Burgerlijke ongehoorzaamheid

Op een niet zo’n zonnige, maar warme middag, bevond ik mij op een terras met een literatuurwetenschapper & filosofe die zojuist gepromoveerd was. In de weken ervoor had ik haar proefschrift L’ intrigue dénouée gelezen waarin ze onder andere de rol van literatuur in onze huidige maatschappij onderzocht. We hadden genoeg aanknopingspunten voor een interessant gesprek, want met de populaire roep om meer engagement aan de ene kant en de onwilligheid van veel contemporaine schrijvers om aan die oproep gehoor te geven aan de andere kant, blijft de verantwoordelijkheid van de auteur een vraagstuk dat me bezig houdt.

De kersverse dr. beargumenteerde, onder het genot van een chardonnay, dat literatuur een subversieve potentie had, dat het een broodnodige ruimte vormde buiten de hegemonie van het politieke discours. Het was volgens haar een plaats waar men uitspraken kon doen die niet meteen serieus genomen hoefden te worden en die juist daarom meer konden tonen dan andere uitspraken. Literatuur was burgerlijke ongehoorzaamheid – het kon ontwrichtend zijn.

Als schrijver vond ik dat uiteraard prettig om te horen. Een roman wordt misschien zelden geschreven met de intentie om de wereld te veranderen, maar dat een roman de realiteit wel degelijk kàn beïnvloeden is een welkome boodschap. Literatuur is een spel, een knipoog, een onafhankelijke en belangeloze kunstvorm en tegelijk kan het zoveel meer zijn dan dat.

Het werd allemaal nog interessanter toen we het slot van haar proefschrift ter sprake brachten. Want volgens haar lag  de verantwoordelijkheid voor dat surplus niet per se bij de auteur. Het waren juist de lezers die verantwoordelijk waren voor de literaire ruimte. Een tekst had namelijk alleen een subversieve potentie als het als literair herkend werd. Alleen door een tekst kunst te noemen en als literatuur te lezen, kon het buiten het politieke discours staan.

We bestelden nog wat wijn en keken naar de Parijzenaars die voorbij liepen. Een groep meisjes die de vrijgezellendag van een van hen vierde, trok mijn aandacht. Met opzichtige gebaren dwongen ze een brandweertruck om te stoppen en even later klommen ze met veel gegiechel aan boord. Ik dacht aan een te kleine keuken aan de andere kant van Parijs die op dat moment in brand vloog. En ik dacht aan het alwetende oog van de schrijver die de twee gebeurtenissen verbond. Zowel het gevaar als de redding bestond alleen als je ernaar keek.