Wat je kunt vangen, mag je opeten. Met die boodschap overhandigde mijn vader me een netje en een emmer, al wist hij heel goed dat ik van garnalen griezelde. Misschien had ik ze toen al best lekker gevonden als ik ze geproefd had, maar wat je levend afstoot wil je ook dood niet in je mond.
Daar stond ik dan in het kniehoge water van de Grevelingen met het netje in mijn handen en de emmer op de steiger. Mijn broer had al een portie gevangen. Voor mij bleven de beestjes te snel, totdat ik leerde juist heel stil te staan en de garnalen mijn netje in te praten.
’s Avonds op de barbecue roosterde mijn vader onze buit. De trots die dat gaf, hem te zien genieten van iets dat wij hadden opgevist! Wat wij konden vangen, mocht hij opeten.
Ik houd niet van voetbal. En toch heb ik de afgelopen weken naar minstens tien wedstrijden gekeken.
Ik houd niet koffie. En toch geniet ik van de ijskoffiecreaties die mijn echtgenoot mij serveert.
Ik houd niet van strandvakanties pur sang. En toch reis ik morgen af naar Ibiza.
Alles is afhankelijk van het moment en de situatie. Misschien moet ik dus zeggen: wat betreft smaak en voorkeuren heb ik geen principes.
‘Roddelen, dat was het middel van de zwakke om voor zichzelf monsters te scheppen, en die met zijn mond te bestrijden en af te straffen.’ (A.F.Th. van der Heijden, Het hof van Barmhartigheid, 1996)
In Het Hof van Barmhartigheid, het eerste boek van het derde deel van de cyclus De tandeloze tijd van A.F.Th van der Heijden, leert de lezer Hennie A. kennen, een vrouw die er ervan wordt beschuldigd haar ouders te hebben vermoord. Een van de hoofdpersonen van het boek, Albert, volgt haar proces met interesse. Volgens hem was Hennie A. al veroordeeld, voordat er een vonnis werd uitgesproken.
In ons rechtsysteem is een beklaagde onschuldig totdat zijn schuld is bewezen, maar soms is de publieke opinie de rechtbank voor. De mens heeft volgens Albert een diepe behoefte aan roddelen. Door kwaad te spreken over anderen kan men concurrentie en rivaliteit bezweren. De belasterde, die door zijn afwezigheid geen kans heeft op zelfverdediging, wordt zijn ware gezicht ontnomen en krijgt een masker op, dat bestaat uit de verzonnen verhalen die anderen over hem vertellen. En vervolgens wordt dat masker voor schut gezet en veroordeeld. In het belasteren van een ander worden de roddelaars bevrijd van het monster dat ze zelf hebben gecreëerd.
Tussen de aantekeningen voor mijn nieuwe roman kwam ik de volgende woorden tegen: Davy Jones’ Locker. Ik had geen idee wat ze betekenden.
Een paar maanden geleden heb ik mijn moeder telefonisch geïnterviewd over haar verleden met mijn vader en tussen de voor mij bekende verhalen over hun ontmoeting in Den Haag en hun huwelijk stonden die woorden: Davy Jones’ Locker.
Het klonk als de naam van een jazzmuzikant, maar Google ontdeed me van die illusie. Het was een eufemisme voor de dood op zee, de rustplaats van een verdronken zeiler. Davy Jones was een duivel van de zee – als je bij hem op bezoek kwam, was je er geweest.
Wat had dit met mijn vaders verleden te maken? Een mailtje van mijn moeder gaf het antwoord: de plaats waar zij als jongeren vaak samenkwamen was een kelder die door de jongens Davy Jones’ Locker werd genoemd. Het was, zoals ze dat noemde, ‘een begrip’.
En zo is de werkelijkheid toch weer vreemder dan fictie. Ik schrijf een roman over mijn vader, de fervente zeiler die tien jaar geleden is overleden. Had ik het motief Davy Jones’ Locker in mijn roman geperst – het was ongeloofwaardig geworden. Maar in de realiteit is alles mogelijk.
N.B. Diezelfde avond keek ik naar Blood Work, een film van Clint Eastwood. (Aangemoedigd door het zien van de meesterlijke Gran Turino de week ervoor). Aan het slot van de film nodigt de moordenaar Clint Eastwood uit op zijn boot: ‘Welcome in Davy Jones’ Locker’. Hoe is het bestaan van deze frase me zo lang ontgaan?
