De Helling (5) – Het ‘Grote Verhaal’, tussen mythe en waarheid

De zomerstop is voorbij; jij terug uit het Noorden, ik uit het Zuiden; onze discussie kan verdergaan.

De Franse filosoof Lyotard verkondigde in 1979 het einde van de Grote Verhalen en stond daarmee aan de wieg van het postmodernisme. Hij bedoelde dat het Westen zijn vertrouwen had verloren in de politieke en filosofische ‘metaverhalen’ die onze maatschappelijke ontwikkelingen altijd hebben beïnvloed en gelegitimeerd. Zo’n Groot Verhaal is bijvoorbeeld het communisme/marxisme (dat in Frankrijk veel later verworpen is dan elders in het Westen), maar ook de Verlichting en het liberalisme. Lyotard’s verkondiging doet inmiddels wat cliché aan; we zijn gewend geraakt aan relativisme, aan 1001 meningen zonder waarheidspretenties, aan de anything-goes-moraal van onze maatschappij, maar omdat jij het Grote Verhaal ter sprake brengt als iets wat jou aan de politiek bindt, ga ik er graag op in. Je bent niet de enige die naar de Grote Verhalen teruggrijpt omdat je de scepsis en het morele vacuüm beu bent. Het egocentrische verhaal van het kapitalisme heeft ons in een karige, van zin verstoken wereld achtergelaten.

>> Lees verder op de site van De Helling >>

Den Haag – Oorverdovende geschiedenis (2)

Ik fiets over de Scheveningseweg naar het centrum, een weg die volgens de geschiedenisboeken al eeuwen bestaat in de vorm van een wandel- en karrepad waarover de vissersvrouwen in manden de vangst van hun vissersmannen naar de markt vervoerden. Dankzij het verlangen naar een “zeestraat” van de dichter (en politieke secretaris) Constantijn Huijgens (vader van de nog beroemdere wetenschapper Christiaan Huijgens) is het pad in 1665 in een heuse geplaveide weg veranderd. Ook reed hier in 1864 de eerste paardentram vanaf de Kneuterdijk naar Scheveningen, dat toen nog bestond uit een vissersdorp en een aparte badplaats.

Wanneer ik het Vredespaleis passeer, denk ik aan de tsaar Nicolas II, die door gebrek aan vermogen bekend is geworden als vroege pacifist; hij kon de wapenwedloop niet langer betalen en stelde daarom in 1899 een vredesconferentie voor. Ik rijd verder de stad in, langs de Koninklijke stallen, waar de Koninklijke paarden verzorgd worden en de Gouden Koets ongeduldig op zijn septemberritje wacht – en al bestaat Prinsjesdag sinds 1814, de rit vindt pas sinds 1903 in dit rijtuig plaats.

Bij de Grote Kerk stap ik af, zodat ik rustig langs de omliggende gebouwen kan struinen. Misschien straks een kopje koffie drinken bij ‘t Goude Hooft, een herberg die sinds de Middeleeuwen bestaat en in 1934 voor het laatst is verbouwd? Ik blijf in ieder geval niet lang hangen voor de gevangenpoort, waar mensen tot 1806 opgesloten hebben gezeten, en waar in de keldergewelven duizenden botten zijn gekraakt, gewrichten zijn kapotgeknuppeld, duimschroeven zijn aangedraaid en brandmerken zijn gezet.

Op het Binnenhof toetert de lange historie van de Hollandse graven in mijn hoofd: Floris IV en zijn jachtterrein, Willem II die door de Friezen werd vermoord, Floris V en zijn Ridderzaal. Ik probeer aan het geweld te ontkomen, via het Spui, via het Korte Voorhout, via het Plein – maar kan geen kant op. Mijn bloed klopt, mijn slapen bonken: de geschiedenis van Den Haag is overal en oorverdovend.

Daniel en Claire lezen de krant

NRC Handelsblad – Donderdag 2 augustus & Vrijdag 3 augustus 2012

Op de voorpagina een foto van Syrische vluchtelingen. Een tekst geeft uitleg over welke buurlanden tentenkampen hebben geopend: Jordanië, Libanon, Turkije. Direct daaronder een kleurrijke advertentie van NRC-reizen: “Unieke bootreis Athene, Istanbul & de Zwarte Zee.” Ik sla de pagina snel om.

