Hoe langer ik uit Nederland weg ben (inmiddels al tien jaar), hoe meer ik romans waardeer die met ongebruikelijke woorden strooien. Alles om mijn eigen woordenschat op peil te houden, denk ik.
Uit het boek Suikerspin van de Vlaming Erick Vlamick tekende ik de volgende prachtige reeks op: maniakken, serpenten, aankwakkelen, middenstandersgezicht, sukkelaar, driest, mismeesteren, schuinmarcheerder, spektakelattributen, lampions, gootvolk, kaliber, lamentabel en reutemeteut. Om je vingers bij af te likken.
Op mijn bureau wordt de stapel boeken steeds hoger. Zeker sinds ik mezelf de regel heb opgelegd om de boeken die ik graag wil lezen daar te laten liggen tot ik ze gelezen heb.
Onderaan ligt Don Quichot, waarin ik zes maanden geleden ben begonnen. Ik vond het natuurlijk een prachtige roman in een prachtige vertaling (van Barber van de Pol), maar blijkbaar is het geen boek om in een keer uit te lezen; in het tempo waarop ik nu lees, zal het pas over zes maanden naar een kast verhuizen.
Boven Don Quichot liggen drie boeken die ik in de afgelopen maanden cadeau heb gekregen: Hemelse Golven van Pearl Abraham, En de Liefde van Joke Hermsen en The Master and Margarita van Mikhail Bulgakov. Ik kan ze geen van drieën in verband brengen met de roman die ik op dit moment zelf aan het schrijven ben en daarom zijn het goede kandidaten voor mijn lectuur tijdens de laatste fase.
Maar daar bovenop liggen weer de nieuwe werken van David Mitchell en Jonathan Franzen – romans waarin ik gisteren al had willen beginnen, maar die ik van mezelf nog niet mag openen, omdat ik twee andere boeken, Ton Lemaires De val van Prometheus en Geert Maks De eeuw van mijn vader nog niet uit heb.
Er staat mij dit weekend dus maar een ding te doen: lezen, lezen en nog eens lezen. Heb ik überhaupt nog tijd om te schijven?
Met de administratie achter de rug en de zon buiten de deur, verliet ik vanmiddag mijn huisje op zoek naar Parijs. Een stad moet je, net als de natuur, welwillend tegemoet treden denk ik. Een huis aan de rand van het dorp waardeer je ook pas wanneer je lange wandelingen maakt, over weilanden naar de horizon staart en naar de vogels luistert.
Mijn eerste stop was in de Jardin du Luxembourg waar ik een crêpe at onder de bomen en naar de voorbijtrekkende toeristen keek. Mijn favoriete plaatje van de welopgevoede kinderen die rondom de fontein met zeilbootjes speelden, was vandaag helaas vervangen door een chaotische film vol jengelende en rondrennende schoffies.
Via de boulevard Raspail liep ik naar mijn volgende stop: Cimetière Montparnasse. Lang niet zo mooi als de begraafplaats in het Noordoosten van Parijs (Père Lachaise) en toch een fijne plek om te vertoeven. De melancholische rust die er hing, deed me goed, maar het idee dat ik me het meest thuis voelde waar de doden rustten, zat me dwars. Ik was jong: ik moest van de levende stad genieten!
Op weg naar huis nam ik me voor om de websites van mijn favoriete musea te bezoeken en te zien welke exposities ik in september niet wilde missen. Onwillekeurig wierp ik een blik in de etalage van een ‘dégriffé’ en verdomd: daar hing een heel aardig jasje. Nu moet er wel meer dan een ‘aardig jasje’ in een winkel aanwezig zijn om iemand die in principe niet van winkelen houdt naar binnen te kunnen lokken, maar toch ging ik overstag: om mijn zeer modegevoelige echtgenoot te verrassen, zou ik mijn herfstgarderobe alvast een update geven. Een uur later stond ik met een volle tas weer buiten. Bonjour Paris!
Terug in Parijs. Met rekeningen die betaald moeten worden en veel georganiseer. Verstoten uit het schrijversparadijs sta ik weer midden in het moderne leven.
Op weg naar een winkel passeer ik Rue de Vaugirard, die in mijn afwezigheid nog drukker en lawaaieriger is geworden. Ik mis de John Deers die op de Nesdijk langstrekken en de vintage cabrio’s die mij op de provinciale wegen langzaam voorbij rijden.
De stad versus het dorp; de voordelen van de stad moeten zich nog aan me onthullen.
Hoe cru kan het leven zijn?
Het is drie jaar geleden dat je Michael, een van je beste vrienden, hebt gezien. Tijdens een eerdere periode in je leven is hij een surrogaatvader voor je geworden en hebben jullie veel samengewerkt. Hij is ook muzikant, een beroemde zelfs, en jullie delen humor, rock’n roll en moeilijke karakters.
Je schreef een scenario met hem en maakte de eerste opnames van zijn zoon, die inmiddels in een zeer succesvolle band overal ter wereld optreedt. Fijn voor de zoon natuurlijk, maar toen jij twee jaar geleden trouwde en Michael als getuige wilde vragen, was hij op toernee met diezelfde band. Je zag elkaar wanneer het kon – na een concert in Parijs, op doorreis in Duitsland, op je enige vrije dag in L.A.
