Filosofiekalender 2009 (3)

“Alles wat ik zie, lees en hoor, filter ik door de zeef van de verhalen die ik wil vertellen.”

Herman Franke in Waarom vrouwen betere lezers zijn (2004)

In een van de columns uit de bundel Waarom vrouwen betere lezers zijn gaat auteur Herman Franke in op het verschil tussen wetenschappelijk onderzoek en schrijversresearch. Hij citeert een wiskundige die zijn vak net zo mooi vindt als kunst en meent dat het onderscheid tussen kunst en wetenschap opgeheven zou moeten worden. Franke is het niet met hem eens. Er gaapt juist een kloof tussen de twee, die begint bij de manier waarop kunstenaars en wetenschappers waarnemen.
Schrijvers zien de wereld vaak niet zoals hij is – ze zien hem met het oog op wat ze willen vertellen. Ze kijken om zich heen om de verbeelding te prikkelen, niet om een objectieve waarheid te vinden. ‘Mij interesseert alleen wat ik kan gebruiken,’ geeft Franke toe en voor een schrijver is dat ook geen probleem. Maar onderzoekers met zo’n vooringenomen houding deugen niet, zij moeten met open vizier de werkelijkheid bevragen en luisteren naar alles wat er verteld wordt. Ook als dat strijdig is met wat ze willen horen.

In: Filosofie — @ CP 29/01/2009

Grijze Dagen

Grijze dagen waaien voorbij. Korte avonden om de werkdruk te vergeten. Januari loopt op zijn eind.
‘s Morgens word ik vanuit een diepe winterslaap wakker. Het is al tien uur, maar de slaapkamer is in een tijdloze sluimer gehuld. Ik doe de afwas, maak ontbijt en luister naar het nieuws dat door mijn echtgenoot wordt voorgelezen en becommentarieerd. Het is zonde van onze tijd allebei de krant te lezen – wat de een hoort, leest of ziet wordt aan de ander doorgegeven en alleen uitzonderlijke films, boeken en albums worden door beiden bewonderd.
Ik kruip achter mijn bureau boven en beneden gaat de koptelefoon op. Er moet een roman geredigeerd worden en een album gemixt. Dat vergt samenwerking, stilte en afstemming. Ik douche wanneer hij aan de telefoon zit. Hij doucht wanneer ik de lunch klaarmaak. Soms doen we, ieder op  onze eigen verdieping, gelijktijdig een uur yoga.
’s Middag gaan de speakers aan en werk ik aan mijn webdesign. Af en toe een pauze voor koffie en groene thee. Rond achten heb ik het huis voor me alleen, voor een uur. Mijn echtgenoot is dan boodschappen aan het doen, een taak die hem ontspant. Ik neem dat uur om te schrijven of te lezen, iets te doen waarbij ik echt alleen wil zijn.
En dan begint de avond, samen koken, een maaltijd rond tien uur, een film anderhalf uur later. Rond half twee gaat het licht uit. Uitgeput en voldaan val ik in slaap.
Het is mogelijk een volwaardig leven te leiden en toch de hele week je huis niet te verlaten.

In: Het alledaagse leven — @ CP 24/01/2009

Filosofiekalender 2009 (2)

“En hij vroeg zich af hoe ongelukkig je moest zijn
om in Engelen te kunnen geloven.”

Adriaan van Dis in De Wandelaar (2007)

In de roman De Wandelaar van Adriaan van Dis  raakt de hoofdpersoon Mulder tegen wil en dank bevriend met een pater van een nabijgelegen kerk. Een brand in de buurt stapelt Mulder op met de zorg voor een hond en wanneer die hond de pater herkent, ontmoeten de mannen elkaar. Omdat Mulder een atheïst is met een sterke minachting voor de kerk, leidt dat tot interessante gesprekken met de pater over het geloof.
Volgens Mulder is ieder geloof op een verzinsel gebaseerd, een idee dat mensen nodig hebben als leidraad voor hun leven. Mulder zelf is trots op zijn nuchterheid – hij heeft geen verzinsels nodig om hem te troosten. Alleen wie ongelukkig is, gelooft in Engelen. Dat denkbeeld komt in de roman echter op losse schroeven te staan, als blijkt dat de pater met zijn geloof juist heel tevreden is en Mulder beseft dat het de leegheid in zijn leven is, die hem ondanks zijn rijkdom en gezondheid verhindert gelukkig te zijn.

