Jonge wijsheid

‘Taaaa!’ roept mijn driejarige nichtje, en ze wijst naar een plaatje in een stripboek waarop een personage in zijn onderbroek staat afgebeeld.
Ik zit tegenover haar aan de ontbijttafel en probeer de krant te lezen, een artikel over de Frankfurter Buchmesse. Mijn blik op haar is argwanend. Mijn nichtje heeft namelijk een behoorlijk vocabulaire voor haar leeftijd en deze degressie baart me zorgen.
‘Taaa!’ roept ze nog een keer, dit maal naar een plaatje wijzend waarop een man in een halve kokosnoot te zien is.
‘Tirza,’ vraag ik, want zo heet ze, ‘mag ik misschien weten wat je daarmee bedoelt, met dat “taaaa”, want het komt niet in mijn woordenboek voor.’
Nu krijg ik een argwanende blik van haar. ‘Nou, dat betekent natuurlijk “dat is gek”.’
‘Oh,’ zeg ik, gerustgesteld, ‘verzin jij tegenwoordig dan je eigen woorden?’
Ze knikt. ‘Eigen woorden.’  Met enigszins stoute en sterk genietende ogen neemt ze een hapje van haar liga.
‘Lekker?’ vraag ik. ‘Of is het misschien “Fiedoebeldaa”?’
Weer die argwanende blik, maar even later schudt ze stralend haar hoofd en zegt: ‘Nee, niet lekker. Gewoon vies.’
Ik lach. Op welke leeftijd beginnen ze tegenwoordig met neologismen en ironie?

One thought on “Jonge wijsheid

Comments are closed.