Een goed leven leiden is niet gemakkelijk. Zeker niet omdat het woord ‘goed’ zowel een kwalitatieve als een ethisch verantwoordelijke component heeft.
Volgens Plato zijn die componenten aan elkaar gelijk. Wie aan lage lusten toegeeft, verziekt zijn ziel en raakt blind voor de Ideeën. Alleen met een zuiver geweten, kun je gelukkig zijn. Tegenwoordig geloven we meer in de uitspraak: ‘Brave meisjes komen in de hemel, brutale overal.’ Wie niet aan lage lusten toegeeft, laat het leven aan zich voorbij gaan.
Als vrij burger van een comfortabel land, dat met een geschiedenis van slavernij ook tegenwoordig nog noodlottigen exploiteert (zij het dan wat minder zichtbaar), is mijn besef van schuld behoorlijk ontwikkeld. En daarom ben ik (met vele anderen) uiterst gevoelig voor informatie die deze schuld kan verlichten. Of het nu gaat om hardhout van het Amazone gebied, wassen op dertig graden, proefdiervrije cosmetica of Max Havelaar bananen: ik weet wat de ‘goede’ optie is. En meer nog: meestal is die optie ook goed voor mij, of in ieder geval voor mijn gemoedsrust. Omdat het ethisch juiste niet in strijd is met de kwaliteit van mijn leven, is de keuze eenvoudig gemaakt.
Anders wordt het als ik naar mijn reizen kijk of naar mijn sportschoenen. Ik zou niet (of in ieder geval minder) moeten vliegen. Maar ik wil de hele wereld zien. Ik zou geen producten moeten kopen van merken die geen menswaardige fabrieksomstandigheden kunnen garanderen. Maar vrijwel alle sportschoenen komen uit Azië en vrijwel alle merken komen ethische problemen tegen in hun productieproces. Dus ik knijp een oogje toe en ik zeg: ik rijd geen auto, dus ik mag meer vliegen. En ik hoef alleen fairtrade kleren te kopen als die in de buurt beschikbaar zijn. Ergens vind ik de balans.
Maar wat als je niet weet dat je gedrag ‘verkeerd’ is? Diamanten zijn al jaren een No-Go-Zone, dat wist ik. (En wie dat niet weet kan de film Blood Diamond bekijken of deze site bezoeken.) Maar vanmorgen hoorde ik voor het eerst de woorden Conflict Minerals. Had ik liggen slapen? Heb ik de boodschap bewust niet willen horen? Sinds wanneer is mijn mobieltje een soort diamant geworden? Is het mijn verantwoordelijkheid altijd van alles op de hoogte te zijn? Onmogelijk. Maar nu ik het weet, ga ik dan deze zomer geen iPad kopen? Of geloof ik stiekem dat ik geen enkele invloed heb op de oorlog in Congo?
Een goed leven leiden is niet gemakkelijk.
‘De mens is het enige dier dat nadenkt over zijn toekomst.’ (Daniel Gilbert, Stumbling on happiness , 2005)
Volgens de Amerikaanse bestseller-psycholoog Gilbert belooft iedere psycholoog om ooit een zin te schrijven of uit te spreken die begint met ‘De mens is het enige dier dat…’.
In zijn boek Stumbling on happiness lost Gilbert voor zichzelf die belofte in: de mens is volgens hem het enige dier dat nadenkt over zijn toekomst. Andere dieren kunnen zich gedragen alsof ze rekening houden met de toekomst door bijvoorbeeld een wintervoorraad aan te leggen, maar in feite zijn ze alleen geprogrammeerd om noten te verzamelen zodra het daglicht in hun ogen afneemt. De mens kan somber raken door zich een afspraak met de tandarts te herinneren of glimlachen bij de gedachte aan de komende zomervakantie. Dat is wat de mens uniek maakt.
Begin juli vlogen mijn man en ik voor het derde achtereenvolgende jaar naar Ibiza.
Rond middernacht werden we vanaf het vliegveld in een jeepachtig voertuig genaamd Betsy opgehaald door MD, de chef en regelneef van Huize Henry. Hij reed ons linea recta naar KM5 waar een deel van de crew 2010 bij de orkabar op ons wachtte.
Omdat de villa waarin we logeren direct gelieerd is aan een opnamestudio, verblijven er ieder jaar andere muzikanten en songwriters. Dit jaar maakte ik kennis met een blonde krullenbol en Australiër, die zijn debuutalbum aan het opnemen was en met de Spaanse engineer die eerder achter de knoppen zat voor Michael Jackson. Verder liep er nog een Amerikaanse vriend van MD rond, die later in de armen zou belanden van de Russische Schone uit Zweden, die pas een week later zou arriveren. Te midden van dit zooitje ongeregeld dronken we onze eerste cocktails.
