“De strijd van de mens tegen de macht is de strijd van het geheugen tegen de vergetelheid.”
Milan Kundera in Het boek van de lach en de vergetelheid (1978)
Een terugkerend thema in het werk van Milan Kundera is het communisme en de invloed die deze agressieve ideologie heeft gehad op de levens van individuen in zijn geboorteland Tsjechië. Met veel liefde en oog voor detail schetst hij hoe mannen en vrouwen verzet boden of juist door het regime en het dagelijkse leven corrupt zijn geworden.
Mirek, een van de helden in zijn vierde roman Het boek van de lach en de vergetelheid, houdt bij wijze van verzetsdaad een dagboek bij. Zijn vrienden vinden hem onvoorzichtig. Als hij ooit wordt opgepakt, kan alle informatie tegen hem gebruikt worden en kunnen zijn woorden zelfs anderen verraden. Toch blijft Mirek schrijven, want als hij zich schuldig zou voelen, zou dat het begin van de nederlaag zijn. Hij heeft het recht een dagboek te schrijven. Meer nog: de strijd van de mens tegen de macht is de strijd van het geheugen tegen de vergetelheid. Hij is er verantwoordelijkheid voor zijn eigen geschiedenis levend te houden.
“Mensen willen simpelweg onafhankelijke keuzes kunnen maken, wat die onafhankelijkheid ook kost en waartoe hij ook leidt.”
Fjodor Dostojevski in Aantekeningen uit het ondergrondse (1864)
In Aantekeningen uit het ondergrondse laat Dostojevski zijn verteller nadenken over menselijke verlangens en de vrije wil. De hoofdpersoon gelooft niet dat mensen gedetermineerd zijn. En evenmin dat ze altijd redelijk handelen. Mensen willen onafhankelijke keuzes maken, maar wat ze kiezen is niet altijd rationeel: willens en wetens kiezen ze soms juist voor wat nadelig voor hen is. De verteller meent dat mensen stomme beslissingen nemen, omdat ze aan zichzelf en hun medemensen willen bewijzen dat ze het recht hebben die keuzes te maken. Ze willen hun vrijheid bewijzen. En door dat te doen, houden ze die vrijheid in stand: alleen door onafhankelijke keuzes te maken, die soms tegen de ratio in gaan, kan een mens zijn persoonlijkheid bevestigen en zijn individualiteit handhaven. Juist in zijn onberekenbare gekheid kan men bewijzen een uniek mens te zijn.
Daar lag ik vorige week, in een papieren jurkje op een steriele tafel. De koude vingers van de anesthesist masseerden mijn voorhoofd en ik had vier pijnlijke prikken van zijn naald nodig voordat ik overtuigd kon zeggen dat ik zijn gefriemel niet meer voelde.
Anderhalf uur daarvoor zat ik nog in de wachtkamer en probeerde ik te raden met welke reden de anderen hier zaten. Ik zag geen flaporen, geen uit de maat gegroeide neuzen en geen wanggrote moedervlekken. Wel waren er dikke dijen en rimpels, maar als iedereen met een dikke dij of rimpel naar een plastische chirurg zou rennen, zouden deze artsen niet meer beschikbaar zijn voor belangrijkere zaken, zoals het verwijderen van cysten op gezichten van schrijvers.
Mijn derde oog, zoals hij thuis liefdevol werd genoemd, groeide begin december binnen een paar dagen tot een bobbel, die de proportie van een flinke pukkel of muggenbult te boven ging. Omdat ik een pony draag die mijn voorhoofd bedekt, was ik geduldig met deze bobbel; hij was onzichtbaar (zelfs op het portret voor Salto mortale) en wat vanzelf verschijnt, gaat vanzelf weer weg - zo gaat dat tenminste met mijn sporadische verkoudheden.
Na de feestdagen, toen de bobbel een beetje rood begon te worden en er nog niet aan dacht te slinken, bezocht ik een huisarts in de hoop dat hij me een crème zou voorschrijven. Een minuut later stond ik op de stoep met een verwijzing naar de dermatoloog. Ook de dermatoloog had voldoende aan een minuut om mij de deur te wijzen – de bobbel moest weggesneden worden en omdat ik, in haar woorden, geen oude man van tachtig was, kon ik het beste naar de plastische chirurg.
