Filosofiekalender 2008 (4)

‘Si c’est ici le meilleur des mondes possibles, que sont donc les autres ?’ (Voltaire, Candide , 1759) ['Als dit de best mogelijke wereld is, hoe zijn de anderen dan?']

In Candide rekent Voltaire af met het filosofische optimisme van Leibniz. Candide – de hoofdpersoon – heeft een leermeester die ervan overtuigd is dat we in de best mogelijke wereld leven. In het begin kan Candide dat gemakkelijk geloven. Hij groeit op in een prachtig kasteel en het ontbreekt hem aan niets. Maar idylles bestaan niet. Hij kust de dochter van de baron en wordt uit het kasteel verbannen. Daarna gaat het snel bergafwaarts en wordt hij vervolgd en afgeranseld. Op de dag dat de aardbeving in Portugal plaatsvindt die aan tienduizenden het leven kost, vraagt hij zich wanhopig af hoe andere werelden eruit kunnen zien als dit de best mogelijke wereld is.
Voltaire was in zijn jonge jaren een optimist, maar wendingen in zijn leven en catastrofes in zijn eeuw, hebben zijn ogen geopend voor het menselijk lijden en voor de gevaren die altijd op de loer liggen. Toch is Candide geen pessimistisch boek, want het toont het menselijke vermogen de ergste rampen te overleven en zelfs gelukkig te zijn in een wereld vol oorlog en wreedheid.

In: Filosofie — @ CP 28/02/2008

Filosofiekalender 2008 (5)

‘Wat voor iemand moet je zijn om zoiets te doen?’ (Arnon Grunberg, De asielzoeker, 2003)

Hoofdpersoon Christian Beck steekt in een bordeel in Israël een zieke prostitué een oog uit met een schroevendraaier. De politie weet niet wat ze met hem aanmoeten als Beck weigert een verklaring af te leggen. In de verhoorruimte zoekt de aanklager naar woorden om het misdrijf te begrijpen. Zelfverdediging? Fantasie? Spijt? Beck heeft geen idee wat hem bezielde en noemt het een calamiteit. Hij herinnert zich alleen de triomf die hij voelde nadat hij had toegestoken.
De politie laat hem zonder straf gaan. Terug in Nederland wordt een oud verhaal van hem in een tijdschrift gepubliceerd. Als de gruwelijke daad die hij in dat verhaal beschrijft door iemand anders daadwerkelijk wordt uitgevoerd, verdringen de journalisten zich om hem te interviewen. Voelt Beck zich schuldig? Voor deze misdaad die hij niet gepleegd heeft, wordt hij publiekelijk op televisie aangeklaagd. Ze confronteren hem met wat er eerder in Israël is voorgevallen. Wat voor iemand moet je zijn om zoiets te doen? Beck heeft geen antwoord. Hij liet toe wat ontoelaatbaar is, een woede die groter was dan hij.

In: Filosofie — @ CP 26/02/2008

Filosofiekalender 2008 (6)

‘When I write, I know.’ (A.S. Byatt,  Possession, 1990)

De door Byatt in het leven geroepen dichter Randolph Henry Ash schrijft brieven aan de eveneens uit de verbeelding ontsproten dichteres Christabel Lamotte. Ze discussiëren over kunst en proberen elkaar in hun werk te ondersteunen. Ash wil in een gedicht een personage verzinnen dat getuige was van de wederopstanding van Lazarus. Hij gelooft dat de verbeelding iets kan toevoegen aan onze kennis en dat zijn woorden de geschiedenis niet in leugens zal verdrinken. Een gedicht kan profetisch zijn, of meer nog, het kan leven geven. Als hij schrijft, twijfelt hij niet. Als hij schrijft, weet hij. De verbeelding is waarheid.

In: Filosofie — @ CP 22/02/2008

Radio 22 februari 2008

Op vrijdag 22 februari ben ik te horen in het VPRO programma De Avonden tussen 20 en 21 uur op Radio 6.
Luisteren kan via de kabel (frequenties op www.vpro.nl/avonden), DAB of podcast. Met een snelle internetverbinding is het makkelijk om op de website te luisteren: zowel live als achteraf.