Eindelijk komt de band van de zoon weer eens naar Nederland – twee concerten in Utrecht en Zwolle en jij hebt een vrouw die in Bergen verblijft; eindelijk zullen jullie elkaar weer zien. Maar er is nog een festival in België, twee dagen daarvoor, en daar krijgt Michael een fataal hartinfarct.
Mijn man en ik komen net terug van vierentwintig uur Londen waar we samen met de zoon en een besloten groep vrienden Michael hebben herdacht door in zijn favoriete Indiase restaurant te eten, om zijn favoriete stand-up comedian te lachen en daarna zijn favoriete whisky te drinken.
Michael; ik ken je vooral uit verhalen en had graag de tijd gekregen om naar jou te luisteren. Je surrogaatzoon zal je vreselijk missen.
Het hoeft niemand te verbazen dat er veel boeken in dit huis aanwezig zijn. De volledige werken van Adriaan Roland Holst natuurlijk, maar ook Franse pockets en Engelse hardbacks, uit de collectie van de dichter neem ik aan. Daarnaast is er een keur aan Nederlandse literatuur, waaronder veel dichtbundels die deels in dit huis zijn geschreven. Omdat ik doorgaans weinig poëzie lees, heb ik mezelf voorgenomen iedere dag een bundel open te slaan.
Vanmorgen las ik in Een winter aan zee van Adriaan Roland Holst, achtregelige verzen met referenties aan dag en nacht, hart en ziel, Troje en natuurlijk de wolken en de zee. Ik durf niet te beweren dat ik de gedichten doorgrond – wellicht gaat er veel symboliek aan me voorbij – maar ik geniet van zijn woordkeus en frasen, zoals:
‘Geen onderwolkse klokken / luiden meer nu de wacht / door doden wordt betrokken.’
En:
‘leeg winterlicht doorschittert / de blik der eenzamen.’
Of eenvoudiger, maar zo geestig:
‘Eenzelvige uren lang / volgde ik oude duinpaden / in lang niet meer in zwang / zijnde gedachten.’
Vanmiddag ga ik zelf de duinen in!
Verdwaasde toeristen in korte broeken sjokken over de boulevards. In hun hand een flesje lauw water en een plattegrond. Teleurgesteld vegen ze het verstofte zweet van hun voorhoofd. De schoonheid die hen is beloofd verschuilt zich achter de hitte van het asfalt. Geen parfum stijgt uit boven de urinegeuren en het in de zon gefermenteerde vuilnis. Iedere zeebries ontbreekt.
Banketbakkers, schoonheidsspecialisten en boetiekeigenaren laten hun rolluiken neer en sluiten hun winkels voor minimaal een maand. Het aanzien van residentiële wijken is desolaat. Réouverture fin août. Wanneer het leeuwendeel van de klandizie op vakantie is, kun je maar beter hun voorbeeld volgen. De winkeliers die blijven, zitten zuchtend met een sigaret op de stoep in de hoop op een vriendelijk woord.
De zakenlui en bureaucraten die nog niet naar het Zuiden zijn gevlucht, waar hun landhuis met zwembad op hen wacht, nemen extralange lunchpauzes in de weinige restaurants waar een airco blaast. Werktijden zijn altijd relatief. Openingstijden en bereikbaarheid dus ook. De bewoners van de banlieues die zich een vertrek niet kunnen veroorloven, komen de binnenstad in en strekken zich uit op de oevers van Paris Plage. Volgens de burgermeester is het water van de Seine weer schoon genoeg om in te zwemmen.
Door de verlaten straten van het zevende arrondissement, die doorgaans bevolkt worden door diplomaten en ambtenaren, loop ik van mijn atelier nabij Saint Placide naar het Institut Néerlandais aan de Rue de Lille. Ik werk er vaak om aan de stem van mijn echtgenoot te ontkomen, die via allerlei kanalen met zijn creatieve partners in Londen, Stockholm en LA communiceert. De bibliotheek van het instituut, die op drukke dagen zo’n vijf bezoekers telt, is leeg. Het raam staat open, al is er geen luchtstroom om verkoeling te brengen. Alleen de verkeersgeluiden van Saint Germain glippen naar binnen.
Bij gebrek aan concentratie verplaats ik mij in gedachten naar andere delen van de stad waar vast en zeker lange rijen staan. Voor de musea en de Notre Dame. Voor de bioscopen en de Eiffeltoren. Er is te weinig schaduw om alle belangstellenden te kunnen beschermen. Slimmeriken zoeken daarom een terras op onder de bomen totdat de zon achter de hoge huizen is verdwenen. Zij slaan hun slag bij het Louvre op avonden dat de galerieën er tot negen uur ’s avonds geopend zijn.