Dus daar lag ik op een koude maandagmorgen in mijn papieren jurkje op een steriele tafel. Voordat de chirurg er was, kreeg ik een servet met een gat erin op mijn gezicht gelegd, zodat de chirurg op het moment dat hij binnenkwam, eerst kennis kon maken met mijn bult en pas daarna met mij.
Terwijl hij mijn voorhoofd opensneed en met de nodige kracht het een en ander verwijderde, vroeg hij wat ik in het dagelijkse leven deed en al had ik de neiging te zeggen dat ik topmodel was, of actrice, in de hoop dat hij extra voorzichtig zou zijn, antwoordde ik braaf dat ik boeken schreef.
En toen gebeurde het, hij hield op met opereren, liet een zucht ontsnappen en bekende op timide toon: dan moet ik mij verontschuldigen mademoiselle, want ik heb nog nooit een van uw boeken gelezen. Ik heb hem niet verteld dat mijn eerste vertaling in het Frans nog moet verschijnen.
Salto mortale woordkunst

(Klik om te vergroten)
(Gemaakt met: http://www.wordle.net/)
Comments Off

Vijf vrouwen. Vijf karakters. Vijf sprongen in het duister. Salto mortale is een veelstemmige roman over moeders en dochters, over de angst voor vrijheid en het verlangen naar onafhankelijkheid.
Stel, je bent een zelfstandige vrouw met een succesvolle carrière en een gezonde dosis zelfreflectie. Of misschien ben je een teruggetrokken vrouw, of een tiener die aan weltschmerz lijdt. Op een dag ga je naar een middeleeuws kasteel om een cursus te volgen en daar ontmoet je vier vrouwen die in niets op je lijken – althans dat denk je. Wanneer de docent niet komt opdagen en de organisatie onbereikbaar is, voel je je machteloos. Toch ga je niet naar huis, want het kasteel trekt je aan, met zijn idyllische en verlaten sfeer.
Maar in een huis dat zo oud is, gaat geschiedenis leven, geschiedenis die de bewoners infiltreert. Vreemde nachtmerries maken je onzeker en wat jaren onderhuids heeft gebroeid, komt aan de oppervlakte. Herinneringen, schuldgevoelens en teleurstellingen waaien als woestijnzand door de gangen van het kasteel. Weg is je streng bewaakte onafhankelijkheid: het dringt tot je door dat je nog steeds aan de verwachtingen van anderen probeert te voldoen. En vooral aan die van je moeder.
Je zwijgt, je liegt, je ontkent, maar aan de confrontatie ontkom je niet. Het is tijd je los te rukken en je vrijheid opnieuw op te eisen. Het is tijd voor een salto mortale.

omslag: Berry van Gerwen
foto: Joyce van Belkom
“That a famous library has been cursed by a woman is a matter of complete indifference to a famous library.”
Virginia Woolf in A Room of one’s own
In haar beroemde essay A Room of one’s own betoogt Virginia Woolf dat een vrouw financieel onafhankelijk moet zijn en een kamer voor zichzelf moet hebben voordat ze daadwerkelijk kan gaan schrijven. Mannen hadden in die tijd een duidelijke voorsprong op vrouwen: zij hoefden geen kinderen op te voeden en konden zonder zich verdacht te maken terugtrekken in hun studeerkamer. Van vrouwen werd verwacht dat ze thee dronken of zich op een andere manier sociaal ontplooiden. Ook buitenshuis was het leven voor een schrijver in de dop gemakkelijker als je een man was – je had toegang tot literaire kringen en universiteiten.
Als Virginia Woolf op een van haar wandeltochten geïnspireerd raakt en een bibliotheek wil binnenstappen, wordt ze door een poortwachter weggestuurd: vrouwen zijn er niet welkom. Ze vervloekt de beroemde bibliotheek die haar buitensluit en beseft tegelijk dat het de bibliotheek niets zal kunnen schelen dat het door een vrouw wordt vervloekt. Als zij iets wil veranderen, moet zij zich tot de mensen wenden die het wel iets zal kunnen schelen: de lezers van haar romans.
Salto mortale ligt wederom bij de uitgever – ditmaal gaat er een eindredacteur naar kijken. De brochure waarin de roman zal worden aangekondigd is al naar de drukker. Binnenkort dus hier het omslag en de synopsis.