“What’s that about Lisbon?” Daniel leest geen Nederlands, wel krantenkoppen.
“It’s about how the Portuguese perceive the Olympics during the crisis, according to a Dutch correspondent.”
“Never mind.”

“What’s a ‘hoer’?”
“Sorry, this article actually seems interesting – I have to read it, so I can’t do any ironic simultaneous translations for you. It’s something about Brussels and the harassment of women.”

Het stukje over het broodje-kip-protest vertaal ik integraal: tegenstanders van het homohuwelijk in de VS steunen de Christelijke directeur van Chick-fil-A door in rijen voor de deur te staan en zijn broodjes te consumeren. Homoactivisten roepen op om naar de filialen te komen om daar te gaan zoenen. “What a great marketing technique,” zegt Daniel.

Een foto van een Nederlandse onderzeeër met een piratenhoofd erop. Een foto van een protestkamp van Somaliërs. Op de wetenschapspagina staat iets over de luiaard en zijn evenwichtsorgaan. Dan de cultuurpagina’s. Bij een artikel over een toneelgroep die zijn subsidie verliest, is een foto geplaatst van een man in een te groot mouwloos hemd, die in zijn oog staat te wrijven met een lampenkap op zijn hoofd. “Is this newspaper trying to say it’s a good thing – to cut off the arts?” vraagt mijn man geschokt.

“Meer dan de helft van Amerika is uitgeroepen tot rampgebied…” lees ik in het Engels voor.
Daniel: “What’s new?”

Wanneer ik de voorpagina van het Cultureel Supplement zie met de raadselachtige kop “Batavierenrock, Nederlandse folkmetal van Heidevolk” blader ik razendsnel terug naar pagina 2  en laat ik mijn man de top tien beste films aller tijden raden – als ik de naam van de regisseur noem en het jaartal waarin de film verscheen, raadt hij er zeven goed.

Mijn tante ontvangt slechts twee kranten per week – daar ben ik blij om.

Den Haag – Thuis in het bed van een ander (1)

Sinds een week verblijven mijn man en ik in Den Haag, in het statige pand  van een ruimhartige tante en oom die zelf op vakantie in Bretagne zijn. Mijn volgende roman is deels gesitueerd in de Archipelbuurt van deze politieke hoofdstad en het leek me verstandig hier eens wat rond te struinen; mijn kennis van Den Haag reikte niet veel verder dan Panorama Mesdag, Het Binnenhof en het rudimentaire Monopoly-register.

De woning ligt in een rustige straat van het Statenkwartier, op steenworpafstand van zowel het macabere Joegoslavië tribunaal als de gemoedelijke Frederik Hendriklaan – ook wel de Fred genoemd, voor ingewijden, al klink je bij het gebruik van die afkorting wellicht even oubollig als wanneer je  “Boul Mich” zegt en je Boulevard St. Michel bedoelt. In dit ruime huis van drie verdiepingen hebben mijn tante en oom vier kinderen groot gebracht en omdat het wel erg leeg aanvoelde toen die allemaal waren uitgevlogen, wonen er nu doordeweeks (behalve tijdens de vakantie) twee meisjes die een dansopleiding op het Haagse conservatorium volgen. Hun kamers hebben roze muren en dekbedovertrekken met bloemen erop.

De eerste paar dagen liepen mijn man en ik wat onwennig door de ruimtes; het huis was ons schoon en met een gebruiksaanwijzing aangeboden, en toch voelde het alsof wij op slinkse wijze andermans plaats hadden ingenomen. Als indringers woonden we tussen de gestreepte handdoeken, intieme familiekiekjes, beduimelde boeken en halflege kruidenpotjes waar de vingerafdrukken van anderen nog opzaten. Steeds wanneer mijn handen naar een stuk zeep, het toiletpapier, of de fles olijfolie reikten, voelde ik gêne – overbodig wellicht, want ik had nadrukkelijk toestemming gekregen overal gebruik van te maken, tot en met een garderobe vol jassen aan toe, en die alledaagse producten zijn eenvoudig te vervangen. Toch leek het ondenkbaar dat we bij warm weer in de slaapkamer van mijn tante en oom zouden gaan liggen, ook al hadden ze ons bij hun vertrek op het hart gedrukt dat we dat vooral moesten doen, want de zolder werd zomers nu eenmaal heet en lakens konden toch gewoon gewassen worden?