De avond zette de toon voor de rest van de vakantie, die overigens pas echt begon toen onze vrienden uit Stockholm en Rotterdam arriveerden. Overdag reden we met de Mini naar het strand, waar we onder de parasol lagen en zwommen in het kwallenvrije water van de Middellandse Zee. ’s Avonds aten we in de ons bekende restaurants en bestelden we onze favorieten van nimmer veranderende menukaarten: zeewiersalade bij Bambuddha, biologische salade bij La Paloma, vegetarische tapas bij Destino. En in de tussentijd hingen we op het terras voor het huis rond, zogenaamd om te roken en te wachten, maar toch vooral om te lachen en elkaar te leren kennen.
Wat me de eerste twee jaar zo gestoord had (de bevlooide katten, de stinkende handdoeken, de stapels vaat) bleek overkomelijk, want ik had ervoor gezorgd dat onze slaapkamer een deur kreeg en had eigen handdoeken en lakens meegenomen. En de vaat? Ach, als je niet in de keuken kwam, zag je niets en in de Spaanse hitte had je zelden honger.
Er waren nachten waarop we Rebeka Brown’s Disco Drama bezochten @ Amnesia en backstage met de dansers flirtten. En er waren nachten waarop de motor van Betsy het begaf en we, wachtend op een taxi, stijve nekken kregen van het turen naar de sterren. Daarnaast waren er dagen waarop we bij Sa Caleta gemasseerd werden, het Nederlandse team in een oranje gekleurde Blue Marlin van Spanje zagen verliezen, naar zonsondergang keken bij Es Vedra en giechelden door te veel Sangria de Cava.
Na mijn eerste verblijf op Ibiza beweerde ik: ‘Dit eiland is niets voor mij.’ Na mijn tweede bezoek vond ik dat we het jaar erop beslist ergens anders naartoe moesten. En nu hoop ik dat we er volgend jaar langer kunnen blijven dan twee weken. Na herhaaldelijke blootstelling aan Ibiza ben ook ik verliefd geworden.
‘Zoals zij het zag, waren er geen woorden om te benoemen wat er was gebeurd, er bestond geen gemeenschappelijke taal waarin twee verstandige volwassenen zulke gebeurtenissen aan elkaar konden uitleggen.’ (Ian McEwan, On Chesil Beach, 2007)
Wie de roman On Chesil Beach niet gelezen heeft, zou na het zien van dit citaat kunnen denken dat het over de holocaust gaat. Welke andere gebeurtenis is zo woordvreemd dat er niet over gesproken kan worden?
Het voorval, waaraan in dit citaat wordt gerefereerd, is een mislukte huwelijksnacht, een debacle dat tot een vroege scheiding leidt, omdat er niet over gesproken kan worden. In 1962, in Engeland was seksualiteit geen gespreksonderwerp. Seksuele verwachtingen en teleurstellingen werden in stilte gedragen.
Dat McEwan vijfenveertig jaar na dato een roman over deze problematiek kan schrijven, bewijst dat er veel is veranderd. De woorden die nodig zijn om over seksualiteit te spreken hebben zich aan het taboe onttrokken en zijn gangbaar geworden. Pas als woorden in het dagelijkse gebruik zijn doorgedrongen, kunnen mensen ze gebruiken om met elkaar te communiceren. En pas als men communiceert, kunnen individuele belevenissen tot één gedeelde ervaring leiden.
‘Ik ben tweemaal geboren: de eerste keer als een babymeisje, op een opmerkelijke smogloze dag in Detroit in januari 1960; en daarna opnieuw, als een tienerjongen, in een EHBO in de buurt van Petoskey, Michigan, in augustus 1974.’ (Jeffrey Eugenides, Middlesex, 2003)
Het leven is mysterieus, maar van een paar dingen denken we zeker te zijn: iedereen wordt één keer geboren en iedereen gaat één keer dood. Maar misschien is het niet zo simpel.
In deze Pulitzer Prijs winnende roman bewijst Eugenides dat het mogelijk is twee keer geboren te worden en stelt hij de vraag naar identiteit en sekse. Aan het begin van de eeuw worden een Griekse broer en zus tegen wil en dank verliefd op elkaar. Na de Eerste Wereldoorlog emigreren ze naar de Verenigde Staten om als man en vrouw te kunnen leven. Ze krijgen een gezonde dochter, die met een Griekse immigrant trouwt en zij krijgen op hun beurt een baby: Cal, de verteller.
De dokter die Cals bevalling begeleidt, ziet niets bijzonders aan het kind en kondigt aan dat het een meisje is. Pas veel later, in het begin van de pubertijd, als haar borsten niet groeien en haar eerste ongesteldheid uitblijft, raken haar ouders gealarmeerd. Toch weet Cal haar geheim nog lang verborgen te houden, ook voor zichzelf – pas tijdens haar eerste seksuele ervaring begrijpt ze, dat ze een hermafrodiet is, die eigenlijk een man wil zijn. En in een ziekenhuis op de EHBO afdeling wordt hij/zij uiteindelijk opnieuw geboren.
Middlesex is een verhaal dat zelfs de simpelste schema’s in twijfel trekt: ook van geboorte-leven-dood kunnen we niet zeker zijn.