Onderwerp: La double Vie de Véronique - Kieslovski (1991)
Interviewer: Bente Hamel

In: Publieke Agenda — @ CP 20/02/2008

Filosofiekalender 2008 (7)

‘Het leven begint bij vijftig, in zoverre dat het eindigt bij veertig.’ (Michel Houellebecq, De mogelijkheid van een eiland, 2005)

In de wereld die Houellebecq in dit boek beschrijft, kan de mensheid opgedeeld worden in twee groepen: zij die sex hebben en zij die dat niet hebben. Of met andere woorden: zij die jong en aantrekkelijk zijn en zij die dat niet zijn. Geld speelt alleen in die zin een rol, dat rijkdom de onaantrekkelijkheid van mannen kan compenseren en dat seks gekocht kan worden.
Een vrolijk plaatje is het niet. Zodra borsten gaan hangen of haren uitvallen, is het echte leven over. Ouderdom is niet te verdragen en daarom ontstaat er een cult die de mogelijkheden van het klonen van mensen onderzoekt. Uiteindelijk bereiken ze hun ideaal: aanhangers kunnen op hun veertigste levensjaar zelfmoord plegen en herrijzen de volgende dag als jonge twintiger met hun kennis en herinneringen grotendeels in tact. Wat er tijdens het klonen verloren gaat, kan teruggevonden worden in de dagboeken die voorgangers hebben bijgehouden. Maar omdat de klonen niet beter zijn dan hun menselijke voorgangers (ze hebben alleen een efficiënter spijsverteringsysteem) houdt het leven ook voor hen nog altijd op met veertig.

In: Filosofie — @ CP

Filosofiekalender 2008 (8)

‘Eén keer in je leven een oorlog meemaken schept voor de rest van je leven veel duidelijkheid.’ (Remco Campert, Het satijnen hart, 2006)

Het grootste deel van het leven van de hoofdpersoon Hendrik van Otterloo is geschiedenis. Hij probeert zich bij zijn ouderdom neer te leggen en wacht op de dood, maar het verleden roert zich. Met een goede vriend haalt hij herinneringen op over de oorlog. De vader van deze vriend was lid van de Kultuurkamer, de vader van Hendrik zat in een concentratiekamp. Zij begrijpen hoe het in de tijd van hun vaders was en twijfelen niet over hun vriendschap. Het verschil tussen goed en kwaad kan moeilijk uitgelegd worden. Het kan zich alleen tonen in een oorlog en alleen mensen die een oorlog hebben meegemaakt, kunnen het volgens hen begrijpen

In: Filosofie — @ CP 19/02/2008

Filosofiekalender 2008 (9)

‘Waarom zou een wonder geen wonder zijn alleen omdat een ander het niet ziet?’ (Arthur Japin, Een schitterend gebrek, 2003)

Lucia, de hoofdpersoon van de roman die in 2004 de Libris-prijs won, wordt in haar jeugd getroffen door een ziekte die haar gezicht ernstig verminkt. Vervolgens is zij overgeleverd aan de blikken van anderen en wordt haar leven bepaald door de wijze waarop anderen op haar reageren. Totdat ze een sluier gaat dragen. Het boek belicht het thema van zien en gezien worden op verschillende manieren. Bijvoorbeeld: moeten we iets kunnen zien om het te kunnen waarderen of is het juist de onzichtbaarheid van iets wat ons aantrekt? Voordat Lucia ziek wordt, heeft ze een affaire met niemand minder dan Casanova. Ze zijn hopeloos verliefd op elkaar en toch lacht hij haar uit, als hij niet begrijpt waarom ze hem vol ontzag het water in haar glas toont. Hij vindt het niet wonderlijk hoe water de vorm aanneemt van de houder, het glas, de kan of de beek. Lucia is overstuur en vreest dat ze het water nooit meer bijzonder zal vinden. Pas jaren later beseft Casanova wat hij toen had moeten zeggen om haar te troosten: Waarom zou een wonder geen wonder zijn alleen omdat een ander het niet ziet?

