Brief aan mijn jongere zelf (1)

Boekenweek 2010
Titaantjes - Opgroeien in de letteren.

Lieve Claire,
Waarom zit jij daar op je knieën op de grond voor je bed met je handen in elkaar gevouwen en je hoofd gebogen? Je prevelt de woorden ‘alsjeblieft’ en ‘laat het ophouden’, omdat je dat in films hebt gezien, al heb je geen idee tegen wie je het hebt. Baat het niet, dan schaadt het niet, moet je gedacht hebben, maar je vergist je, want jouw panische knieval heeft mij een levenslange schaamte opgeleverd.
Het is misschien wat veel om dat nu allemaal bij jou neer te leggen. Jij bent nog een kind dat de vrijheid zou moeten krijgen om naïef te zijn. Je weet alleen net als ik dat jij je onschuld al bent ontgroeid. Want waarom verlaag jij je alleen op je kamer achter gesloten deuren? En waarom staat er over deze praktijken geen enkele passage in ons dagboek? Ik geloof dat jij je ook nu al schaamt voor wat je doet. Dat jij af en toe op je knieën valt, is jouw geheim. Een geheim dat later uitlekt, want je houdt er geen rekening mee dat ik alles zie en niets vergeet.
Je bent nog maar een paar keer in je leven in een kerk geweest, met Pasen bijvoorbeeld toen je bij die religieuze oom logeerde, en de enige oma die je wel eens ‘Amen’ hebt horen zeggen, bidt al jaren niet meer voor de maaltijd. En toch lijkt het jou een goed idee om tijdens de heftige ruzies die beneden je plaatsvinden je handen samen te vouwen en te vragen om rust.
Ben ik boos op je? Teleurgesteld? Jij bent in ieder geval niet tevreden met jezelf, want van halfslachtigheid en hypocrisie moet je niets hebben. Je gelooft niet dat het werkt en toch probeer je het. Dat kan alleen maar onmacht zijn. Maar de onmacht is helaas niet groot genoeg om de schaamte tegen te houden.
Nee, ik ben niet boos op je. Ook volwassenen doen gekke dingen. Neem alleen van mij aan, dat je niet gelooft, en dat je daar niet aan hoeft te twijfelen. Hoe eerder je dat accepteert, hoe beter.
Tot zover en liefs, CP

In: Het literaire leven — @ CP 10/03/2010

Brief aan mijn latere zelf

Boekenweek 2010
Titaantjes - Opgroeien in de letteren.

In april 1984 kreeg ik een dagboek van mijn vader cadeau. Hij had het op een van zijn zakenreizen voor me gekocht. De dag erna begon ik met schrijven, over zwemles, kezetrekorders en knutselmidagen die me verveelden. Spellen kon ik nog niet zo goed.
Aan de binnenkant van de kaft heb ik tweemaal mijn naam geschreven met daaronder twee verschillende adressen. Ik moet dat precies een jaar later gedaan hebben, want mijn ouders zijn pas in het voorjaar van 1985 gescheiden.
Wist mijn vader dat de scheiding op handen was en wilde hij me een middel geven om dit te verwerken? Of zag hij enkel een roze boekje liggen dat zijn dochter vast mooi zou vinden? Ik kan het hem niet meer vragen. Zeker is dat het dagboek mij geholpen heeft greep te houden op de realiteit, die door het intrede van nieuwe partners spoedig pijnlijk en ingewikkeld zou worden.

Dit eerste dagboek, dat tot 1992 loopt, heb ik vaak herlezen. Uit nieuwsgierigheid en vermaak, om te zien hoe ik veranderd ben. En ik verbaas me er iedere keer weer over hoe herkenbaar ik ben gebleven. De woorden brengen me haast zonder breuk terug naar het meisje en de gevoelens en situaties die zij beschrijft. Ik weet daardoor dat wat ik schreef lang niet altijd de waarheid was, dat ik ook toen al mijn fantasie gebruikte om schaamtevolle gebeurtenissen tot plezierige herinneringen om te buigen en eufemismen inzette om taboes op papier te vermijden.
Een willekeurige lezer zou mijn vroegere boodschappen kunnen ontcijferen, zonder ooit zeker te zijn van wat ik bedoelde. Alleen ik, zoals ik nu ben, weet wat er werkelijk staat. Misschien is mijn dagboek dus niets anders dan een lange brief aan mijn latere zelf met het verzoek de dubbelzinnigheid van mijn jeugd niet te vergeten.
‘Met mij gaat het prima’, staat er vaak. Natuurlijk, want met mij gaat het ook nu nog altijd prima.