Een vrouw in een zuurstokroze jurk staart naar de blanke pagina van haar opschrijfboekje. Een fransmager meisje zit op schoot bij een amerikaanszware jongen. Drie toeristen met bierblikjes worden door een parkwachter van het gras afgefloten. En ik heb medelijden met niemand, want de zomer is ook voor hen aangebroken.
Het verbaast mij steeds weer hoeveel ik nog niet gelezen heb.
Op de middelbare school dacht ik nog: als ik straks achttien ben, zal ik de klassieken kennen. Die illusie hield niet lang stand. En de universiteit, waar ik toch echt zes jaar lang heb rondgelopen en waar ik meer heb gelezen dan mij werd opgedragen, verliet ik zonder Mann of Proust te kennen. Dostojevski, Nabokov en Tolstoj waren wel aan bod gekomen, al bleef het bij ieder van hen bij één roman.
Inmiddels is het duidelijk: hoe meer ik lees, hoe meer ik besef hoe weinig ik gelezen heb. Het orakel van Delfi had natuurlijk gelijk toen het Socrates de wijste noemde, want deze filosoof had immers gezegd: ik weet dat ik niets weet.
Er zullen altijd schrijvers zijn om te ontdekken. Pamuk en Coetzee lees ik pas sinds een paar jaar. En gelukkig zullen er ook altijd schrijvers zijn die je herontdekt. Eerder las ik vier romans van Hermans. De eerste verplicht op het gymnasium (Ja, natuurlijk: De donkere kamer van Damocles), de tweede omdat ik ging studeren (Onder Professoren), de derde toen ik naar Parijs verhuisde en het cadeau kreeg (Au Pair) en de laatste nadat ik geklaagd had over muggen in Italië (Nooit meer slapen). En voor even dacht ik: nu heb ik Hermans gelezen. Ik begreep waarom de man zo gewaardeerd werd zonder dat ik me gedwongen voelde alles van hem te bestuderen.
Een paar dagen geleden las ik een tekst over Hermans’ novelle Het grote medelijden en was ik op slag nieuwsgierig. Op vrijdagmiddag nam ik uit de bibliotheek van het Institut Neerlandais een boek mee (Richard Simmillion – een onvoltooide autobiografie), dat ik de dag erna uitlas. Nu wacht ik tot ik op maandag een paar romans van Hermans kan lenen: mijn zomerboeken zijn gekozen.
‘Voor ons mensen is ons eerste gebod: er moet iets gebeuren.’ (Chuck Palahniuk, Haunted, 2005)
In de roman Haunted van Chuck Palahniuk laat een groep mensen zich vrijwillig opsluiten om onder begeleiding een meesterwerk te schrijven. Maar het verblijf valt tegen en de inspiratie blijft weg. Wanneer de verveling begint en de deur naar de buitenwereld gesloten blijft, beseffen de wannabe schrijvers dat ze de meeste kans maken op een pakkend verhaal als ze hun verblijf in de retraite wat spannender maken.
Er moet iets gebeuren. Er moet iets verschrikkelijks gebeuren. Alleen met een opzienbarende gebeurtenis kunnen ze na afloop hun overlevingsverhaal vertellen en zullen ze op slag beroemd zijn. Omdat er naar hun zin te weinig gebeurt, scherpen ze hun plot eigenhandig aan. Etensvoorraden worden vernietigd, toiletten verstopt en uiteindelijk hakken ze hun eigen vingers af, om maar te kunnen vertellen dat hen iets ergs is overkomen. Volgens de organisator van de retraite is het allemaal voorspelbaar. Oorlogen ontstaan ook vanuit ons eerste gebod: er moet iets gebeuren.
Op een niet zo’n zonnige, maar warme middag, bevond ik mij op een terras met een literatuurwetenschapper & filosofe die zojuist gepromoveerd was. In de weken ervoor had ik haar proefschrift L’ intrigue dénouée gelezen waarin ze onder andere de rol van literatuur in onze huidige maatschappij onderzocht. We hadden genoeg aanknopingspunten voor een interessant gesprek, want met de populaire roep om meer engagement aan de ene kant en de onwilligheid van veel contemporaine schrijvers om aan die oproep gehoor te geven aan de andere kant, blijft de verantwoordelijkheid van de auteur een vraagstuk dat me bezig houdt.
De kersverse dr. beargumenteerde, onder het genot van een chardonnay, dat literatuur een subversieve potentie had, dat het een broodnodige ruimte vormde buiten de hegemonie van het politieke discours. Het was volgens haar een plaats waar men uitspraken kon doen die niet meteen serieus genomen hoefden te worden en die juist daarom meer konden tonen dan andere uitspraken. Literatuur was burgerlijke ongehoorzaamheid – het kon ontwrichtend zijn.