In: Filosofie — @ CP 13/01/2009

Tijd

Lukt het een beetje met schrijven? Wil mijn uitgever weten.
Aan alle randvoorwaarden is voldaan: mijn man is een week de deur uit (geen afleiding), het is ijzig koud (binnenblijftemperaturen) en ik heb geen andere deadlines. En toch mag ik blij zijn als ik aan het einde van de dag aan mijn manuscript heb kunnen werken. Wat is er aan de hand?
Het is mateloos frustrerend dat het leven van alledag zoveel tijd kost. Iedere dag moeten er drie maaltijden worden klaargemaakt en gegeten en om de dag moeten er boodschappen worden gehaald. Iedere dag komt er nieuwe post binnen met nieuwe rekeningen die betaald moeten worden en nieuwe administratieve taken. Want zelden gaat iets automatisch goed. Ik moet de bank bellen om mijn creditkaart te laten deblokkeren. Ik moet een andere bank bellen om een transactie te autoriseren. Ik moet contact opnemen met mijn verzekering vanwege een niet vergoede rekening en ik moet een brief schrijven naar een bedrijf dat mij onterechte rekeningen stuurt. Maar dat is nog niet alles. Het huis waarin ik woon moet ook schoon gehouden worden, de was moet gedaan worden en als er iets breekt of begint te lekken, moet er gehandeld worden, zodat ik gisteren een loodgieter over de vloer had om een toilet te installeren en ik in de drukte van de uitverkoop nieuwe theeglazen zocht. Misschien moet ik wat minder multifunctioneel zijn, zodat mijn echtgenoot mij niet vraagt om zijn eerste filmcontract (20 pagina’s in het Frans) te lezen en te becommentariëren en ik mijn boekhouding net als andere zelfstandigen netjes uitbesteed. Tel daar nog bij op dat ik me schuldig voel (niet goed voor de concentratie) als ik een e-mailbox zie vol onbeantwoorde mailtjes of te lang niet op mijn blog heb geschreven en het wordt duidelijk dat mijn dagen zich vanzelf vullen. Om mezelf te kalmeren, neem ik me dit voor: zodra ik het me kan veroorloven, neem ik een assistent.

In: Het alledaagse leven — @ CP 10/01/2009

Jardin du Luxembourg

De paden zijn hard en wit. De natte sneeuw die op de warme daken van Parijs vrijwel meteen smelt, blijft in het park liggen. Behalve op de routes die toeristen in hordes warmlopen, is de grond glad en bevroren.
Drie Duitse jongens zitten tegen elkaar aan op een houten bank. Voor hen op een metalen stoel ligt hun lunch uitgespreid: kazen, worsten en aan stukken gescheurd stokbrood. Een fles rode wijn gaat van mond tot mond.
Een besnorde parkwachter loopt op het drietal af en blijft vlak voor hen stil staan. ‘Drinken in het openbaar is verboden,’ zegt hij.
De jongens kijken geschrokken op, maar uit hun verwarde blikken is niet op te maken of ze hem hebben verstaan. Vragend kijken ze van elkaar naar het uniform en weer terug.
‘Maar,’ zegt de parkwachter geruststellend, terwijl hij zijn pet recht zet, ‘Wie in deze kou in ons park komt picknicken, moet warm blijven. Doordrinken, jongens!’ En lachend loopt hij hen voorbij.

In: Het alledaagse leven — @ CP 05/01/2009

New York (December 2008)

“He adored New York City, he idealized it all out of proportion. No, make that: he romanticized it all out of proportion. He was too romantic about Manhattan as he was about everything else. He was as tough and romantic as the city he loved.” Woody Allen in Manhattan.

De gele taxi rijdt via de Holland Tunnel de stad binnen en brengt ons over de Avenue of the Americas naar ons hotel. Nog geen half uur geleden geland in Newark, New Jersey, zijn we nu al in het hart van Manhattan.
Het is een ongelofelijk warme middag. Winterjassen die ’s morgens in de haast zijn aangetrokken worden als nutteloze objecten over de arm geslagen en nieuwsgierige decolletés bevrijden zich uit wollen sjaals en dichtgeritste kragen. De conciërge vertelt ons dat het morgen zal vriezen en dat er een sneeuwstorm op komst is, maar wie zijn voet buiten de deur zet, kan deze voorspellingen nauwelijks serieus nemen.
We herontdekken Soho en Nolita, wijken waarin je uren kunt wandelen. Naast de feestelijk verlichte etalages van de grote merken liggen donkere winkelpanden met gesloten luiken of karton voor de ramen. Zelfstandige winkeliers en boetieks hebben blijkbaar hun deuren moeten sluiten. Het resultaat van 9/11 of van de recente economische crisis?
Misschien is het de gang van zaken in een dure wereldstad als New York, want op straat is niets te merken van somberheid of teleurstelling. Zelfs wanneer het de volgende dag ineens twintig graden Celsius kouder is, verschijnen er geen grimmige blikken of lange gezichten. In restaurants en musea worden we zelfs uitermate hartelijk begroet. Na acht jaar Frankrijk zijn we niet meer aan klantenservice gewend - in Parijs kennen wij alleen obers die je straal negeren en kassières die met de meest ontevreden smoel je boodschappen afrekenen -,  maar de bereidwilligheid van de New Yorkers is uncanny. Midden in Chinatown, wachtend op een gat in het verkeer om te kunnen oversteken, roept iemand ons zelfs zijn verontschuldigingen toe als hij op het punt staat een luik dicht te gooien. ‘Sorry guys, this will make some noise.’
We zijn te lang niet in New York geweest om te begrijpen waar deze nieuwe vriendelijkheid vandaan komt. Is het de post-9/11 cohesie? Obama? De verkondigde hoop? Hoe dan ook, New York lijkt een stuk minder tough geworden, maar is nog even romantisch als altijd. Ik verlang er nu al weer naar terug.

Uitzicht hotel - Soho daken.

Het bewijs: half december zonder jas op een terras in NY!

In: Het reizende leven — @ CP 02/01/2009

Welkom 2009

Het nieuwe jaar is ingeluid met zes vrienden, vijf dozijn oesters, vier tot in guacamole verwerkte avocado’s, drie magnums champagne, twee gigantische krabben en een enorme stapel zelfgebakken blinis. 2009: ik ben er klaar voor!

In: Het alledaagse leven — @ CP 01/01/2009