Gelukkig wende het huis snel. Ik opende een nieuw flesje balsamico azijn. Ik schoof een paar potjes crème op een plank in de badkamer opzij. Ik reorganiseerde de koffiekopjes en mokken in de keukenkast. En toen het kwik vorige week de dertig graden bereikte, smolten mijn scrupules en namen we met overgave de hoofdslaapkamer in. Gisterenavond vond uiteindelijk de finale van onze inauguratie plaats: na een diner bij kaarslicht en donderslagen, zetten we de muziek (van Gainsbourg tot Cee-lo) een toontje luider en begonnen we te dansen. Eerst op het stuk parket tussen voorkamer en zitkamer. Vervolgens rondom de marmeren tafel en in de lange hal. Uiteindelijk met blote voeten op het enorme kleed tussen de zwarte leren banken. En nee, we hebben niet op de stoelen gedanst, want dat zouden we bij ons in Parijs ook niet doen, maar we vergaten wel even dat we hier te gast zijn. Gisterenavond waren we gewoon thuis.

Institut Néerlandais per 1 januari 2015 gesloten?

In februari besloot het Institut Néerlandais te stoppen met de programmering van maatschappelijke debatten en literatuur avonden. Bezuinigingen maakten het noodzakelijk de activiteiten in te krimpen. Ik was toen verontwaardigd en teleurgesteld. Dit weekend ontving ik een e-mail met het bericht dat het instituut per 2015 zal worden opgeheven – een besluit van demissionair minister Rosenthal en zijn op reces zijnde parlement.

Pardon? Wat een gehaaste, idiote gang van zaken! Even tussen neus en lippen door (demissionair, reces) zo’n besluit nemen – is dat rechtsgeldig, democratisch? De Raad van Toezicht van het instituut is meteen opgestapt en de directie heeft besloten een bezwaarschrift in te dienen. Ze vragen, heel terecht, om de uitvoering van het besluit op te schorten tot na de verkiezingen, want volgens hen is onvoldoende vastgesteld waarom opheffing noodzakelijk is. Naar aanleiding van de aangekondigde bezuinigingen had het instituut juist een eigen beleid opgesteld met  alternatieve oplossingen en het (deels al in uitvoering zijnde) plan zich verder te professionaliseren wat betreft fondswerving. Dat culturele activiteiten in New York en Berlijn vanuit de Nederlandse ambassade worden georganiseerd is geen goed argument om een onafhankelijk cultureel huis dat sinds 1957 veel internationaal aanzien heeft in Parijs te sluiten. Ambassades opereren veel meer onder invloed van de politiek – gedurfde exposities of debatten zie ik daar niet georganiseerd worden. Daarnaast is het instituut meer dan een doorgeefluik van cultuur. Margot Dijkgraaf schrijft (op Facebook, maar wellicht ook in het NRC): “Het heeft ook een makelaarsfunctie waarbij Franse en Nederlandse organisaties aan elkaar worden gekoppeld en wederzijds ervaringen worden uitgewisseld en know how gedeeld. En het Institut is de ontmoetingsplaats voor kunstenaars, beleidsmakers, historici, academici – maar vooral voor de gewone Fransman en de gewone Nederlander.” Dat laatste kan ik beamen; veel van mijn contacten in Frankrijk heb ik dankzij het instituut ontmoet.

Ik hoop van harte dat aan het bezwaarschrift gehoor wordt gegeven en een nieuw kabinet deze herfst overtuigd kan worden van het belang van het Institut Néerlandais. Bezuinigingen zijn noodzakelijk, maar dat is geen reden om een culturele koningin respectloos de kop af te hakken.

Gepopulariseerd Parijs

Normandië is een prachtige regio waarover ik binnenkort maar eens iets zal schrijven, maar de groene heuvels en hoge kliffen, de sprookjesachtige kastelen en pittoreske dorpen riepen bij de regisseur en de co-scenarist van “Populaire” toch niet hetzelfde enthousiasme me op als de hoofdstad, die we bij thuiskomst aantroffen.