In: Het literaire leven — @ CP 09/03/2010

Mores

Deze week haalde ik een boek uit de bibliotheek van het Institut Néerlandais: Hoe hoort het eigenlijk in Nederland? Het is een boek voor mensen die willen inburgeren, maar ik kan het iedereen van harte aanbevelen, want de mores van ons volk zijn zeer vermakelijk.  Een paar voorbeelden:

“Een groot deel van alle Nederlanders ouder dan twaalf jaar blijkt de maaltijden wel eens te prakken en een deel doet dat zelfs vrijwel elke dag.”

“Als mensen zitten terwijl men ze een hand geeft staan ze meestal niet op, maar maken hooguit een beweging alsof ze dat wel van plan zijn.”
(Iemand op Facebook vroeg zich daarbij af of het boek ook vermeldde dat Nederlanders vaak “hehe” zeggen als ze net zijn gaan zitten.)

“Hollanders hebben niet de gewoonte om, geconfronteerd met een probleem, zo’n probleem op te lossen. Wij stichten liever een commissie en die commissie, ook niet lui, formeert terstond een subcommissie en daarna gaan allen naar bed met het besef dat er toch iets gebeurd is.”
(Deze laatste was van Godfried Bomans)

In: Het alledaagse leven — @ CP 05/03/2010

Filosofie Scheurkalender 2010 (7)

‘Wij begonnen pas te functioneren in tijden van oorlog. Wij waren gemaakt voor de waanzin. Eigenlijk kwamen wij, moeder en haar zonen, pas tot leven als de noodtoestand was afgekondigd.’ (Jaap Scholten, De wet van Spengler, 2008)

Het gezin waarin we opgroeien, blijft voor ons vaak een raadsel. Vader, moeder en kinderen spelen allemaal een rol en stemmen hun gedrag op elkaar af. Maar omdat die dynamiek vanaf je geboorte aanwezig is en zo vanzelfsprekend lijkt, blijft hij vaak onzichtbaar. Totdat we na een periode van niet-samenzijn weer bij elkaar komen. Voor een veertigjarig huwelijk. Een laatste grote Kerst. Een ziekte en naderende dood van een van de gezinsleden.
In zijn ontroerende roman De wet van Spengler beschrijft Scholten een gezin van zonen en wat er met de hoofdpersoon en zijn broers gebeurt als de oudste van hen een hersentumor blijkt te hebben. Jarenlang hebben ze langs elkaar heen geleefd en weinig interesse in elkaar getoond, maar nu het erop aankomt, vormen ze een hecht gezin. Ze maken de hen vertrouwde grappen en staan op ieder uur van de dag voor elkaar klaar. Langzaam dringt het tot de hoofdpersoon door dat de aanwezigheid van nood en drama altijd al de onderliggende bindingsfactor is geweest.
Sommige families floreren bij geluk. Anderen bij de dood.

In: Nieuws — @ CP 04/03/2010

Oponthoud

Als schrijver heb ik het recht me uit de wereld terug te trekken om me te concentreren op mijn werk. Tegelijk voel ik de plicht met de wereld in contact te staan omdat schrijven anders wel heel solipsistisch kan worden. De balans tussen me terugtrekken en in contact staan heb ik nog niet gevonden.
Vanmorgen bijvoorbeeld. Vol goede moed ga ik op weg naar het Institut Neerlandais om daar in de bibliotheek te schrijven, maar halverwege het 7e arrondissement mag ik niet verder. Op kruispunten wordt het verkeer door agenten geregeld, gewapende wachten staan op iedere hoek, boven mijn hoofd cirkelen helikopters, busjes van de gendarmerie staan op de stoep en overal klinken sirenes.
‘Il y a un problème?’ vraag ik in al mijn naïviteit.
Een agent geeft me een kort en nors antwoord. Er blijkt een cordon aan te komen waarvoor de halve wijk is afgezet en ik durf niet te vragen voor wie of waarom. Ik zal het vanavond wel weer in de krant kunnen lezen.

