Wat is belangrijker? Aanwezig zijn op je eigen boekpresentatie of de hand schudden van Michael Jackson?
In oktober 2006 koos ik voor het eerste.
Ik heb altijd van de muziek van Michael Jackson gehouden, maar ik betwijfelde of het mijn leven zou verrijken als ik hem in de ogen keek. Mijn man werkte in die tijd in een studio in Ierland waar Michael onder strikte geheimhouding was ondergedoken en aan een album werkte met will.i.am.
Op een avond sommeerde mijn echtgenoot me om onmiddellijk in het vliegtuig te stappen, want Michael, die de discretie van alle aanwezigen zeer waardeerde, had beloofd de volgende dag een onderhoud met hen te hebben, waarbij ze zijn gepantserde hand mochten schudden en hem een vraag mochten stellen.
Ik kwam niet. Ik bleef in Athenaeum waar De verdwijning van Eva Zomers werd gepresenteerd. En het is altijd blijven schrijnen.
Dit jaar waren we uitgenodigd voor zijn concert in Londen - mijn echtgenoot had destijds Michaels manager bevriend. VIP stoelen en backstage toegang. Ik had een tweede kans die beroemde hand te schudden. Maar helaas…
Gelukkig heeft Michael zijn muziek in de wereld achtergelaten.
Een themafeest. Je houdt ervan of niet en ik houd er van. Achter het masker van de vermomming voel ik me beter op mijn gemak dan in een mooie jurk. En ik ben niet de enige.
Gisteren vierde een scenarioschrijver dat hij ging verhuizen en hij had al zijn vrienden uit de filmindustrie uitgenodigd. De opdracht: kom als een personage uit een Almodovar film. Of, als je dat te ingewikkeld vindt, kleed je Spaans aan met het liefst veel rood. Hmmm…. Als ik een man was geweest, had ik me als dragqueen verkleed, maar die vlieger ging niet op. En na een blik in mijn garderobe werd mijn vermoeden bevestigd: er zat geen enkel rood kledingstuk tussen en zelfs geen rode sjaal of broche. Mijn enige opties waren de vamp of de flamencodanseres en omdat ik evenmin lange rokken met ruches bezit, werd het de vamp. Hoge hakken, netkousen, handschoentjes, knalrode lippenstift, zwarte jurk, hoed en klaar.
Ik viel niet uit de toon op het feest en bij binnenkomst raakte ik direct aan de praat met diverse genodigden. Dit lijkt misschien geen bijzonderheid, maar ik ben op genoeg Parijse huiskamerfeestjes geweest waar het ons-kent-ons zo ver wordt doorgevoerd, dat je na uren aanwezigheid nog met niemand die je niet daarvoor al kende een woord hebt gewisseld. Op dit feest danste iedereen met iedereen en ik denk dat dit deels te danken was aan de kostuums waarin we ons hulden: wie zijn ware gezicht overduidelijk verbergt, kan soms des te beter zichzelf zijn.
De laatste woorden uit A Short History of Myth van Karen Armstrong.
“If it is written and read with serious attention, a novel like a myth or any great work of art, can become an initiation that helps us to make a painful rite of passage from one phase of life, one state of mind, to another. A novel, like a myth, teaches us to see the world differently; it shows us how to look into our own hearts and to see our world from a perspective that goes beyond our own self-interest. If professional religious leaders cannot instruct us in mythical lore, our artists and creative writers can perhaps step into this priestly role and bring fresh insight to our lost and damaged world.”
De lezersactie voor mijn nieuwe roman Salto mortale is van start gegaan. De website staat online en Geuzennieuwslezers hebben de paperback inmiddels ontvangen. Spannend…de eerste reacties zullen nu wel snel komen.
We hebben ons zorgen gemaakt, want ze waren twee weken te laat. Berichten over verdwijnende kolonies en lege korven hebben ons het ergste doen vrezen. Maar vanmorgen, nog voordat we onze ogen hadden geopend, werden we van onze bange vermoedens verlost: het geruststellende gezoem van honderden bijen drong onze slaapkamer binnen en we kwamen onmiddellijk uit bed om de familie te begroeten. Boven de wijnranken in het hofje vlogen ze af en aan, dronken van de zoete nectar. Het is juni. De bijen zijn er weer. De zomer mag beginnen.
