Een oneerbiedig kunstbezoek

Op zijn eerste vrije dag sinds mei, slapen ze uit en zitten ze tot twee uur ’s middags aan de ontbijttafel. Daarna moet er van het mooie weer genoten worden. Ze lopen door de straten van Saint Germain, steken de Seine over en gaan de tuinen van het Louvre in. Hij: Er staat geen rij voor de Orangerie. Zij: Dan zijn we verplicht naar binnen te gaan. Ze lezen de brochure. Monet heeft een aantal gigantische doeken aan zijn vaderland geschonken en deze zogenoemde Nymphéa worden hier tentoongesteld. In de kelder wordt de privé collectie van Paul Guillaume getoond. Hij: Wie is Paul Guillaume? Zij: Ik heb geen idee. Ze schamen zich diep. De doeken van Monet zijn indrukwekkend, ook voor mensen die niet van Monet houden. Hier was een meester aan het werk, zeggen ze en ze wijzen elkaar op de details. Een verdieping lager hangt een portret van de man aan wie de permanente expositie zijn naam te danken heeft. Zij: We weten nu dat hij iemand was die rookte, las en een snor had. Ze bekijken de verzameling. Veel Cezanne en Rénoir, veel stillevens van appels en peren. Hij: Ik krijg er honger van. Zij: Nu alleen nog wat brood en koffie en het ontbijt is compleet. Paul Guillaume blijkt een kunstverzamelaar te zijn, een mecenas en een handelaar. Ze lopen verder, langs Modigliani en Rousseau. Zij: Dat is het kleinste hondje dat ik ooit op een schilderij heb gezien. Hij: Dat is geen hondje. Dat is een rat. Op de stillevens, die nog steeds populair zijn, vinden ze melk, eieren en brood. Maar geen koffie. Ze blijven stil staan voor een enorm doek van Picasso, een roze naakte vrouw. Zij: Dit is van zijn Grote Handen periode. Hij: Jij hebt zeker nooit kunstlessen gehad. Zij: Jawel, maar in Europa zijn die anders dan in de VS. Hoe heet deze periode volgens jou? Hij: De Blauwe periode. Ze komen nog een paar harlekijns tegen en een paar Parijse straten. Daarna duiken ze de boekhandel in. Zij: En? Heb je ervan genoten? Hij: Enorm. Ze halen hun schouders op. Hun ziel stond er die middag niet voor open.

In: Kunst en cultuur — @ CP 24/09/2007

Interview

Het blad waarin het interview verscheen, is inmiddels failliet, maar de tekst is hier te lezen.