In: Het alledaagse leven — @ CP 02/03/2010

Filosofie Scheurkalender 2010 (6)

‘Romanciers die intelligenter zijn dan hun werken, zouden een ander beroep moeten kiezen.’ (Milan Kundera, De kunst van de roman, 1990)

Kundera houdt niet van massamedia die met pasklare ideeën ons denken afstompen en auteurs in het spotlicht zetten in plaats van hun romans. Auteurs kunnen volgens hem het beste proberen achter hun oeuvre te verdwijnen, want anders lopen hun romans het gevaar niets meer te zijn dan aanhangsels van de schrijver.
En volgens Kundera is het eerder andersom: een auteur is een aanhangsel van zijn romans. Tijdens het schrijven luisteren romanciers namelijk naar een andere stem dan die van hun eigen persoonlijkheid. Ze luisteren naar een bovenpersoonlijke wijsheid die hen inspireert. Het verklaart waarom romans bijna altijd intelligenter zijn dan schrijvers. Auteurs die boven hun werken blijven staan, zouden een ander beroep moeten kiezen.

In: Filosofie — @ CP 01/03/2010

Redacteur

Gisteren was ik voor een dag redacteur. Of script doctor zoals het in het jargon van mijn scenario schrijvende Amerikaanse echtgenoot heet.
De producent die het project meer dan een jaar geleden tekenende, was niet  tevreden over de nieuwe versie van het script en stuurde de schrijvers naar huis met het verzoek er nog eens naar te kijken. Vragen om gerichter commentaar leidde tot de reactie dat er iets niet klopte en er iets niet lekker liep, maar wat dat precies was moesten de schrijvers zelf maar uitzoeken. Frustratie alom.

Uiteraard stelde ik voor het een keer kritisch te lezen - ik beloofde geen wonderen, maar kon allicht proberen mijn vinger op dat ‘iets’ te leggen. Het was de eerste keer dat ik een volwassen scenario van een ander onder handen nam en ik moet zeggen: dat viel niet mee. Want ik voelde vrij snel wat er scheef zat en waar, maar het was niet eenvoudig dat in begrijpelijk termen uit te leggen aan de man die met hele andere ogen naar zijn personages en scènes keek. Al met al een ervaring om te herhalen.

In: Het alledaagse leven, Het literaire leven — @ CP 26/02/2010

Ocean Front Property

A building on our street is being demolished the French way. Meaning: the façade stays untouched while the floors and walls behind it get destroyed, which takes them months. For a while now, we have been woken up by the noise of rubbish thrown down some large funnel tube from the fifth floor into a container on the ground.
‘I can’t take it anymore,’ I said one morning, ‘It’s like a war zone.’
My husband smiled. ‘I hear it as waves crashing on the shore.’
It helped.
But this morning we had to deal with a whole bunch of fireworks. First there were some low pitched sounds.
‘The ocean steamer is docking,’ my husband said.
Than several  high pitch sounds followed.
‘A beached whale,’ he offered, ‘And a ship in distress, fog horn.’
Finally a cacophony broke loose and I looked at him, wondering if he could save us.
‘Traffic jam in the harbor,’ he said without flinching. ‘It’s the down side of Ocean Front Property.’

In: Het alledaagse leven — @ CP 24/02/2010

Point Omega

point-omega3Er zijn weinig auteurs op wiens boeken ik zit te wachten. Meestal lees ik romans die al een poos in mijn kast staan of die ik toevallig in een boekhandel oppak. Maar zodra ik hoorde dat er een nieuwe Delillo zou verschijnen, hield ik de publicatiedatum in de gaten en sinds ik begreep dat het over tijd zou gaan, heb ik smachtend gewacht tot ik het kon lezen.

Point Omega is qua omvang een novelle, al is het qua diepgang ruimschoots een roman. In 117 pagina’s weet Delillo diverse ideeën over onze huidige samenleving uit te zetten, te verwerpen en opnieuw te etaleren. De kritiek die het boek elders heeft gekregen, dat er te weinig verhaal is of dat de personages uitsluitend ideeën vertolken en nergens tot leven komen, vind ik onterecht. De personages zijn geen eenvoudige mensen die je op iedere straathoek tegen kunt komen, maar met hun summier en tegelijk kundig beschreven trekken zijn ze wel echt.