De garnalen die te klein waren bevonden voor de barbecue gebruikten mijn broer en ik om krabben te vangen. Met een stuk naaigaren, een tak en een houten wasknijper maakten we onze eigen hengels. Een paar minuten nadat we de wasknijper met het garnalenaas in het water hadden laten zakken, kropen de eerste Zeeuwse krabben al onder hun steen vandaan. Alvorens de buit binnen te halen, wachtten we totdat de krab zich op de wasknijper had genesteld en aan zijn maaltje was begonnen. Krabben die in hun lift naar de oppervlakte loslieten, vingen we in een netje op.
Zodra we er genoeg hadden, vroegen we kinderen in de buurt om een blik in de emmer te werpen en een favoriet te kiezen. Het was tijd voor de race. Vervolgens kieperden we de emmer op de steiger om en keken we vol bewondering naar de krabben die zich naar hun habitat haastten. De eerste die in het water plonsde had gewonnen. Wat wij konden vangen, lieten we vrij.
‘Dat is de verborgen boodschap van de kir, dat is wat de sashimi moet vertellen, achter de caipirinha zit een verhaal: het verhaal van Tirza’s vader, het verhaal met de goede afloop.’ (Arnon Grunberg, Tirza, 2006)
Hoe kun je bewijzen dat je leven is geslaagd? Hoe kun je aantonen dat je een goede vader bent geweest?
In de prijswinnende roman Tirza doet het personage Jörgen Hofmeester zijn uiterste best het examenfeestje van zijn jongste dochter tot een succes te maken. Ondanks zijn inzet, of misschien juist door zijn overdreven inspanningen, gaat er van alles mis en bij iedere blunder wordt er iets over het grimmige gezinsverleden onthuld.
Hofmeester heeft lang geleden ingezien dat zijn eigen leven niet meer zou kunnen slagen en heeft zich daarna op het leven van zijn dochter Tirza geconcentreerd. Haar mocht het aan niets ontbreken. Maar net als op het feestje, gaat er in het leven van Tirza van alles mis. De zorg die Hofmeester aan de kir en sashimi besteedt, moet dat verbloemen. Het moet zeggen, dat hij als vader is geslaagd en dat Tirza een succes is geworden. De grote vragen in het leven worden soms in kleine handelingen beantwoord.
Wat je kunt vangen, mag je opeten. Met die boodschap overhandigde mijn vader me een netje en een emmer, al wist hij heel goed dat ik van garnalen griezelde. Misschien had ik ze toen al best lekker gevonden als ik ze geproefd had, maar wat je levend afstoot wil je ook dood niet in je mond.
Daar stond ik dan in het kniehoge water van de Grevelingen met het netje in mijn handen en de emmer op de steiger. Mijn broer had al een portie gevangen. Voor mij bleven de beestjes te snel, totdat ik leerde juist heel stil te staan en de garnalen mijn netje in te praten.
’s Avonds op de barbecue roosterde mijn vader onze buit. De trots die dat gaf, hem te zien genieten van iets dat wij hadden opgevist! Wat wij konden vangen, mocht hij opeten.
Ik houd niet van voetbal. En toch heb ik de afgelopen weken naar minstens tien wedstrijden gekeken.
Ik houd niet koffie. En toch geniet ik van de ijskoffiecreaties die mijn echtgenoot mij serveert.
Ik houd niet van strandvakanties pur sang. En toch reis ik morgen af naar Ibiza.
Alles is afhankelijk van het moment en de situatie. Misschien moet ik dus zeggen: wat betreft smaak en voorkeuren heb ik geen principes.
‘Roddelen, dat was het middel van de zwakke om voor zichzelf monsters te scheppen, en die met zijn mond te bestrijden en af te straffen.’ (A.F.Th. van der Heijden, Het hof van Barmhartigheid, 1996)
In Het Hof van Barmhartigheid, het eerste boek van het derde deel van de cyclus De tandeloze tijd van A.F.Th van der Heijden, leert de lezer Hennie A. kennen, een vrouw die er ervan wordt beschuldigd haar ouders te hebben vermoord. Een van de hoofdpersonen van het boek, Albert, volgt haar proces met interesse. Volgens hem was Hennie A. al veroordeeld, voordat er een vonnis werd uitgesproken.
In ons rechtsysteem is een beklaagde onschuldig totdat zijn schuld is bewezen, maar soms is de publieke opinie de rechtbank voor. De mens heeft volgens Albert een diepe behoefte aan roddelen. Door kwaad te spreken over anderen kan men concurrentie en rivaliteit bezweren. De belasterde, die door zijn afwezigheid geen kans heeft op zelfverdediging, wordt zijn ware gezicht ontnomen en krijgt een masker op, dat bestaat uit de verzonnen verhalen die anderen over hem vertellen. En vervolgens wordt dat masker voor schut gezet en veroordeeld. In het belasteren van een ander worden de roddelaars bevrijd van het monster dat ze zelf hebben gecreëerd.