Filosofie Scheurkalender 2010 (7)

‘Wij begonnen pas te functioneren in tijden van oorlog. Wij waren gemaakt voor de waanzin. Eigenlijk kwamen wij, moeder en haar zonen, pas tot leven als de noodtoestand was afgekondigd.’ (Jaap Scholten, De wet van Spengler, 2008)

Het gezin waarin we opgroeien, blijft voor ons vaak een raadsel. Vader, moeder en kinderen spelen allemaal een rol en stemmen hun gedrag op elkaar af. Maar omdat die dynamiek vanaf je geboorte aanwezig is en zo vanzelfsprekend lijkt, blijft hij vaak onzichtbaar. Totdat we na een periode van niet-samenzijn weer bij elkaar komen. Voor een veertigjarig huwelijk. Een laatste grote Kerst. Een ziekte en naderende dood van een van de gezinsleden.
In zijn ontroerende roman De wet van Spengler beschrijft Scholten een gezin van zonen en wat er met de hoofdpersoon en zijn broers gebeurt als de oudste van hen een hersentumor blijkt te hebben. Jarenlang hebben ze langs elkaar heen geleefd en weinig interesse in elkaar getoond, maar nu het erop aankomt, vormen ze een hecht gezin. Ze maken de hen vertrouwde grappen en staan op ieder uur van de dag voor elkaar klaar. Langzaam dringt het tot de hoofdpersoon door dat de aanwezigheid van nood en drama altijd al de onderliggende bindingsfactor is geweest.
Sommige families floreren bij geluk. Anderen bij de dood.