In: Nieuws — @ CP 20/09/2007

Meedogenloos

Tien minuten te vroeg neem ik mijn positie in aan het begin van het platform, met mijn rug naar een ijzeren pilaar gekeerd en mijn gezicht naar de lege rails. In mijn handen een roman van Kundera.
Ik lees over de jongen Jaromil, die dichter is en zijn moeder voor het eerst iets van zijn werk in handen geeft. Een gedicht moet gelezen worden, opdat het een leven leidt dat losstaat van de auteur. De moeder leest de gedichten en huilt. Ze begrijpt ze niet.
Als ik van mijn boek opkijk, is de Thalys al binnengereden en lopen groepjes mensen me voorbij. Ik kijk om me heen – zij is er nog niet.
Voor me vallen twee vriendinnen elkaar ongedwongen in de armen. Ze wisselen kussen uit, kijken elkaar stralend aan en gooien zich opnieuw in een omhelzing. ‘Dat ga ik straks ook doen,’ denk ik, om haar te laten weten hoe welkom ze is en hoe lief ik haar heb. Nog geen seconde later besef ik, dat het weerzien juist door die gedachte zal mislukken. Je kunt je niet voornemen iemand spontaan in de armen te vallen. Als ik haar nu omhels, is het gecalculeerd en die onechtheid zal de betekenis van het gebaar verdraaien.
Dan verschijnt ze, een te zware rugzak op haar breekbare gestel – zo zie ik haar in gedachten vaker, een fragiel meisje dat te veel op haar schouders neemt en de last van het leven met een trotse frons draagt. En dat beeld roept in mij altijd het verlangen op haar te verwennen, te verwarmen, al weet ik heel goed dat het meisje dat ik tien jaar geleden in Montpellier ontmoette, een volwassen vrouw is geworden, die mijn liefde helemaal niet nodig heeft.
We kussen elkaar op de wang en ik probeer haar te omhelzen, wat mislukt door de grote rugzak, die me op afstand houdt en die ik niet van haar mag overnemen. ‘Ik draag mijn eigen zooi,’ zegt ze glimlachend.
In de metro voel ik de vertwijfeling die ik altijd vrees en zelden uitblijft. Wie is zij? Wie ben ik? Waarom zijn wij samen? Het antwoord, dat we het waarderen in elkaars gezelschap te zijn, elkaars gedachten te horen, lijkt ineens onvoldoende, maar hoe langer ik naar een verklaring zoek, hoe meer ik haar van me verwijder. Over sommige dingen moet je niet denken.
Op het terras van Les Philosophes drink ik mijn vervreemding weg. Zodra ik me ontspan, houdt de tijd op te bestaan, vallen dimensies weg en zijn er alleen nog woorden. Woorden die als speldeprikken en liefkozingen herinneringen oproepen en ideeën wakker maken. Ik luister en praat en geniet van de uitwisseling, zonder me af te vragen waarom ik hier nu juist met deze vrouw tegenover me zit.
De dag erna ontvluchten we de regen in boekwinkel en bioscoop. De film ‘Das Leben der Anderen’ inspireert een urenlang gesprek, waarbij we onze blaas voller voelen worden en we toch geen plaspauze nemen, bang het moment kwijt te raken. Het moment raken we alsnog kwijt wanneer ik het probeer te benoemen. Over sommige dingen moet je niet spreken.
Maar vlak voor ik het moment benoem en de strakke, voelbare lijnen tussen ons verslappen, hebben we het over mijn schrijven en over mijn kleine publiek van familie en vrienden, een publiek dat mij in werkelijkheid nooit corrigerend toespreekt over wat ik wel of niet mag schrijven, maar wat mij in gedachten een grens geeft, waar ik niet overheen mag gaan. Ik beperk mezelf uit angst voor wat mijn kleine publiek van mijn bekentenissen zal vinden. Ik ben niet bang voor recensenten, redacteuren of anonieme lezers, ik ben bang om mijn naasten te kwetsen, in verwarring te brengen, te shockeren. Ik ben bang dat zij uiteindelijk inzien, wat ik allang weet: dat ze me niet kennen, dat ze niet weten wie ik ben.
En die angst is dodelijk voor een schrijver.
Zij zegt het en ik weet het. Dat Jaromils moeder zijn gedichten niet begrijpt, weerhoudt Jaromil er niet van ze te schrijven. Ik moet meedogenloos zijn en dat besef maakt me kwetsbaar.
Ik stel me voor wat zij ziet, nu ze naar me kijkt: een fragiel meisje, dat te veel op haar schouders neemt en de last van het schrijven met een wrange glimlach draagt.

Naschrift.
Een half uur nadat ik bovenstaand stukje had geschreven, in mijn moleskin, op weg naar Dallas, op weg naar LA, las ik in ‘Les Inrocks’, een weekblad voor bobo’s die geen bobo willen zijn, een artikel over autofiction, een genre dat in Frankrijk al decennia bestaat en nog steeds erg populair is. Het is te vergelijken met autobiografisch schrijven, maar autofiction ligt nog dichter bij de realiteit en laat tegelijk meer verbeelding en fictie toe. Autofiction toont de beleefde werkelijkheid in plaats van de werkelijkheid zoals hij door anderen kan worden waargenomen. De verdraaide voorstelling kan ‘meer waar’ zijn dan de platte realiteit, omdat het toont hoe de schrijver betekenis geeft aan wat hem of haar overkomt.
In het artikel wordt Nancy Huston geciteerd (van wie ik hiervoor nog nooit had gehoord). Ze zegt: ‘Il n’y a pas d’écriture sans liberté totale. Cette liberté peut impliquer […] une indifférence vis-à-vis des sentiments de ses proches. Beaucoup d’écrivains sont sans parents et sans enfants, parce que ça libère l’imaginaire.’ (Zeer vrij vertaald: ‘Je kunt niet schrijven zonder vrijheid. Vrijheid betekent onder andere dat je onverschillig moet zijn voor de gevoelens van je naasten. Veel schrijvers hebben geen ouders en geen kinderen, omdat dat hun verbeelding bevrijdt.’)

