“We never know anything about anyone.”
Paul Auster in Leviathan (1992)
In de roman Leviathan staan twee schrijvers centraal die een hechte vriendschap hebben: Peter Aaron en Benjamin Sachs. Sinds ze elkaar op een literaire avond hebben ontmoet, lezen ze elkaars werk en delen elkaars leven. Totdat Sachs van een balkon valt, lange tijd in het ziekenhuis ligt en uiteindelijk met geheel nieuwe ideeën en doelstellingen aan zijn tweede leven begint. Vanaf dat moment begrijpt Aaron niets meer van zijn vriend en wordt Sachs een mysterie.
Als er op een dag een bericht in de krant staat, dat een man zichzelf heeft opgeblazen, vermoedt Aaron onmiddellijk dat het om Sachs gaat. Ze hebben elkaar al een jaar niet gesproken, maar alles lijkt plotseling op zijn plaats te vallen. In gedachten gaat Aaron terug in de tijd om de raadsels rondom Sachs op te lossen, maar hij beseft dat het hem nooit zal lukken. En Sachs had hem gewaarschuwd. ‘We weten nooit iets over iemand, ’ zei hij eens, toen ze elkaar bekentenissen deden, maar Aaron had hem niet willen geloven.
Met een man die scenario’s schrijft en daar ook voor wordt betaald door producenten en fondsen, is het niet moeilijk om het te verantwoorden minimaal een speelfilm per dag te zien. Of verantwoorden: het is noodzaak, werkverplichting, vereist onderzoek. Na een periode waarin we alle Woody Allen’s zagen, een maand waarin de Italianen Fellini en Antonioni het podium betraden en een zomer waarin we stapels Nouvelle Vague bekeken, is de tijd nu aangebroken voor de klassiekers uit Hollywood van onder anderen Preston Surges en Douglas Sirk. De plotlijnen! De vrouwelijke personages! De intelligentie van de conversatie! Waarom worden zulke films niet meer gemaakt? Films waarin clichés en taboes doorbroken worden en waarin desondanks niemand wordt vermoord of verkracht. Wanneer de tijd daar is, weet ik waar ik mijn inspiratie moet zoeken.
En toen stond er opeens een nieuwe roman voor de deur. Of misschien is het een novelle. Dat is lastig inschatten in dit stadium. Het is een simpel verhaal over relaties en onderhuidse spanningen en de laatste dagen heb ik nergens anders aan kunnen denken dan aan de personages van deze vertelling. Prachtig, zou je denken, alleen: ik was al met een andere roman bezig, de opvolger van Salto mortale. Ik heb zelfs al honderd pagina’s aantekeningen, dertig pagina’s fragmenten, een structuur en een synopsis klaar.
Dit is mij nog niet eerder overkomen. De keren dat ik afscheid nam van een zojuist geschreven roman, kwam een reeks nieuwe ideeën bij me langs, alsof ze aanvoelden dat deze schrijver weer beschikbaar was. En er was altijd één idee dat eruit sprong, één idee dat dwingender en urgenter was dan andere, één idee dat mijn nieuwe roman zou worden. En nu, nu zijn er twee die even sterk aan me trekken en kiezen kan ik niet.
Ik vermoed wel een beetje waar het hem in zit. Mijn verlangen om een simpele roman te schrijven bestaat al heel lang. Na De verdwijning van Eva Zomers dacht ik: nu even iets rechttoe-rechtaans, iets zonder sprongen in de tijd en filosofische onderlagen. Salto mortale begon hoopvol als een huis clos, een verhaal in een beperkte tijd en ruimte, alleen: simpel werd het niet. Na drie jaar werk aan dit boek, gunde ik mezelf opnieuw een ongecompliceerde vertelling en met het verlangen om over de dood van mijn vader te schrijven, dacht ik aan een autobiografische roman te kunnen werken zonder al te veel poespas. Maar toen las ik De Toverberg, dook ik in de essays van Calvino en Kundera en stapelden de aantekeningen zich op. Deze zogenaamd ongecompliceerde roman laat zich niet een-twee-drie schrijven. Het is een karwei geworden, dat veel onderzoek en voorbereiding vergt. Heerlijk, een uitdaging, mijn eigen grenzen verleggen; deze roman komt er heus wel, al is het waarschijnlijk niet morgen.
Het is alleen niet zo vreemd dat er nu opeens een tweede verhaal opduikt, een verhaal dat niet vraagt om ingenieuze composities of onderlagen. Een verhaal dat zijn kracht zal ontlenen aan de details en aan de manier waarop de personages met elkaar omgaan.
Ik geloof niet dat het gemakkelijker zal zijn om dit boek te schrijven. Geenszins. Een simpel verhaal is voor mij misschien nog veel moeilijker, omdat ik geen gebruik kan maken van de ideeën die in mijn andere romans vaak juist het zwaartepunt vormen. Maar het verlicht mijn hart een tweede project te hebben, naast dat loodzware andere boek, dat nog aan het rijpen is. Vanaf vandaag schrijf ik twee romans tegelijkertijd.