In vrijwel alle kiosken in Parijs hangt sinds gisteren een poster van het cinemablad Premiere, met op het omslag een foto van de twee hoofdrolspelers in de film. Omdat we geen ongeluk wilden veroorzaken door langzaam te rijden en uit ramen te hangen, hebben we de auto uiteindelijk in de Boulevard Raspail aan de kant gezet voor een fotosessie. En vooruit, Deborah en Romain zien er aantrekkelijk uit, maar die man van mij mag er ook wel wezen.

De promo is begonnen. Het is nog wel even wachten voordat we de film mogen zien: 28 november verschijnt hij hier, spoedig daarna elders in Europa, Amerika, Azië en andere landen & continenten. Tot die tijd zal ik hier zo nu en dan schaamteloos mijn eigen marketing doen. Wat mij betreft wordt de hele wereld gepopulariseerd.

Lees hier een preview van het interview met regisseur, producent en hoofdrolspelers (in het Frans)

Schoonheid

Een wakkere zaterdagmiddag vol ongenadige zon. Mijn lief en ik leggen met moeite de pennen neer en sjokken op sandalen naar het Jardin du Luxembourg. We durven het niet aan om een driedaags weekend binnen te blijven met dit weer; de zon zou zich eens beledigd kunnen gaan voelen.

Het park is bezaaid met picknickende stedelingen en gidsbestuderende toeristen. Vlakbij een drinkwaterfonteintje  vinden we twee luie stoelen op een verhoging met een bries. We zinken neer en openen onze lectuur. Hij: The Virgin Suicides (Jeffrey Eugenides). Ik: Light Years (James Salter). Bij iedere derde zin die ik lees, moet ik aan mijn eigen roman denken en maak ik een potloodnotitie in het speciaal daarvoor meegenomen schriftje. Wanneer je in een schrijfbui gaat zitten lezen, kun je namelijk niet lezen; dan schrijf je gewoon via de woorden van anderen verder.

Na een half uur geef ik het op en maak ik een wandeling, mijn lief in zijn stoel achterlatend. Schreeuwende stemmen lokken me naar het hek toe aan de kant van het Pantheon. ‘Moordenaar,’ roepen de stemmen. Dichterbij hoor ik wie er volgens hen een moordenaar is: AirFranc-KLM. Dat klinkt als een intrige waar ik meer van wil weten.

Ik loop het park uit en de demonstratie in. Niet meer dan tien mensen met megafoons roepen hun boodschap naar ongeïnteresseerde voorbijgangers. Ik spreek een jongen aan met roze haar, neusringen, tatoeages. Hij staat me uiterst vriendelijk te woord en overhandigt me een tweetalige flyer. Air France-KLM vervoert laboratoriumdieren en brengt grote hoeveelheden apen uit Mauritius naar Europese martelhuizen. En daar moeten ze mee stoppen, vindt hij. Ik knik meelevend – als vegetariër draag ik dierenrechtenactivisten een warm hart toe.

Een minuut later neem ik afscheid van de moordernaarroepende minimeute en vervolg mijn wandeling, nu mijmerend over laboratoriumdieren. Is Air France-KLM schuldig aan het misbruiken en doden van dieren? Als ze het vervoer zouden stopzetten, neemt een andere compagnie het geheid over. Beter dus om de laboratoriums zelf tot boeman te maken. Maar die zullen de schuldvraag graag nog een stap verleggen en beweren dat het aan de overheid en de consumenten ligt. De overheid staat immers geen medicijnen toe die niet zijn getest en de consumenten willen graag schoon zijn – daarom kopen ze allerlei cosmetische prut. Als er geen vraag is, zal er ook geen aanbod meer zijn, is de redenering.

Ik kijk naar de consumenten in het park: dat wij ziek worden en medicijnen nodig hebben is niet altijd onze schuld, maar waarom willen we allemaal graag zo schoon zijn? Het antwoord volgt snel: omdat de media ons een ideaalbeeld voorspiegelt. Aha! Dus de media zijn de moordenaars! Maar zijn de media niet gewoon spreekbuizen? Spreekbuizen van glamour en glorie. Van Hollywood. Als Hollywood wat vaker gewone mensen zou casten en geen sterren zou produceren, zouden wij allemaal niet zo schoon hoeven zijn. Maar dan kom ik op gevaarlijk terrein, want wie maakt Hollywood? De schrijvers. Zonder schrijvers, geen films. Bijna iedere film die ik tegenwoordig zie is gebaseerd op een roman. Ben ik als schrijver een moordenaar van apen? Er moet een fout in mijn redenering zijn geslopen.