Als schrijver vond ik dat uiteraard prettig om te horen. Een roman wordt misschien zelden geschreven met de intentie om de wereld te veranderen, maar dat een roman de realiteit wel degelijk kàn beïnvloeden is een welkome boodschap. Literatuur is een spel, een knipoog, een onafhankelijke en belangeloze kunstvorm en tegelijk kan het zoveel meer zijn dan dat.
Het werd allemaal nog interessanter toen we het slot van haar proefschrift ter sprake brachten. Want volgens haar lag de verantwoordelijkheid voor dat surplus niet per se bij de auteur. Het waren juist de lezers die verantwoordelijk waren voor de literaire ruimte. Een tekst had namelijk alleen een subversieve potentie als het als literair herkend werd. Alleen door een tekst kunst te noemen en als literatuur te lezen, kon het buiten het politieke discours staan.
We bestelden nog wat wijn en keken naar de Parijzenaars die voorbij liepen. Een groep meisjes die de vrijgezellendag van een van hen vierde, trok mijn aandacht. Met opzichtige gebaren dwongen ze een brandweertruck om te stoppen en even later klommen ze met veel gegiechel aan boord. Ik dacht aan een te kleine keuken aan de andere kant van Parijs die op dat moment in brand vloog. En ik dacht aan het alwetende oog van de schrijver die de twee gebeurtenissen verbond. Zowel het gevaar als de redding bestond alleen als je ernaar keek.
‘Deze wereld is rechtvaardig noch onrechtvaardig, zoals ook een loterij of roulette niet rechtvaardig is of onrechtvaardig, alleen maar toevallig, willekeurig, grillig en onbegrijpelijk voor wie een verklaring zoekt voor zijn verlies.’ (Arnon Grunberg, De mensheid zij geprezen, 2001)
In het ironische essay De mensheid zij geprezen, Grunbergs versie van de Lof der Zotheid van Erasmus, is een advocaat aan het woord die de mens verdedigt tegen alle aanklachten die eeuwenlang tegen hem zijn ingediend. De advocaat geeft toe dat zijn cliënt niet deugt, maar probeert te bewijzen dat dit niet de schuld is van de mens.
Een van de voornaamste problemen is dat de mens geen rechtvaardigheid kent. In een wereld waarin het goede wordt beloond en het slechte wordt gestraft, wordt de mens aangespoord het goede te doen. Maar in een wereld die willekeurig is en daardoor onbegrijpelijk, maakt het niet uit hoe je je gedraagt. De mens wordt geleid door jaloezie, haat en begeerte. En wie onverdiend pijn lijdt, wil dat iedereen pijn lijdt. De wandaden van de mens zijn gezien de omstandigheden dus goed te begrijpen. En te verdedigen.
Gisteravond lag bij uitzondering mijn telefoon op tafel om tijdens het avondeten (wat in ons huis na zonsondergang plaatsvindt en in de zomer dus na tien uur) de verkiezingsuitslagen te volgen. Mijn Amerikaanse echtgenoot die de afgelopen tien jaar toch wel het een en ander heeft meegekregen van de Nederlandse politiek, gaf toe dat hij nog steeds weinig van ons systeem begreep. Om wie ging de race nu eigenlijk, waar stonden de lijsttrekkers voor en wat zou er gebeuren als twee partijen exact even groot zouden worden? Mijn beperkte politieke kennis werd danig op de proef gesteld en een paar uur later trokken we deze conclusie:
‘Between the socialist party on the left and the crazy white haired guy on the right, we have a spectrum of about ten parties that mainly differ in opinion about socialism, christianity, capitalism, the environment, democracy and immigration. Progressive thought is found left and right (but not on the extremities) and the conservatives who believe in generalizing moral values ended up somehow in the middle. For people who are principally liberal, want to protect intellectual property, think factory farming should be banned and believe in more direct democracy, there is only one party: D66. But when the PvdA and the VVD would end up with the same amount of votes, the queen, who officially has no political power, would be asked to give her advice about what to do.’
Ik ging slapen zonder de illusie dat ik mijn man had verlicht en vanmorgen was het allemaal weer een stuk begrijpelijker: 24 zetels voor de idioot. Daar ging deze verkiezing over. Wie zijn de mensen die op hem hebben gestemd? Ik kan alleen maar hopen dat de liberalen voor diep paars gaan.