“Il y a longtemps que j’ai pris l’habitude de noter non seulement les étapes et incidents de mes voyages, mais les événements petits et grands de ma vie quotidienne, le temps qu’il fait, les métamorphoses de mon jardin, les visites que je reçois, le coups durs et les coups doux du destin. On peut parler de ‘journal’ sans doute, mail il s’agit du contraire d’un ‘journal intime’. J’ai forgé pour le définir le mot ‘extime’.”
(Michel Tournier – Journal extime)
Dit boek van Tournier stijgt ver uit boven het gemiddelde niveau van een blog en toch heeft hij in mijn ogen een goede definitie te pakken van wat een blog is: geen intiem, maar een extiem dagboek.
Het is definitief: Salto mortale is vandaag naar de drukker gegaan.
Nu al? Het boek komt toch pas in september uit?
Dat klopt, maar mijn uitgever heeft een lezersactie op touw gezet waarvoor paperbacks nodig zijn. Een selecte groep lezers van het Geuzennieuws zal mijn roman in juni ontvangen om er een recensie over te kunnen schrijven en er vervolgens op een speciale website over te kunnen discussiëren. Een online leesclub dus. Wie mee wil doen, kan zich op de site van De Geus voor het Geuzennieuws opgeven en in dat blad staat wat je moet doen om een roman te ontvangen. Wie geselecteerd wordt en een recensie schrijft, zal in september ook een gesigneerde hardback versie van Salto mortale cadeau krijgen.
Bij de ingang van de bibliotheek zet ik mijn telefoontje uit, zoals ik dat gewend ben. Binnen leer ik dat dit nogal ouderwets is. Surfend op internet, met de ellebogen op de studieboeken steunend of simpelweg verzonken in een luie stoel: overal om mij heen wordt druk getelefoneerd. De tijd dat de bibliotheek een ruimte van rust en stilte was is voorbij.
En het geluid is nog toegestaan ook. Bibliotheekmedewerkers lopen rond om bezoekers te vragen hun flesjes water in hun tas terug te stoppen (drinken mag wel, iets op tafel zetten niet), maar niemand maant aan tot stilte.
Het eerste uur verbijt ik me – ik wil mijn stiltecentrum terug! Daarna laat ik de sfeer tot me doordringen: hier wordt op een relaxte manier gewerkt. Jong & oud, autochtoon & allochtoon, toerist & Amsterdammer – kortom een mooie doorsnee van de stad is op deze zonnige dag naar de bibliotheek gekomen om tussen de boeken te zitten en zo nu en dan met buurman of buurvrouw te overleggen of met een moeder of een vriendje of een collega aan de telefoon te hangen. Zodra ik de sfeer accepteer, vind ik weer rust. Geroezemoes of niet, de bibliotheek blijft een uitstekende plaats om te schrijven.
Iemand wees mij op deze blogpost en uit dank link ik hier terug.
Het is misschien grappig om te vermelden dat ik nog nooit auto heb gereden en dat een roman me (wellicht daarom) nog steeds gemakkelijk afgaat dan bloggen. Terwijl het hier stil blijft, groeit mijn vierde roman met pagina’s per dag…
De volle maan staat trots boven de grachtenpanden en schijnt naar binnen door mijn hoge gordijnloze ramen. Sprookjesachtig is deze stad. Niet vertrouwd of gewoon. Het cliché wil dat je niet weet wat je hebt totdat je het kwijt bent. Pas nu ik acht jaar niet in Nederland heb gewoond, pas nu Amsterdam niet langer door een deken van alledaagsheid wordt bedekt, springt de schoonheid van de stad me in het oog. Al een maand kijk ik uit op dezelfde gevels, dezelfde scheefgezakte panden met hun ruiten en lichtjes en spiegelingen in de gracht. En ik vraag me af: hoe lang moet ik mijn geliefde Parijs gedag zeggen om er opnieuw verliefd op te kunnen worden?
De dag ging traag van start. We werden uit diepe dromen wakker en gaapten de ochtend bij elkaar. Aan het ontbijt met de ramen open klaagden mijn bezoekers over het gebrek aan boten op de gracht. Af en toe kwam er een voorbij, maar er was geen sprake van de gekte die ik hen beloofd had. Ik zei: you ain’t see nothing yet. Het was voor twaalven, de meesten feestgangers lagen nog hun roes uit te slapen van de nacht ervoor.
Tijdens het eerste rondje Jordaan smeekten mijn bezoekers mij wat ‘rustigere’ straten uit te zoeken – ze hielden niet van hutjemutje massa’s. Twee uur later waren we weer thuis, uitgeput en verbijsterd, en bekeken we de botenparade vanuit het raam. Nog geen idee wat er elders in het land was voorgevallen.
Omdat we de handdoek nog niet in de ring wilden gooien voordat de dag goed en wel was begonnen, dronken we ons met een fles prosecco en daarna een fles rosé moed in. En juist toen ons humeur enigszins in de richting kwam van de sfeer en het gejoel om ons heen, kregen wij een sms-je waarin het nieuws uit Apeldoorn stond. We liepen nog een rondje, omdat we vonden dat het moest, aten een te zout frietje en een te zoete portie poffertjes en zochten daarna snel ons appartement weer op. En ik kan niet anders zeggen dan dat de dag die traag van start was gegaan als een kaars uitging, want om twaalf uur lagen we in bed. Ik weet het nu zeker: er zit geen partybeest in mij (en evenmin in mijn bezoekers).