Vertwijfeld ga ik weer bij mijn lief zitten, in een luie stoel. ‘Wie is er nou toch schuldig,’ vraag ik hem, nadat ik hem mijn dilemma uit de doeken heb gedaan. Hij glimlacht geruststellend: ‘Het is de schoonheid zelf, lieverd. Wij mensen kunnen er niets aan doen. Het is altijd het idee zelf.’ Ik knik, het is acceptabel en begrijpelijk, maar wie gaat het de apen uitleggen?

De Helling (4) – Emotionele politiek

Mijn reactie op ‘Waar dumpen we ons geboorteoverschot‘ van Hagar Roijackers.

Optimisme versus egoïsme

Een discussie over overbevolking – dat is wat ik wilde. Maar het lijkt alsof het blijft steken in de vraag of het probleem überhaupt wel bestaat. Jij verwees naar Juffermans’ e-boek, waarvoor dank. Henk Daalder vond dat de aarde nog veel meer mensen aan kan, zolang we maar zuiniger worden; een debat is volgens hem niet nodig. Ook op jouw stukje reageerden betrokkenen verdeeld. Zoals altijd zijn de data van demografen en andere wetenschappers op verschillende manieren te interpreteren. Het enige waarover we het eens lijken te zijn: met de huidige consumptiepatronen en een bevolkingsgroei raakt de aarde overbelast.
Ik wil best meegaan in de veronderstelling dat de aarde in theorie nog miljarden meer mensen kan dragen. Maar tussen theorie en praktijk gaapt een groot gat. In de praktijk zijn wij Westerse mensen namelijk egoïstisch. Natuurlijk zou het geweldig zijn als we allemaal zuiniger werden, een superoplossing, maar ik vind hem wat optimistisch. Want zolang het niet verboden is plofkippen te eten of je televisie dag en nacht aan te hebben, doen de meeste mensen gewoon waar ze zin in hebben. Als we onze voetafdruk zonder vrijheidinperkende wetten onvoldoende kunnen verkleinen, moeten we toch eens kijken naar het aantal Nederlanders. Want: verbruik = voetafdruk x aantal inwoners.

Mag voortplanting politiek zijn?

Jij schreef: “Ik vind het als moeder ook lastig om iets dat zo´n persoonlijke en emotionele kant heeft maatschappelijk of politiek te maken.” Ik begrijp je terughoudendheid, want waar ligt de grens tussen zelfbeschikking en wettelijke bepalingen? Giorgio Agamben heeft de gevaren van een biopolitiek helder beschreven; zodra de overheid zich het recht toe-eigent over leven en dood te beschikken, worden de juridische verschillen tussen een rechtsstaat en een concentratiekamp steeds kleiner. Maar aan de andere kant: Nederland bemoeit zich al lang met leven en dood. We hebben wetgeving over IVF en euthanasie; toch ook emotionele onderwerpen. Waarom mag de politiek zich niet verder met voortplanting bemoeien?

>> Lees verder op de site van De Helling >>

To fawn

Wie zijn of haar Engels wil opvijzelen doet er goed aan af en toe een Brits woordenboek te lezen.

Gisteren, toen mijn man artisjokken stond te stomen in de hogedrukpan, nam ik de F in de Oxford Advanced Learner’s Dictionary tot mij. Ik voegde de prachtigste woorden toe aan mijn vocabulaire: farrago, fastidious, Fallopian tubes.

Maar ik leerde ook woorden voor begrippen die mij onbekend waren. Zoals ‘fetloch’, de gangbare naam voor de metacarpofalangeale en metatarsofalangeale gewrichten van paarden. Ook werd ik onderwezen in de menselijke psychologie, want de betekenis van het werkwoord ‘fawn’ verklapte veel over het soort aardbewoners dat woordenboeken leest en schrijft.

To fawn: proberen bevestiging te zoeken door het overmatig prijzen van anderen. Of kortgezegd: anderen kruiperig vleien.

Vanavond weer een letter.