Ik staar nog eens uit het raam en tel de dagen tot ik naar Nederland vertrek. De hele maand augustus zal ik in het Roland Holst Huis verblijven in Bergen om te werken aan mijn vierde roman die diep in de Hollandse polder speelt. Ik verlang naar de duinen, de Noordzee, de bossen. Parijs is een wereldstad, een lichtstad, een flaneerstad, ja, een prachtstad is het. Maar Parijs in de zomer is niet mijn favoriet.
Deze column is geschreven voor de website van Caspar Visser ‘t Hooft, auteur van enkele verhalenbundels. Zijn debuutroman ‘Koningskinderen‘ verschijnt in de herfst van 2010.
Een goed leven leiden is niet gemakkelijk. Zeker niet omdat het woord ‘goed’ zowel een kwalitatieve als een ethisch verantwoordelijke component heeft.
Volgens Plato zijn die componenten aan elkaar gelijk. Wie aan lage lusten toegeeft, verziekt zijn ziel en raakt blind voor de Ideeën. Alleen met een zuiver geweten, kun je gelukkig zijn. Tegenwoordig geloven we meer in de uitspraak: ‘Brave meisjes komen in de hemel, brutale overal.’ Wie niet aan lage lusten toegeeft, laat het leven aan zich voorbij gaan.
Als vrij burger van een comfortabel land, dat met een geschiedenis van slavernij ook tegenwoordig nog noodlottigen exploiteert (zij het dan wat minder zichtbaar), is mijn besef van schuld behoorlijk ontwikkeld. En daarom ben ik (met vele anderen) uiterst gevoelig voor informatie die deze schuld kan verlichten. Of het nu gaat om hardhout van het Amazone gebied, wassen op dertig graden, proefdiervrije cosmetica of Max Havelaar bananen: ik weet wat de ‘goede’ optie is. En meer nog: meestal is die optie ook goed voor mij, of in ieder geval voor mijn gemoedsrust. Omdat het ethisch juiste niet in strijd is met de kwaliteit van mijn leven, is de keuze eenvoudig gemaakt.
Anders wordt het als ik naar mijn reizen kijk of naar mijn sportschoenen. Ik zou niet (of in ieder geval minder) moeten vliegen. Maar ik wil de hele wereld zien. Ik zou geen producten moeten kopen van merken die geen menswaardige fabrieksomstandigheden kunnen garanderen. Maar vrijwel alle sportschoenen komen uit Azië en vrijwel alle merken komen ethische problemen tegen in hun productieproces. Dus ik knijp een oogje toe en ik zeg: ik rijd geen auto, dus ik mag meer vliegen. En ik hoef alleen fairtrade kleren te kopen als die in de buurt beschikbaar zijn. Ergens vind ik de balans.
Maar wat als je niet weet dat je gedrag ‘verkeerd’ is? Diamanten zijn al jaren een No-Go-Zone, dat wist ik. (En wie dat niet weet kan de film Blood Diamond bekijken of deze site bezoeken.) Maar vanmorgen hoorde ik voor het eerst de woorden Conflict Minerals. Had ik liggen slapen? Heb ik de boodschap bewust niet willen horen? Sinds wanneer is mijn mobieltje een soort diamant geworden? Is het mijn verantwoordelijkheid altijd van alles op de hoogte te zijn? Onmogelijk. Maar nu ik het weet, ga ik dan deze zomer geen iPad kopen? Of geloof ik stiekem dat ik geen enkele invloed heb op de oorlog in Congo?
Een goed leven leiden is niet gemakkelijk.
De garnalen die te klein waren bevonden voor de barbecue gebruikten mijn broer en ik om krabben te vangen. Met een stuk naaigaren, een tak en een houten wasknijper maakten we onze eigen hengels. Een paar minuten nadat we de wasknijper met het garnalenaas in het water hadden laten zakken, kropen de eerste Zeeuwse krabben al onder hun steen vandaan. Alvorens de buit binnen te halen, wachtten we totdat de krab zich op de wasknijper had genesteld en aan zijn maaltje was begonnen. Krabben die in hun lift naar de oppervlakte loslieten, vingen we in een netje op.
Zodra we er genoeg hadden, vroegen we kinderen in de buurt om een blik in de emmer te werpen en een favoriet te kiezen. Het was tijd voor de race. Vervolgens kieperden we de emmer op de steiger om en keken we vol bewondering naar de krabben die zich naar hun habitat haastten. De eerste die in het water plonsde had gewonnen. Wat wij konden vangen, lieten we vrij.
Wat je kunt vangen, mag je opeten. Met die boodschap overhandigde mijn vader me een netje en een emmer, al wist hij heel goed dat ik van garnalen griezelde. Misschien had ik ze toen al best lekker gevonden als ik ze geproefd had, maar wat je levend afstoot wil je ook dood niet in je mond.
Daar stond ik dan in het kniehoge water van de Grevelingen met het netje in mijn handen en de emmer op de steiger. Mijn broer had al een portie gevangen. Voor mij bleven de beestjes te snel, totdat ik leerde juist heel stil te staan en de garnalen mijn netje in te praten.
’s Avonds op de barbecue roosterde mijn vader onze buit. De trots die dat gaf, hem te zien genieten van iets dat wij hadden opgevist! Wat wij konden vangen, mocht hij opeten.