Redacteur

Gisteren was ik voor een dag redacteur. Of script doctor zoals het in het jargon van mijn scenario schrijvende Amerikaanse echtgenoot heet.
De producent die het project meer dan een jaar geleden tekenende, was niet  tevreden over de nieuwe versie van het script en stuurde de schrijvers naar huis met het verzoek er nog eens naar te kijken. Vragen om gerichter commentaar leidde tot de reactie dat er iets niet klopte en er iets niet lekker liep, maar wat dat precies was moesten de schrijvers zelf maar uitzoeken. Frustratie alom.

Uiteraard stelde ik voor het een keer kritisch te lezen - ik beloofde geen wonderen, maar kon allicht proberen mijn vinger op dat ‘iets’ te leggen. Het was de eerste keer dat ik een volwassen scenario van een ander onder handen nam en ik moet zeggen: dat viel niet mee. Want ik voelde vrij snel wat er scheef zat en waar, maar het was niet eenvoudig dat in begrijpelijk termen uit te leggen aan de man die met hele andere ogen naar zijn personages en scènes keek. Al met al een ervaring om te herhalen.

In: Het alledaagse leven, Het literaire leven — @ CP 26/02/2010

Ocean Front Property

A building on our street is being demolished the French way. Meaning: the façade stays untouched while the floors and walls behind it get destroyed, which takes them months. For a while now, we have been woken up by the noise of rubbish thrown down some large funnel tube from the fifth floor into a container on the ground.
‘I can’t take it anymore,’ I said one morning, ‘It’s like a war zone.’
My husband smiled. ‘I hear it as waves crashing on the shore.’
It helped.
But this morning we had to deal with a whole bunch of fireworks. First there were some low pitched sounds.
‘The ocean steamer is docking,’ my husband said.
Than several  high pitch sounds followed.
‘A beached whale,’ he offered, ‘And a ship in distress, fog horn.’
Finally a cacophony broke loose and I looked at him, wondering if he could save us.
‘Traffic jam in the harbor,’ he said without flinching. ‘It’s the down side of Ocean Front Property.’

In: Het alledaagse leven — @ CP 24/02/2010

Point Omega

point-omega3Er zijn weinig auteurs op wiens boeken ik zit te wachten. Meestal lees ik romans die al een poos in mijn kast staan of die ik toevallig in een boekhandel oppak. Maar zodra ik hoorde dat er een nieuwe Delillo zou verschijnen, hield ik de publicatiedatum in de gaten en sinds ik begreep dat het over tijd zou gaan, heb ik smachtend gewacht tot ik het kon lezen.

Point Omega is qua omvang een novelle, al is het qua diepgang ruimschoots een roman. In 117 pagina’s weet Delillo diverse ideeën over onze huidige samenleving uit te zetten, te verwerpen en opnieuw te etaleren. De kritiek die het boek elders heeft gekregen, dat er te weinig verhaal is of dat de personages uitsluitend ideeën vertolken en nergens tot leven komen, vind ik onterecht. De personages zijn geen eenvoudige mensen die je op iedere straathoek tegen kunt komen, maar met hun summier en tegelijk kundig beschreven trekken zijn ze wel echt.

De roman begint en eindigt met een scène waarin een man naar een videotentoonstelling in een museum kijkt. De film Psycho van Hitchcock wordt er uiterst traag, in precies vierentwintig uur, vertoond. Alleen deze twee stukken, van samen minder dan dertig pagina’s, maken het boek al de moeite van het lezen waard. Ze staan ook zeker niet los van de rest, omdat de drie personages uit het hoofdverhaal deze tentoonstelling eveneens bezoeken en erover spreken: hoe zou ons leven zijn als we het als slow motion zouden kunnen beleven?
Het meedogenloze trage tempo van de film vereist een absolute alertheid van de bezoekers om aan dat tempo recht te doen.  ‘It takes close attention to see what is happening in front of you. It takes work, pious effort, to see what you are looking at.’ En die alertheid geldt ook voor het lezen van deze roman, want de traagheid van de film heeft zijn sporen in de vertelling van Delillo achtergelaten.