In: Filosofie — @ CP 16/02/2008

Filosofiekalender 2008 (10)

‘ Wat kan er in ´s hemelsnaam tragisch worden aan iemand die alleen maar draagt?’ (Willem Jan Otten, Specht en zoon, 2004)

In deze Libris-prijswinnende roman heeft een schilderij het woord. Het verhaal begint met het einde: vlammen laaien op in het atelier en een tragisch slot wordt gevreesd. Tragisch? Kan het einde van een doek tragisch zijn? Een doek is alleen maar de drager van de creatie van een schilder.
Willem Jan Otten heeft in deze roman een metafoor gebruikt om de verhouding tussen God en de mens inzichtelijk te maken: hij beschrijft de relatie tussen een schilder en zijn schilderij. Hij stelt de mens voor als een drager, een canvas, dat leeg en wit is en door de verbeelding van God kan worden ingevuld. Kan ons leven tragisch zijn als wij door God zijn geschapen?
Het antwoord volgens de auteur is ‘ja’. Tijdens ons leven kunnen we vergeten dat we alleen drager zijn. We kunnen samenvallen met de afbeelding die op ons is geschilderd en belangrijker: ook anderen kunnen vergeten dat we slechts een afbeelding zijn. Er kan oprecht van ons gehouden worden en waar liefde mogelijk is, wordt tragedie geboren.

In: Filosofie — @ CP 15/02/2008

Filosofiekalender 2008 (11)

‘Soms is wat onmogelijk lijkt, alleen maar moeilijk.’ (Stefan Brijs,  De engelenmaker (2005)

Dokter Victor Hoppe, de hoofdpersoon van deze beangstigende roman, wedijvert met God. Hij meent dat mensen zichzelf te vaak grenzen opleggen. Als we naar de gelijkenis van God zijn geschapen, kunnen we meer dan we denken.
Victor Hoppe was een oerlelijk kind met een hazenlip en werd na zijn geboorte door zijn vader naar een gesticht gebracht en daar abusievelijk debiel verklaard. De zusters gaven hem een bijbel en zo leerde hij over God, maar het beeld dat hij kreeg voorgeschoteld was allerminst positief. God was een almachtige die straft, neemt en doodt, de belichaming van het kwaad.
Als Victor Hoppe jaren later zijn doktersdiploma haalt, heeft hij maar één doel: goed doen en het kwaad bestrijden. Hij wil de fouten verbeteren die God in de haast gemaakt heeft. Hij kan niet berusten in Gods wil, hij wil Hem het nakijken geven. Pech in het laboratorium ziet hij als een spel van zijn Vader die het hem moeilijk maakt. Hij vertelt zichzelf en zijn collega’s dat we ons niet moeten neerleggen bij mislukkingen. De aanhouder wint, of met andere woorden: soms is wat onmogelijk lijkt, alleen maar moeilijk.

In: Filosofie — @ CP 14/02/2008

Filosofiekalender 2008 (12)

‘No one can say where a book comes from, least of all the person who writes it.’ (Paul Auster, Leviathan , 1992)

In Leviathan vertelt de schrijver Peter Aaron het bizarre verhaal van zijn vriend Benjamin Sachs. Twee FBI agenten proberen uit te vinden wat er gebeurd is en Aaron voert een race tegen de klok: hij wil zijn boek schrijven en alles uitleggen voordat de politie de puzzel oplost. Aaron heeft zijn speurwerk nauwgezet gedaan en blijft er toch op wijzen dat hij niet garant staat voor de waarheid. Hij baseert zich op de verhalen die hem door Sachs en vrienden verteld zijn en de verhalen spreken elkaar nog wel eens tegen.
Een belangrijk bewijsstuk in de theorie van Aaron is het romandebuut van Sachs. Hij ziet verbanden tussen de fictieve vertelling en de realiteit. Als Aaron zijn vriend Sachs met deze verbanden confronteert, ontkent de auteur iedere samenhang. Aaron besteedt er geen aandacht aan. Niemand weet hoe boeken ontstaan en vooral de auteur zelf niet. De betekenis van een boek dringt pas door als het gelezen wordt.

In: Filosofie — @ CP 11/02/2008