De roman begint en eindigt met een scène waarin een man naar een videotentoonstelling in een museum kijkt. De film Psycho van Hitchcock wordt er uiterst traag, in precies vierentwintig uur, vertoond. Alleen deze twee stukken, van samen minder dan dertig pagina’s, maken het boek al de moeite van het lezen waard. Ze staan ook zeker niet los van de rest, omdat de drie personages uit het hoofdverhaal deze tentoonstelling eveneens bezoeken en erover spreken: hoe zou ons leven zijn als we het als slow motion zouden kunnen beleven?
Het meedogenloze trage tempo van de film vereist een absolute alertheid van de bezoekers om aan dat tempo recht te doen.  ‘It takes close attention to see what is happening in front of you. It takes work, pious effort, to see what you are looking at.’ En die alertheid geldt ook voor het lezen van deze roman, want de traagheid van de film heeft zijn sporen in de vertelling van Delillo achtergelaten.

Het hoofdverhaal vindt plaats in een huis in de woestijn en draait om een ‘familie’ van drie personen; de conservatieve intellectueel Elster die de overheid adviseerde een Haiku oorlog te voeren met behulp van uiterst herhaalbare woordcombinaties die in het geheugen zouden kunnen blijven hangen als slogans; de rudimentaire filmmaker die deze intellectueel tegen de muur wil zetten en hem zonder vooropgezet plan wil laten spreken; en de in zichzelf gekeerde dochter van Elster die af en toe tegen vreemden praat.
Ze zijn samengekomen, omdat Elster de terreur van de stad wilde ontvluchten, hij de filmmaker als gezelschapsdier koos en de dochter door haar moeder verplicht afstand moest nemen van een mysterieuze man. In de stad, waar de minuten en uren met alles verweven zijn, was het voor Elster onmogelijk om het verstrijken van de tijd te vergeten. Alleen ver weg van het Nieuws en het Verkeer, vertraagt de tijd voor hem.
‘Time becomes blind. I feel the landscape more than see it. I never know what day it is. I never know if a minute has passed or an hour. I don’t get old here.’
En in deze blinde tijd, die uitnodigt tot reflectie, spreken de personages met elkaar en wisselen hun gedachten over het Point Omega zich af met meningen over het huwelijk of de oorlog. Het zijn gesprekken waarin ze zowel toenadering zoeken als zichzelf afschermen.

Maar uiteindelijk haalt de realiteit de filosofie in – het einde van het menselijk bewustzijn lijkt misschien dichtbij als we de wereld theoretisch benaderen. Als we met uiterste concentratie naar de werkelijkheid kijken, ligt het een miljoen jaar van ons af.
Ik sloeg het boek dicht met het verlangen naar meer. Delillo’s Point Omega is een van de meest intrigerende trage ervaringen die ik ooit heb beleefd.

In: Kunst en cultuur — @ CP 23/02/2010

Filosofiekalender 2010 (5)

‘De mens is zijn leed en zijn menselijkheid wordt bepaald door zijn verhouding ten opzichte van het leed van de anderen.’ (Marcel Möring, Lijdenslust, 2006)

Volgens Möring heeft de moderne mens geen zin meer om te lijden. Het leven is er om plezier te maken en geluk na te streven en lijden moet zoveel mogelijk vermeden worden. Dat anderen nog wel lijden, is een probleem dat met oogkleppen opgelost kan worden. Wat we niet zien, kan ons niet deren. Wij kunnen ons gelukkig wanen.
Maar wordt ons leven er beter van als we het lijden uitbannen? Volgens Möring niet. Zonder leed is een waarachtig leven niet mogelijk en kunnen we ons niet tot een ander verhouden. Lijden is nodig. Wie slapeloze nachten heeft om het noodlot van een ander, geeft die ander geen praktische hulp, maar een bereidheid om bij het leed van die ander stil te staan, creëert wel een verbondenheid tussen individuen. Het maakt ons wie we zijn: mensen. Het moderne leedvermijdende gedrag is dus niets anders dan een middel om steeds onmenselijker te worden.

In: Filosofie — @ CP 22/02/2010