Het hoofdverhaal vindt plaats in een huis in de woestijn en draait om een ‘familie’ van drie personen; de conservatieve intellectueel Elster die de overheid adviseerde een Haiku oorlog te voeren met behulp van uiterst herhaalbare woordcombinaties die in het geheugen zouden kunnen blijven hangen als slogans; de rudimentaire filmmaker die deze intellectueel tegen de muur wil zetten en hem zonder vooropgezet plan wil laten spreken; en de in zichzelf gekeerde dochter van Elster die af en toe tegen vreemden praat.
Ze zijn samengekomen, omdat Elster de terreur van de stad wilde ontvluchten, hij de filmmaker als gezelschapsdier koos en de dochter door haar moeder verplicht afstand moest nemen van een mysterieuze man. In de stad, waar de minuten en uren met alles verweven zijn, was het voor Elster onmogelijk om het verstrijken van de tijd te vergeten. Alleen ver weg van het Nieuws en het Verkeer, vertraagt de tijd voor hem.
‘Time becomes blind. I feel the landscape more than see it. I never know what day it is. I never know if a minute has passed or an hour. I don’t get old here.’
En in deze blinde tijd, die uitnodigt tot reflectie, spreken de personages met elkaar en wisselen hun gedachten over het Point Omega zich af met meningen over het huwelijk of de oorlog. Het zijn gesprekken waarin ze zowel toenadering zoeken als zichzelf afschermen.

Maar uiteindelijk haalt de realiteit de filosofie in – het einde van het menselijk bewustzijn lijkt misschien dichtbij als we de wereld theoretisch benaderen. Als we met uiterste concentratie naar de werkelijkheid kijken, ligt het een miljoen jaar van ons af.
Ik sloeg het boek dicht met het verlangen naar meer. Delillo’s Point Omega is een van de meest intrigerende trage ervaringen die ik ooit heb beleefd.

In: Kunst en cultuur — @ CP 23/02/2010

Filosofiekalender 2010 (5)

‘De mens is zijn leed en zijn menselijkheid wordt bepaald door zijn verhouding ten opzichte van het leed van de anderen.’ (Marcel Möring, Lijdenslust, 2006)

Volgens Möring heeft de moderne mens geen zin meer om te lijden. Het leven is er om plezier te maken en geluk na te streven en lijden moet zoveel mogelijk vermeden worden. Dat anderen nog wel lijden, is een probleem dat met oogkleppen opgelost kan worden. Wat we niet zien, kan ons niet deren. Wij kunnen ons gelukkig wanen.
Maar wordt ons leven er beter van als we het lijden uitbannen? Volgens Möring niet. Zonder leed is een waarachtig leven niet mogelijk en kunnen we ons niet tot een ander verhouden. Lijden is nodig. Wie slapeloze nachten heeft om het noodlot van een ander, geeft die ander geen praktische hulp, maar een bereidheid om bij het leed van die ander stil te staan, creëert wel een verbondenheid tussen individuen. Het maakt ons wie we zijn: mensen. Het moderne leedvermijdende gedrag is dus niets anders dan een middel om steeds onmenselijker te worden.

In: Filosofie — @ CP 22/02/2010

Nieuw contract

Het nieuwe contract met De Geus is zojuist getekend!

In: Het literaire leven — @ CP 19/02/2010

Filosofiekalender 2010 (4)

‘Als er een soort algemene norm is waaraan we allemaal moeten voldoen om te slagen in het leven, dan wijken we natuurlijk allemaal af van die norm.’
(Marjolijn Februari,  Park Welgelegen, 2004)

In wetenschappelijke onderzoeken, politieke overwegingen en beleidsnota’s duiken vaak mensen op die gemakshalve tot een volmaakte controlegroep worden gerekend: mensen met wie niets aan de hand is. Heteroseksuele mannen met blond haar en blauwe ogen, noemt Februari ze. Normale mensen zonder problemen.
Volgens sommige voorvechters van integratie en emancipatie hebben deze normale mensen te veel macht in de maatschappij verworven en blijven er te weinig mogelijkheden over voor de abnormalen onder ons. Maar wie in de realiteit zoekt naar die normale mensen, zal ontdekken dat zij niet bestaan. Natuurlijk, heteroseksuele mannen met blond haar en blauwe ogen bestaan wel, maar het is een illusie dat zij normaal zijn en een heterogene groep vormen. Ook de controlegroep van zogenaamd normale mensen bestaat uit buitenissige individuen. Welke algemene norm er ook gesteld wordt, iedereen zal ervan afwijken.