In: Het alledaagse leven — Tags: — @ CP 15/09/2007

Realiteit overtreft fictie

Als ik in een roman zou laten gebeuren, wat er vandaag in Oeljanovsk gebeurt, zou niemand me geloven. En toch moest ik bij het lezen van dit bericht onmiddellijk aan de Russische absurdisten denken. Fictie voedt de realiteit en andersom.

In: Kunst en cultuur — @ CP 12/09/2007

Santa Monica (3)

Op tien minuten lopen van het hotel lag zowel een Borders als een Barnes&Noble. Twee vrijwel identieke boekenmekka’s. Juist omdat ik met kerstmis van mijn strenge Christelijke schoonouders nooit in B&N mag winkelen, vanwege het feit dat deze keten ooit een boek verkocht dat als pornografisch werd bestempeld en door een rechter uit de handel werd gehaald, ga ik bij deze zogenaamd verdorven boekhandel naar binnen. Het aanbod op de tafel toont, dat chicklit uitermate populair is in LA. Zonder iets te willen zeggen over de inhoud: de titels en covers zijn weinig origineel.

Op mijn werkplek in het hotel, waar ik aan mijn derde roman werkte met de titel, nee, die verklap ik nog niet, uit angst dat hij gestolen wordt voordat het boek verschijnt, dacht ik niet aan gouden jurkjes of blote benen, maar aan betonhamers en behangtafels. Ja, mijn derde roman wordt vast heel sexy.

Het uitzicht vanuit de hotelkamer zag er zo uit:

Toch was het nog niet zo makkelijk om ’s morgens voor het ontbijt alvast even een duik te nemen. Je moet namelijk eerst het klif af…

en vervolgens de Pacific Coast Highway oversteken..

om uiteindelijk op het strand te komen.

Google hoofdkantoor!

Wie geen zin heeft om door de Houskeeping gestoord te worden,
mag onderstaand aaibaar bordje aan de deur hangen.

Santa Monica - I’ll be back.

In: Het reizende leven — @ CP 06/09/2007

Santa Monica (2)

Omdat D. in alles een estheticus is en een genotszoeker, houdt hij alleen van dure hotels, dure flessen wijn en dure kleding. Als hij mij Santa Monica laat zien (of New York of Miami), toont hij dus alleen het beste van het beste. Dat je ook kunt genieten van lelijke en goedkope dingen, begrijpt hij niet. ‘Daar neem je nu genoegen mee,’ zegt hij, ‘omdat je je niet alles kunt veroorloven, maar als je rijk was, zou je er niets meer om geven.’
Daar ben ik niet zo zeker van. In het welgestelde en schone Santa Monica ben ik soms juist op zoek naar lelijkheid en sleeziness. Vandaag kon ik mijn hart ophalen, want ik bezocht een vies en vervallen motel, at een hotdog op de supertoeristische pier en kocht een tweedehands T-shirt in Venice Beach, waar hippies, daklozen, verslaafden en toeristen vreedzaam samenleven. Ik was bovendien nog getuige van de arrestatie van een drugdealer. Als je die dingen dagelijks doet en meemaakt, verliezen ze hun glans, maar zo is het ook met luxe restaurants. Na avonden lang witte tafelkleden en beleefde knikjes, snak ik naar een goedkope Mexicaan, waar je met goed fatsoen van slechte margerita’s dronken wordt en keihard mag lachen.

In: Het reizende leven — @ CP 02/09/2007