Nu het manuscript dat mij twee jaar heeft bezig gehouden is verzonden, opent zich een ruimte waarin ongebreideld lezen is toegestaan of beter nog, wordt gestimuleerd. Veel schrijvers lezen juist geen boeken als ze aan een nieuwe roman beginnen, maar ik heb een leeshonger die door de boekenrijkdom van mijn eigen kast nauwelijks gestild kan worden. Het lezen van een goede roman is namelijk DE manier om de poort naar mijn onderbewuste open te zetten. Romans inspireren. Maar altijd op een onverklaarbare manier. Ik lees over een arme jongen in Sint Petersburg en moet aan de dijk in Capelle aan de IJssel denken. Ik lees over een wuivende vrouw in een zwembad en flarden tekst schieten door mijn hoofd over een pijnlijke ruzie. Ik lees Dostojevski en Kundera en Nooteboom en Murakami – het liefst allemaal door elkaar - en mijn eigen roman krijgt vorm. Geen fase is heerlijker dan deze, waarin alles nog mag, alles je ideeën geeft en alles nog mogelijk lijkt. Het is een periode van eindeloos genot.
“An artist’s only concern is to shoot for some kind of perfection, and on his own terms, not anyone else’s.”
J.D. Salinger in Franny and Zooey (1961)
In de novelle Franny and Zooey, die altijd in de schaduw heeft gestaan van zijn beroemde broer The Catcher in the Rye, leren we een hyperintellectueel gezin kennen. De jongste, het zusje Franny, komt op een dag met een flinke depressie thuis, gaat op de sofa in de salon liggen en staat niet meer op. De wereld is volgens haar een farce geworden: professoren zijn egotrippers, poëten roemzoekers en het gewone volk is achterlijk, omdat niemand dit doorziet. Zelf is zij schuldig aan alles waar ze de anderen van beschuldigt: ze probeert iedereen te slim af te zijn en speelt toneel om lof te ontvangen. Kortom: het leven heeft geen zin meer.
De moeder, die getuige is geweest van deze crisis bij haar andere kinderen, schakelt haar zoon Zooey in om het meisje tot de orde te roepen. Hij begrijpt dat ze alleen van die bank af zal komen als ze zonder medelijden wordt toegesproken. Ze moet beseffen wat haar te doen staat: het maakt niet uit wat anderen uitspoken, het is alleen van belang wie zij is en als zij toevallig een actrice is, dan moet ze acteren. Dat is het enige waarover ze zich druk zou moeten maken – dat ze haar kunst op haar eigen voorwaarden zo perfect mogelijk uitoefent.
Nederland moet nog tot 12 februari wachten, maar de film die al vier Golden Globes heeft gewonnen (en vast nog vele andere prijzen) en genomineerd is voor negen Oscars, draait in Parijs al enige tijd. Een vriend van ons bonsde afgelopen zaterdag onverwachts op onze deur met het dwingende verzoek het huis te verlaten en mee te gaan naar de bioscoop. Geen tijd hebben, bestond in zijn ogen niet. Voor deze film moesten we tijd maken.
Hij had kaartjes gekocht in het charmante theater La Pagode bij ons in de buurt en ondanks dat hij de film al had gezien, ging hij met ons mee naar binnen. Deze film kon je gerust driemaal zien, vond hij. En hij had gelijk.
Vanaf de eerste scène was ik geboeid en gedurende de rest van de film is mijn aandacht niet afgedwaald. Heel af en toe schemerde er iets kunstmatigs door, iets van de opzet en de structuur van het scenario, maar omdat die opzet en structuur zo oorspronkelijke zijn en zo doeltreffend, stoorde dat me nauwelijks. Of meer nog: het hoorde erbij. De doorzichtige symboliek van de tegenstellingen, het miljonairsspel en de sloppenwijken, het moderne India en de traditie. Ik was me er steeds van bewust dat ik naar een speelfilm keek en toch gaven de beelden me het idee dat ik het echte India leerde kennen, een India dat me fascineerde en afschrok. Het enige minpuntje dat ik zou kunnen noemen is het slot – uiteindelijk is ook deze film een feelgoodmovie, niet met een afgerond en geheel happy end, maar wel met een voor de kijker geruststellend einde. En toch hoort ook dat weer in het scenario, is ook die hoopvolle noot een dubbele noot, maar om dat uit te leggen zou ik te veel moeten verklappen en dat is zonde.
Voor wie niet wil dat ik op een morgen onverwachts op de deur kom bonzen, heb ik een tip: maak tijd voor deze film en ga hem zien.