In: Filosofie — @ CP 16/02/2010

Geluksritueel

helianthus_tuberosusOp de biologische markt van boulevard Raspail zijn we al jaren vaste klant. Niet alleen de verkopers herkennen ons wanneer we daar tussen elf en twaalf rondscharrelen, ook met de bedelaars en andere kopers wisselen we knikjes uit: we zijn niet de enige die de markt tot zondags ritueel hebben gemaakt.
Bij de eerste kraam kopen we het leeuwendeel; dit keer onder andere vier verschillende kroppen sla en drie verschillende soorten peer en een berg courgettes, wortelen en venkel. En iedere week nemen we een vrucht of groente, die we nooit eerder gegeten hebben, al worden die inmiddels om begrijpelijke redenen schaars. Vorige week was het de bergamot . Deze week de topinamboer waarvan we volgens de verkoper vooral de schil niet moeten eten.
Vervolgens gaat ons team uit elkaar en wacht ik de rij voor de gedroogde vruchten- en notenvrouw en wacht mijn echtgenoot bij de kikkererwtburgerman. Vandaag kocht ik geroosterde amandelen uit Spanje, hersennoten (cerneaux de noix, oftewel walnoten) en kokosdadelrolletjes omdat ik me door de bos rozen in de kraam ineens herinnerde dat het Valentijnsdag was en ik plotseling trek kreeg in iets zoets.
Mijn man kocht zijn vier kikkererwtburgers en had al een schapenyoghurt en vers geitenkaasje gekocht toen we ons even verderop weer verenigden. Hier en daar vonden we nog aanbiedingen die we niet konden weerstaan, zoals perssinaasappels, wilde mango’s en radicchio. Op het eind riep onze favoriete bakker ons van een afstandje al toe dat hij helaas geen roggebrood meer had, maar we namen een halfje spelt en kregen een halfje met zaden cadeau als troost.
Zodra we de markt uitliepen, scheen de zon vol op ons gezicht en bleven we staan met onze zware boodschappen in de hand om de warmte en het licht op te kunnen zuigen. Thuis wist ik met passen en meten alles op de fruitschaal of in de koelkast te krijgen en toen zuchtte ik maar eens van al het geluk dat die volle tassen en dat beetje zon me gegeven hadden.

In: Het alledaagse leven — @ CP 14/02/2010

Mini verhaal

In navolging van FB-vrienden en collega’s Jan van Mersbergen en Murat Isik heb ik een kort verhaal (120 woorden) op pulpfictie gepubliceerd. Een waardering geven kan door een duim omhoog of een duim omlaag te klikken.

www.pulpfictie.nl

(Als het niet meer op de homepage staat, kunt u het vinden onder categorie M of datum 11 februari 2010)

In: Het literaire leven — @ CP 11/02/2010

Minuscule vlinders

Vannacht droomde ik dat de miljoenen witte vlokjes in de lucht minuscule vlinders waren. Een paar zochten hun toevlucht tot mijn oogharen wat me zo’n kietelend en buitengewoon plezierig gevoel gaf dat ik begon te glimlachen. En ik droomde ook nog van jongetjes die in blaffende honden veranderden zodra je ze begon te strelen en van houten blokken die me waar ik ook naartoe ging in de weg zaten, maar toen ik vanmorgen wakker werd, deden mijn wangen pijn van het lachen en wist ik dat de vlinders echt waren geweest.

In: Het alledaagse leven — @ CP

Filosofiekalender 2010 (3)

‘Met een bepaald deel van ons wezen leven we allen buiten de tijd.’ (Milan Kundera, Onsterfelijkheid, 1990)

Een vrouw van in de zestig wordt door de hoofdpersoon van Kundera’s roman Onsterfelijkheid waargenomen tijdens haar zwemles. Hij vindt haar koddig en haar ademhaling doet hem denken aan een stoomlocomotief. Deze vrouw heeft kortom al haar charme aan de ouderdom verloren. Of niet?
Wanneer de les is afgelopen en zij in badpak wegloopt, draait ze zich vlak voor de kleedkamers om, glimlacht en wuift. En in dat betoverende gebaar ziet hij een meisje van twintig. Voor een ogenblik lijkt de vrouw vergeten te zijn dat zij in een ouder lichaam zit. Haar glimlach en haar wuiven zijn licht en gracieus, als om een minnaar te verleiden. De hoofdpersoon is gefascineerd en mijmert over de betekenis van dit alles. Misschien zijn we in wezen leeftijdsloos en staan we voor een deel buiten de tijd. Een gebaar of een glimlach is blijkbaar voldoende om een essentie te tonen, die tijdloos is.

In: Filosofie — @ CP 08/02/2010