin in, in deze wilde nacht, die nog lang niet voorbij was en die ‘alléhop!’ eigenlijk nog moest beginnen. Ze zouden Amsterdam onveilig gaan maken, ze zouden de meiden van de Randstad een poepie laten ruiken.

Even leek het erop dat ze hardop hun lijflied zouden gaan zingen, maar de afkeurende blikken van de andere passagiers, riep hen al na twee noten tot de orde. Dan maar de verveling verdrijven door op het toilet make-up bij te werken. Twee van de vijf stonden op en liepen naar het halletje achter mij, waar vandaan al snel boze stemmen opklonken en een hoge gil te horen was. De drie achterblijvers rekten hun nekken om te zien wat er aan de hand was. Niemand stond op om een kijkje te nemen.

Bedeesd kwamen de twee feestgangers terug in de coupé. Iemand had hen de toegang tot de wc versperd. Iemand had hard op de wand geslagen en zijn gouden tand ontbloot. Iemand had bloed gezien en misschien wel een mes. Iemand vond het ineens niet meer zo’n goed idee om ’s nachts door Amsterdam te dwalen. Iemand meende dat er overal gekken rondliepen.

De Limburgers staarden een minuut stil voor zich uit en redeneerden toen als volgt: ze hadden al vanaf vanmiddag vier uur gefeest. Ze waren eigenlijk wel moe. En morgen wilden ze nog naar het Waterlooplein. Ze konden het beste een taxi naar het hotel nemen en gaan slapen.

De vrouwen knikten elkaar eensgezind toe, deden hun lichtgevende kettingen af en hesen hun topjes op, zodat de decolletés verdwenen.

Het was het droevige einde van een wilde, wilde nacht.