Eeuwige kermis (1) – Het afscheid van een vader

Liefde en dood
Op 20 januari 2000 overleed mijn vader in zijn eigen bed, omringd door zijn vrouw, moeder en drie kinderen. Hij was al een aantal jaren ziek en sinds het voorjaar wisten we dat hij niet meer beter zou worden. Na de Kerst ging hij sterk achteruit en ergens begin januari kreeg ik het telefoontje dat ik het beste zo snel mogelijk naar huis kon komen.

Ik woonde in die tijd reeds in Parijs, al dacht ik toen nog dat mijn verblijf hier tijdelijk was. Onderweg in de trein opende ik het schrift dat ik in de haast had gekocht om mijn verwarring van me af te kunnen schrijven. Een paar dagen voor het telefoontje had ik een bijzondere man ontmoet en in korte tijd waren we intens verliefd op elkaar geworden. Terwijl het grijsbevroren winterlandschap aan me voorbij trok, noteerde ik: ‘Van het liefdesbed naar het bed van de dood. Hoeveel kilometers liggen daar tussen?’

Pathetisch natuurlijk, maar ik vergeef het mezelf. Verblind door liefde en verdriet kan het verzwaren van je eigen drama juist enig soelaas bieden.

De weg naar de woorden
In het huis van mijn vader schreef ik weinig. In het aanzien van zijn dood vond ik mijn woorden te banaal. De betekenissen die in die tijd aan alledaagse woorden als ‘arm’ en ‘sinaasappelsap’ kleefden, bleven onzichtbaar op het papier, alsof ik over een willekeurige ledemaat of een willekeurig drankje berichtte. Pas veel later vond ik mijn weg naar de woorden en pas na de publicatie van mijn eerste roman, in 2005, begon ik serieus aantekeningen te maken over zijn laatste dagen, ons afscheid en zijn euthanasie.

De farce
Het besluit er een roman van te maken kwam weer een aantal jaar later. I
k ging aan de slag met mijn jeugdherinneringen en mijn vaders rol in mijn leven, en al zijn die gegevens voor menig auteur voldoende om een boeiende autobiografie af te leveren, voor mij waren ze te mager. Dus groef ik dieper en uiteindelijk kwam ik terecht bij wat ik in mijn schrift ‘de farce’ had genoemd: mijn tolerantie voor onoprechtheid leek een dieptepunt te hebben bereikt en zelfs mijn beste vrienden vond ik bij vlagen oppervlakkig . Waarom zou je je druk maken over een cijferlijst of een mislukt verjaardagsfeest wanneer iedere dag van je leven de laatste kan zijn? Mensen met wie ik mij altijd graag had omringd, leken ineens alleen buitenkant en ik walgde van mijn eigen preoccupaties.

Waarom ervaarde ik dat zo? En wat had het te betekenen? Daarover wilde ik schrijven. En dus ging ik op zoek naar een verhaal waarin het contrast tussen echtheid en charlatanerie een hoofdrol speelde.  Aflevering 2: Authenticiteit.

Op 20 januari 2000 overleed mijn vader in zijn eigen bed, omringd door zijn vrouw, moeder en drie kinderen. Hij was al een aantal jaren ziek en sinds het voorjaar wisten we dat hij niet meer beter zou worden. Na de Kerst ging hij sterk achteruit en ergens begin januari kreeg ik het telefoontje dat ik het beste zo snel mogelijk naar huis kon komen.

Ik woonde in die tijd reeds in Parijs, al dacht ik toen nog dat mijn verblijf hier tijdelijk was. Onderweg in de trein opende ik het schrift dat ik in de haast had gekocht om mijn verwarring van me af te kunnen schrijven. Een paar dagen voor het telefoontje had ik een bijzondere man ontmoet en in korte tijd waren we intens verliefd op elkaar geworden. Terwijl het grijsbevroren winterlandschap aan me voorbijtrok, noteerde ik: ‘Van het liefdesbed naar het bed van de dood. Hoeveel kilometers liggen daar tussen?’

Pathetisch natuurlijk, maar ik vergeef het mezelf. Verblind door liefde en verdriet biedt het verzwaren van je eigen drama soms juist enig soelaas.

In het huis van mijn vader schreef ik weinig. In het aanzien van zijn dood vond ik mijn woorden te banaal. De betekenissen die in die tijd aan alledaagse woorden als ‘arm’ en ‘sinaasappelsap’ kleefden, bleven onzichtbaar op het papier, alsof ik over een willekeurige ledemaat of een willekeurig drankje berichtte. Pas veel later voelde ik me in staat over die gebeurtenissen te schrijven en pas na de publicatie van mijn eerste roman, in 2005, begon ik serieus aantekeningen te maken over zijn laatste dagen, ons afscheid en zijn euthanasie.

Het besluit er een roman van te maken kwam weer een aantal jaar later. Mijn eerste plan was om de nadruk te leggen op wat ik mijn gevoelsparadox noemde: de heftige emoties van mijn prille liefde botsten namelijk niet met de beladen sfeer thuis, maar intensiveerden die periode juist. Gelukkig besefte ik op tijd dat ik met die aanpak eerder een boek over mijn man zou schrijven dan over mijn vader en dat was niet de bedoeling.

Vervolgens ging ik aan de slag met jeugdherinneringen en mijn vaders rol in mijn leven, en al zijn die gegevens voor menig auteur voldoende om een boeiende autobiografie af te leveren, ik vond ze te mager. Dus groef ik dieper en uiteindelijk kwam ik terecht bij wat ik in mijn schrift ‘de farce’ had genoemd: geconfronteerd met de grote thema’s in het leven – dood, liefde, schuld – daalde mijn tolerantie voor frivoliteit en vond ik zelfs mijn beste vrienden bij vlagen oppervlakkig of zelfs berekenend. Waarom zou je je druk maken over een cijferlijst of een mislukt verjaardagsfeest wanneer iedere dag van je leven de laatste kan zijn? Mensen met wie ik mij altijd graag had omringd, leken ineens alleen buitenkant en ik walgde van mijn eigen preoccupaties.

Waarom ervaarde ik dat zo? En wat had het te betekenen? Daarover wilde ik schrijven. En dus ging ik op zoek naar een verhaal waarin het contrast tussen echtheid en charlatanerie een hoofdrol speelde. Later deze week aflevering 2: Authenticiteit, toerisme en hyperrealiteit.