Ik ga wel vaker naar lezingen van Nederlanders in Parijs, maar meestal vinden die plaats in het Instituut Néerlandais. Gisteren was ik uitgenodigd in de woning van de Nederlandse ambassadeur in Parijs voor de lezing Cosmopolitisme : arrogance ou idéal van Ian Buruma, schrijver, journalist en winnaar van de Erasmus prijs 2008. Burumu werd aangekondigd als een voorbeeld van nieuw kosmopolitisme: geboren in Den Haag, gestudeerd in Leiden en China, gewerkt in Japan en uiteindelijk gesetteld in Londen en daarna New York. De meeste toehoorders waren journalisten, redacteuren, romancières, professoren en andere geïnteresseerden die wellicht evengoed kosmopolieten waren. Behalve een enkele Fransman van de oude garde, sprak iedereen er tenminste drie talen, en die talenkennis bleek een van de kenmerken van het kosmopolitisme te zijn. Een kosmopoliet reist namelijk niet alleen veel, maar voelt zich ook als een vis in het water in het buitenland. Volgens Buruma waren er helaas nog niet genoeg kosmopolieten om het idee Europa te laten slagen. Hoe meer kosmopolieten de deelstaten wisten te genereren, hoe meer de eenheid van Europa gevoeld zou worden.
Ach, wij stonden al aan de goede kant en dronken er champagne op en discussieerden vervolgens over schone en vuile handen met betrekking tot de commercialiteit van romanschrijven en vroegen ons af wie er in Amerika nu echt de baas is: Obama, de CIA of de pers. Pas toen de lege glazen uit onze handen werden genomen, konden we het niet langer ontkennen: het was tijd te vertrekken.
De zoon van een arts uit Bordeaux trouwt met de dochter van een patriciërsfamilie uit Normandië en honderdvijftig gasten uit voornamelijk Parijs worden uitgenodigd om het huwelijk te vieren. De bruiloft wordt, traditiegetrouw, georganiseerd door de moeder van de bruid in het stadje waar de aanstaande is opgegroeid: Coutances.
Op een ongewoon warme junimiddag verzamelt iedereen zich rondom het charmante stadhuis en lang voordat de ringen worden uitgewisseld, doen de hoofdrolspelers en de gasten zich te goed aan alcoholische dranken. De burgemeester is in zijn nopjes, aangezien hij het voorrecht krijgt de kleindochter van een oud-burgemeester in het huwelijk te laten treden. Hij heeft een jolige speech voorbereid die bij vrijwel iedereen in goede aarde valt, behalve bij de bruidegom, die de ceremonie uiterst serieus en met nerveuze precisie volgt.
Nadat de handtekeningen zijn gezet, stroomt de menigte bezweet de krappe trouwzaal uit en loopt in colonne naar het parkje alwaar de foto’s genomen worden. Om zes uur begint het aperitief in de tuin van een groot landhuis en wordt de eerste fles champagne geopend. Er zullen er nog 139 volgen. Natuurlijk zijn er oesters en is er foie gras. Obers lopen rond met schalen Noix-de-Saint-Jacques en gefrituurde krabbenpoten. De zee ligt op een paar kilometer afstand.
Wanneer de moeder van de bruid, twee-en-een-half-uur later, iedereen sommeert aan tafel te gaan, is het merendeel van het gezelschap al goed zat. In overleg met het bruidspaar besluit het personeel om de geplande glaasjes Calvados, die volgens de rituelen tussen de gangen door geserveerd dienen te worden, over te slaan.
Er volgt een maal van vis, van lam, van kaas en van aardbeimakronen, vochtig gehouden door witte wijn, Bordeaux, Cider en meer champagne en rond middernacht opent de danszaal met klappers uit de jaren tachtig. De eersten die los gaan, zijn de ooms en tantes uit de streek. Schoenen en jasjes worden uitgetrokken om eens flink te kunnen swingen. De Parijse bobo’s staan met sigaretten in de hand koelbloedig toe te kijken. Pas als de ooms en tantes na een polonaise de moed opgeven, wagen de jongeren zich op de vloer. En na wat snuiven van het een of ander, gaan ook hun remmen los. Pas als de zon weer opkomt, keren de laatste gasten naar het hotel terug. Het was, zoals dat heet, een typische bruiloft in de campagne.
