Filosofiekalender 2003 (12)

‘Das perennierende Leiden hat soviel Recht auf Ausdruck wie der Gemartete zu brüllen.’  (Theodor Adorno, Negative Dialektik, 1966) [‘Het nog steeds bestaande lijden heeft net zo veel recht op uitdrukking, als dat de gemartelde heeft om te brullen.’]

De holocaust heeft volgens sommigen de status van de kunst sterk geproblematiseerd: hoe kunnen we na zo’n afschuwelijke gebeurtenis nog aan esthetisch plezier denken? Adorno schreef daarom in 1951 dat het barbaars zou zijn om na Auschwitz ooit nog gedichten te schrijven.
Vijftien jaar later herzag hij die mening. Kunst werd na de holocaust namelijk niet alleen gebruikt om mooie zaken te (re)presenteren, maar ook  om uitdrukking te geven aan het leed. Na het lezen van de gedichten van onder anderen Paul Celan heeft Adorno geconcludeerd dat de slachtoffers net zoveel  recht hebben om hun leed kenbaar te maken, als dat een gemartelde heeft om te brullen. Kunst als uitdrukking van leed was in zijn ogen dus niet barbaars.