Boekpresentatie Eeuwige Kermis

De presentatie van Eeuwige Kermis vond plaats op 7 oktober 2011 bij Boekhandel v/h Van Gennep in Rotterdam. Ik droeg onderstaande tekst voor.

Ieder boek heeft een eigen ontstaansgeschiedenis. Soms begint die met een krantenartikel. Soms met een filosofische vraag. Soms met een zin of een personage. Maar veruit de meeste boeken vinden hun oorsprong in een persoonlijke ervaring van de auteur, ook als er geen sprake is van een autobiografie.

Eeuwige kermis begon in januari 2000. Ik woonde in die tijd voor mijn studie in Parijs en ontving per telefoon het bericht dat ik al maanden vreesde: het ging niet goed met mijn vader en ik moest snel naar huis komen. Drie dagen vóór dat bericht had ik een man ontmoet die inmiddels al drie jaar mijn echtgenoot is. Het was liefde op het eerste gezicht.

Wanneer je op een ervaring terugkijkt, met de kennis van nu, is het verleidelijk die kennis te gebruiken om de betekenis van die ervaring in het verleden te duiden. Wanneer ik dus zeg dat het liefde op het eerste gezicht was, begeef ik mij op glad ijs, want als onze relatie op niets was uitgelopen en we elkaar na die eerste paar dagen nooit meer hadden gezien, zou ik het geen liefde hebben genoemd. Maar omdat we elkaar zijn blijven zien en van elkaar zijn gaan houden, kijk ik er nu zo op terug: liefde op het eerste gezicht.

Gelukkig hebben schrijvers externe hulpmiddelen in de vorm van notitieboekjes en dagboeken. Ik kan mijn ervaringen romantiseren en oppoetsen, maar wat ik op dat moment in het verleden werkelijk dacht en voelde, staat op papier.

Op het Gare du Nord waar ik na dat gevreesde telefoontje de trein naar Nederland nam, kocht ik een notitieboekje, dat speciaal bedoeld was om aantekeningen over mijn vader te maken. Mijn dagboek, dat uiteraard vol stond met navelgestaar, had ik bewust in Parijs laten liggen. Mijn gedachten over mijn vader mochten niet vermengd raken met andere onderwerpen. En al helemaal niet met de tumultueuze ontwikkelingen in mijn buik.

In de trein schreef ik weinig. Ik wilde niet fatalistisch zijn en durfde daarom niet op te schrijven wat ik dacht. Wat ik dacht was: dit wordt een logboek van mijn vaders laatste dagen. Eenmaal thuis schreef ik ook niet veel. Ik wilde iets moois schrijven, iets met gewicht, maar mijn woorden leken te banaal. Het lukte niet accuraat te beschrijven wat er gebeurde, laat staan wat ik voelde. De betekenissen die in die tijd aan alledaagse woorden als ‘arm’ en ‘sinaasappelsap’ kleefden, bleven onzichtbaar op het papier.

Pas maanden later vond ik mijn weg terug naar de woorden, al bleef ik ook toen gefrustreerd. Want steeds wanneer ik over mijn vader wilde schrijven en dan met name over zijn laatste dagen, fietste er een andere emotie tussendoor: de emotie van vrolijke opwinding die bij een nieuwe liefde hoort. Ik schaamde mij dat ik aan mijn vaders sterfbed aan die man in Parijs was blijven denken.

Om aan de ongewenste vermenging van die twee gebeurtenissen en twee emoties te ontkomen, schreef ik in twee verschillende schriften: een voor mijn herinneringen aan mijn vader en een voor mijn overpeinzingen over een zich ontwikkelende liefde. Maar opnieuw lukte het me niet de emoties te scheiden. De feiten kon ik nog wel opsommen, maar zodra ik me waagde aan mijn reactie daarop, ging het mis.

Pas na de publicatie van mijn eerste roman, in 2005, begon ik serieus na te denken over de mogelijkheid een roman te schrijven over de dood van mijn vader. Misschien kon een roman me het kader geven dat ik nodig had. Ik verzon een personage dat naar huis kwam om afscheid te nemen van haar vader, maar ze kwam niet tot leven. Haar handelingen en gedachten bleven oppervlakkig, of erger nog: deden vals aan.  Door de gevoelsparadox, zoals ik de vermenging van mijn emoties was gaan noemen, uit te sluiten, schreef ik een roman  die mij niet raakte  –  en als hij mij niet raakte, zou hij later evenmin de lezer kunnen raken.

Langzaam drong het tot me door: ik had niet meegemaakt wat het was om je vader te verliezen. Ik had meegemaakt wat het was je vader te verliezen op het moment dat je hart zich voor een ander opent. En daar moest ik dus over schrijven. Over het samengaan van die twee gebeurtenissen en de ogenschijnlijk conflicterende, maar in werkelijkheid harmonieuze emoties die daarmee gepaard gingen.

Een fragment uit Eeuwige kermis:

Julia stond in de deuropening van de kajuit. Op de rand van het bed zat Julius, zijn hand op het laken dicht bij zijn vaders arm. Zijn rug was gekromd, voorovergebogen en hij hield zijn hoofd een beetje scheef. De stervende had zijn ogen gesloten – de medelijdende blik van zijn oudste zoon bleef hem bespaard. Zodra Julius haar zag, wenkte hij haar.
‘Ben je klaar?’ fluisterde ze. ‘Ik wil je niet wegjagen.’
‘Ik ben klaar’, fluisterde Julius en hij stond van het bed op.
‘Blijf nog even’, zei Julia. ‘Hij slaapt nu toch.’ Voorzichtig ging ze op haar rug op het bed liggen, rechts van haar vader. Julius ging aan de andere kant liggen, op zijn zij, en keek over hun vader heen naar zijn zus.
Daar lig ik dan, dacht Julia, met de twee belangrijkste mannen in mijn leven. Als Troy hier was geweest, waren het er drie geweest. Ze legde een hand op haar buik. En als ik zwanger was, zou dat een vierde kunnen zijn, een zoon. Vier mannen. Vier relaties. Vader, broer, geliefde, zoon. Julia kon het idee niet van zich afzetten dat ze nummer één moest inleveren om zich met nummer drie te kunnen verbinden.

Twee van mijn vier mannen zijn hier vanavond aanwezig. En ik zou de eerste twee exemplaren van Eeuwige kermis heel graag aan hen willen overhandigen.

[Kussen en dankwoorden en cadeautjes volgden]

 

Foto’s: Arie Kers – met eeuwige dank :-)