In de vroege Middeleeuwen krijgt de bisschop van Avranches de opdracht om op een minuscuul eiland vlak voor de kust een heiligdom ter ere van de aartsengel Michael te bouwen en sindsdien is het eiland, dat al gauw dMont-Saint-Michel werd genoemd, uitgegroeid tot een bedevaartsoort dat inmiddels de bescherming van Unesco geniet. De abdij op de top van het eiland is om de rots heen gebouwd en getuigt van een knap staaltje Middeleeuwse architectuur. Of het eiland de tweehonderd duizend internationale bezoekers per dag waard is, betwijfel ik, maar wie in de buurt is, zou zeker eens langs moeten gaan. De uitstekend bewaard gebleven Middeleeuwse gebouwen, die dit eiland zo bijzonder maken, gaan helaas goeddeels ten onder in toeristencommercie en in lange rijen Amerikanen en Japanners die traag de trappen beklimmen. Gelukkig maakt het uitzicht over het laagland, de oceaan en de grazende lammeren op het zoute gras veel goed. Kortom: een weinig inspirerend, maar geslaagd dagje uit in Normandië.
Citaat uit Liefde Bedrijven (Faire l’amour) van Jean-Philippe Toussaint.
“Op de dag dat Marie me voorstelde met haar mee te gaan naar Japan, begreep ik meteen dat ze eraan toe was om het laatste kruit aan liefde dat ons nog restte, op die tocht te verschieten. Was het, als we onze verhouding dan toch moesten beëindigen, niet simpeler geweest deze lang van tevoren geplande reis te benutten om wat afstand van elkaar te nemen? Was het de beste oplossing om samen een reis te ondernemen, als het de bedoeling was uit elkaar te gaan? Ja, tot op zeker hoogte wel, want in dezelfde mate als de nabijheid ons verscheurde, zou de scheiding ons nader tot elkaar hebben gebracht. We waren immers zo kwetsbaar en stuurloos in onze gevoelens dat de afwezigheid van de ander waarschijnlijk het enige was wat ons nog nader tot elkaar had kunnen brengen, terwijl de aanwezigheid van die ander in onze nabijheid ons juist alleen nog maar sneller uit elkaar kon drijven en de breuk kon bezegelen.”
Meer lezen? De Nederlandse vertaling, die ik helaas niet erg sterk vind, ligt nu bij De Slegte. Voor wie Frans kan lezen is het origineel aan te bevelen.
Onze cavist is een eigenaardige man. Wellicht iets te eigenaardig om winstgevend te zijn. Een jaar geleden opende hij zijn boetiek bij ons om de hoek, waarin hij niets dan de beste Italiaanse producten verkoopt en het leeuwendeel is wijn. Sindsdien zijn we vaste klant. Goede Italiaanse wijnen zijn in Frankrijk nog tamelijk schaars en na ons huwelijk in Toscane drinken we nauwelijks nog Bordeaux of Côtes du Rhône. Dankbaar voor onze trouwe klandizie, geeft de cavist ons bij iedere aankoop een cadeau: een fles Prosecco, een potje olijven of een voorverpakte ciabatta. Omdat al zijn producten voortreffelijk zijn, kopen we nu ook zijn biologische olijfolie, zijn speltpasta en zijn tapenade. Uitstekende marketing van zijn kant: we worden steeds meer van hem afhankelijk.
Maar zijn voorkeursbehandeling gaat verder: toen wij gisteren zijn winkel binnenliepen, stond er een echtpaar aan de toonbank. Ze wilden zes specifieke flessen kopen, die de cavist hen weigerde. ‘Deze verkoop ik alleen aan vaste klanten,’ zei hij. Het echtpaar werd boos, ze beweerden vaste klant te zijn en wat in de winkel stond, moesten zij kunnen kopen. De cavist hield voet bij stuk en de ruzie liep hoog op. Het echtpaar beweerde nooit meer te zullen komen en al hun vrienden te waarschuwen dat ze bij die Italiaanse idioot uit de buurt moesten blijven. De cavist trok zich er weinig van aan en glimlachte af en toe naar ons. Zodra het echtpaar de zaak had verlaten, bood hij zijn excuses aan ons aan. ‘Ik verkoop deze wijn alleen aan mensen die hem kunnen waarderen. Willen jullie een fles? Een cadeautje.’